RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/066445-24 Datum uitspraak: 25 juni 2024 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 7 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 januari 2024 door de District Court Constanţa (Roemenië), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1977 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting van 17 april 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tussenuitspraak van 1 mei 2024 De rechtbank heeft de grondslag en inhoud van het EAB vermeld en vastgesteld dat de in het EAB genoemde feiten dubbel strafbaar zijn. Overwegingen 3 en 4 van de tussenuitspraak worden in deze uitspraak als herhaald en ingelast beschouwd. Het onderzoek ter zitting is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen aan de Roemeense autoriteiten voor te Hierbij is door de rechtbank opgemerkt dat de antwoorden op deze vragen de rechtbank aanleiding zouden kunnen geven om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de uitleg van artikel 1 lid 3 Kaderbesluit. De rechtbank heeft de beoordeling van de overige gevoerde verweren aangehouden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW voor de duur van 30 dagen. Zitting van 11 juni 2024 De behandeling van het EAB is hervat in de stand van de zitting van 17 april 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe en door een tolk in de Roemeense taal. Bij brief van 9 mei 2024 hebben de Roemeense autoriteiten antwoord gegeven op de door de rechtbank geformuleerde vragen. De raadsman en de officier van justitie hebben ter zitting naar aanleiding van de antwoorden van de Roemeense autoriteiten aan de hand van aan de rechtbank overgelegde schriftelijke notities hun standpunten toegelicht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW voor de duur van 30 dagen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3. Heropening onderzoek in verband met voornemen tot stellen prejudiciële vragen De rechtbank zal het onderzoek heropenen in verband met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Een uitgebreide motivering voor die beslissing zal volgen in een nadere verwijzingsuitspraak, waarin ook zal worden ingegaan op de standpunten die de raadsman en de officier van justitie hebben ingenomen naar aanleiding van de tussenuitspraak van 1 mei 2024. De rechtbank zal partijen eerst in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de volgende conceptvragen aan het HvJ EU: I. Moet artikel 1, derde lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering, gelezen in samenhang met artikel 49, derde lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 2, eerste lid, onder a en tweede lid, artikel 4, eerste lid en tweede lid, onder b en artikel 5 van Kaderbesluit 2004/757/JBZ betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel, zo worden uitgelegd, dat indien de opgeëiste persoon zich tegen zijn overlevering verzet met het verweer dat hij in de uitvaardigende lidstaat onherroepelijk is veroordeeld tot een onevenredige minimumvrijheidsstraf voor de invoer van geringe hoeveelheden drugs voor persoonlijk gebruik, de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet onderzoeken of de opgeëiste persoon, in geval van overlevering ter fine van tenuitvoerlegging van die straf, een reëel gevaar zou lopen van de tenuitvoerlegging van een straf die onevenredig is aan het strafbare feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt? II. Indien het antwoord op vraag I bevestigend luidt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.