vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.223330.23 (A), 16.218857.23 (B) en 13.041862.24 (C) Datum uitspraak: 26 juli 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009, nu gedetineerd te: [verblijfplaats] , [adres 1] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 juli 2024 (inhoudelijke behandeling) en 12 juli 2024 (sluiting van het onderzoek). De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid. De rechtbank zal de feiten in chronologische volgorde hieronder bespreken. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. C.P. Staal en G.M. Kolman (hierna: de officier van justitie) en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. C. Jansen, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam] en [naam] , namens Samen Veilig Jeugdbescherming (hierna: de jeugdreclassering) en door de moeder van [verdachte] naar voren is gebracht. Ook is kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij, de familie [slachtoffer] door mr. N. Ugur, namens de benadeelde partij [benadeelde 1] door mr. M. Ferwerda en namens de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] door mr. E. Golstein van Slachtofferhulp Nederland naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan [verdachte] is, na wijziging op de terechtzitting, samengevat en nader omschreven ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Zaak A ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: het medeplegen van doodslag van [slachtoffer] op 27 augustus 2023 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: het medeplegen van diefstal met geweld van [benadeelde 2] op 25 augustus 2023 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: het medeplegen van afpersing van [benadeelde 2] op 25 augustus 2023 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: het medeplegen van diefstal met geweld van [benadeelde 1] op 26 augustus 2023 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: het medeplegen van afpersing van [benadeelde 1] op 26 augustus 2023 te Amsterdam; Zaak B ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: het medeplegen van poging tot moord dan wel doodslag van [benadeelde 5] op 28 augustus 2023 te Tilburg; subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde 5] ; meer subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van poging tot met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde 5] ; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: poging tot diefstal met geweld van [benadeelde 4] op 28 augustus 2023 te Tilburg. Zaak C ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: het medeplegen van diefstal met geweld van [benadeelde 6] op 22 augustus 2023 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: poging tot afpersing van [benadeelde 3] op 27 augustus 2023 te Amsterdam; De tekst van de tenlasteleggingen zijn opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.
(2)onbekende mensen op het plaatse delict. Deze mensen bleken later de getuigen/ melders te zijn [getuige 2] en [getuige 1] . 2. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1300-2023193624-4, opgemaakt op 27 augustus 2023, in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 05 0003-4): Ik zag dat er op zijn achterhoofd een grote steen lag van ongeveer 30 centimeter in de lengte en breedte. Ik heb deze steen van het hoofd van de man getild. Ik zag dat de man een capuchon op had. Ik heb de capuchon van zijn hoofd afgehaald. Ik zag dat er een grote plas bloed om het hoofd van de man heen lag. Ik hoorde een soort rochelende ademhaling. Ik voelde op de rug van de man en voelde dat de man ademde. Reanimatie Wij hoorden dat de ademhaling van de man stopte. Dit was enkele minuten nadat wij ter plaatse waren gekomen. Na enkele minuten gereanimeerd te hebben had de man weer een ademhaling en een hartslag. De arts is samen met de man meegegaan in de ambulance naar het Amsterdam UMC. 3. Een geschrift, zijnde een schouwverslag van het samenwerkingsverband forensische geneeskunde Noordwest Nederland van 1 september 2023, opgemaakt door dr. [naam] , forensisch arts, voor zover inhoudende (p. ZD01 08 01 0025-27): Datum/tijd schouw 01-09-2023 19:00 Overledene kwam op 27-08-2023 om 4:31 op de OK aan. De operatie startte om 4:59 en duurde tot 7:07. Na reanimatie wordt er in het ziekenhuis uitgebreid aangezicht- en schedelhersenletsel geconstateerd. Het overlijden treedt ondanks uitgebreid medisch handelen in als gevolg van het schedelhersenletsel. Oorzaak van overlijden is het gevolg vanwege fors schedelhersenletsel. Het aantreffen van het uitgebreide aangezichts- en schedelhersenletsel is waarschijnlijker onder de hypothese toedracht dan accidenteel. 4. Een geschrift, zijnde een verslag van forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt op 23 november 2023 door drs. [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD 01 08 03 0047-49): Letselbeeld Op basis van de forensisch pathologische bevindingen kan geen zeker onderscheid gemaakt worden tussen een accidentele of niet-accidentele oorzaak van de individuele letsels. Het gehele letselbeeld aan het hoofd kan echter niet worden verklaard door een simpele/enkelvoudige val uit staande positie. Het totale letselbeeld zou onder andere (maar niet uitsluitend) kunnen zijn ontstaan door (herhaalde) impact met een voorwerp (zoals bijvoorbeeld slaan met of gooien van een zwaar voorwerp tegen het hoofd) of het pletten van het hoofd tussen twee voorwerpen en/of oppervlakten (zoals bijvoorbeeld het pletten van het hoofd tussen een zware tegel en de grond, zie verkregen informatie), al dan niet in combinatie met letsel door een val op het hoofd. 5. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , met nummer 2023193624, documentcode 18369544, opgemaakt op 27 augustus 2023, in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 03 0015): Vannacht 27 augustus 2023 was ik samen met mijn vriendin [getuige 2] uit geweest op [adres 3] te Amsterdam. We gingen omstreeks 02:55 uur weer naar buiten. Ik hoorde opeens een zwaar ‘baksteen’ geluid: het geluid van een zware baksteen die over een andere baksteen schuift of werd gegooid. Ik hoorde daarna direct gelach/rumoer van iemand van diezelfde plek. Ik keek direct op en zag vanaf de plek waar het geluid vandaan was gekomen opeens twee jongens wegrennen mijn richting op. Ik zag dat ze vervolgens een klein stukje verder achter een van de voertuigen die daar geparkeerd stonden gingen staan. Verder zag ik daar niemand, het viel mij dus op. Ik hield die jongens gelijk in de gaten. Vervolgens fietsen ik en [getuige 2] om het dranghek en kwamen wij langs de plek waar ik dat geluid vandaan had horen komen en waar die jongens vandaan waren gerend. Ik zag vervolgens twee uitstekende benen op de grond liggen en toen direct dat er een man op zijn buik op de grond lag. Ik zag toen ook dat er op zijn hoofd een grote stenen stoeptegel lag. Ik heb direct foto's gemaakt van hoe we de man aantroffen, er was toen nog niets verplaatst. 6. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , met nummer 2023193624, documentcode 18369548, opgemaakt op 27 augustus 2023, in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 03 0021): Ik was samen met mijn vriend [getuige 1] op een feestje geweest op het [adres 3] in Amsterdam. Rond ongeveer 02.55 uur stonden wij buiten. Na ongeveer twintig meter zagen wij die twee jongens aan de linkerzijde van de weg staan ter hoogte van een betonblok. Toen zag ik dat achter dit blok twee benen uitstaken over de grond. Ik zag dat hij op zijn buik lag en dat zijn hoofd in de richting van het pand lag. Ik zag dat hij op zijn achterhoofd en nek een stoeptegel had liggen. 7. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende camerabeelden totaal, met nummer 2023193624, documentcode 18411141, opgemaakt op 13 september 2023 in de wettelijke vorm, door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (ZD01 05 0064-68): De pont meert om 01:51 uur aan in Amsterdam Noord. Op het moment dat de pont is aangemeerd loopt [slachtoffer] over de NDSM-kade linksaf. Op 27 augustus 2023 te 02:13 uur lopen [medeverdachte] en [verdachte] pont 66 op, gaand in de richting van Amsterdam Noord en verlaten de pont om 02:29 uur. Op 27 augustus 2023 te 02:36 uur komen [medeverdachte] en [verdachte] aanlopen en om 02:38 uur in beeld bij NDSM-plein 17 . 8. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, met nummer PL1300-2023193624-10, opgemaakt op 5 september 2023, in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 08 01-3): Op de locatie waar het SO (de rechtbank begrijpt: het slachtoffer) met zijn hoofd had gelegen zagen wij een viertal stenen. De stenen werden door ons genummerd van #l t/m #4. Steen #l betrof de steen welke aangetroffen werd op het hoofd van het slachtoffer. Deze steen hebben wij veiliggesteld en voorzien van SIN: AAQL9185NL. De steen werd door ons gewogen en woog 17.08 kg. Steen #2: SIN AAQX7984NL Steen #3 en #4: SIN: AAQX7986NL. 9. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, met nummer PL1300-2023193624-44, opgemaakt op 6 november 2023, in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD08 01 0046): Aan de overzijde van de straat zagen wij drie stenen op straat liggen. Wij zagen dat deze bij elkaar, onder een evenementenhek lagen. Wij zagen dat twee van de drie stenen overeen kwamen met de stenen die ons eerder op foto’s werden getoond. Wij zagen namelijk dat de specifieke vormen en de verfspatten op de stenen identiek waren. Steen #5 - Klinker vanaf openbare weg aan overkant van de straat - SIN AAMB8687NL; Steen #6 - Klinker vanaf openbare weg aan overkant van de straat - SIN AAMB8686NL. 10. Een geschrift, zijnde een rapport van onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 december 2023, opgemaakt door ing. [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 08 03 0032-33): Bemonstering AAOX7986NL#Q1 (randen van de grote steen). Uit de berekeningen volgt dat het DNA-mengprofiel het beste wordt verklaard wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] gezamenlijk (hypothese 1). DNA-mengprofiel AAQX7986NL#01 is ten minste 93 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer één van de andere hypothesen waar is. Bemonstering AAMB8686NL#01 (randen van de steen). Uit de berekeningen volgt dat het DNA-mengprofiel het beste wordt verklaard wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] gezamenlijk (hypothese 1). DNA-mengprofiel AAMB8686NL#01 is ten minste 1,6 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer één van de andere hypothesen waar is. Bemonstering AAMB8687NL#r01 (randen van de steen). Uit de berekeningen volgt dat het DNA-mengprofiel het beste wordt verklaard wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [medeverdachte] gezamenlijk (hypothese 1). DNA-mengprofiel AAMB8687NL#01 is ten minste 43 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer één van de andere hypothesen waar is. DNA-mengprofiel AAQX7984NL#01 is ongeveer 470 duizend keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen. 11. Een geschrift, zijnde een rapport van onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 september 2023, opgemaakt door ing. [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 08 03 0022): Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] komt overeen met het DNA-profiel van onbekende man A. Dit betekent dat bemonsteringen AAQL9185NL#0l t/m #03 (van steen 17,08
- kg)DNA bevatten dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] . Elk van de DNA-profielen AAQL918SNL#0l t/m #03 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige, niet aan verdachte [verdachte] verwante, onbekende persoon. 12Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] van 12 september 2023, met nummer 2023193624, documentcode 18452237, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. PD04 0100): A: Jullie hebben alleen die steen gepakt die daarnaast lag. Want er lagen nog twee kleine stenen naast hem, maar die hebben jullie ook niet meegenomen. Want de dag daarna, toen ik langskwam langs die plaats delict. Die stenen lagen daar nog allemaal en daarna heeft [medeverdachte] ze achter het hek weggegooid [slachtoffer] was aan het schreeuwen, maar we moesten langslopen. Toen werd ik boos. We pakten allebei een steen. Eerst, we sloegen hem op zijn hoofd. Toen hij lag op de grond, gingen we hem op zijn borstkast gooien. Zijn ribben en zo, allebei. En daarna, toen hij aan de grond lag, zag ik een grote steen liggen. Zijn kleine steen, van [medeverdachte] , lag ernaast en ik pakte die grote steen en ik gooide hem op zijn hoofd en toen renden we weg. [medeverdachte] heeft met zijn eigen steen gegooid. Ik pakte eerst de steen en daarna [medeverdachte] . A: Ik weet niet eens of hij die steen aan zag komen, maar ik raakte hem wel. Maar niet op z'n hoofd gelijk. Hier of zo, meer zijn schouder nek. Maar daarna, [medeverdachte] pakte er één en toen gingen we hem slaan en toen gooide ik hem op z'n hoofd. A: Na de tweede steen ging hij liggen. A: Nadat ik de steen had gegooid. [medeverdachte] liep al een paar stappen naar voren, zodat hij kon wegrennen nadat hij het had gedaan, maar ik zei dat hij moest blijven. A: Ik pakte gewoon die grote steen en daarna gooide ik die op zijn hoofd en toen gingen we pas wegrennen. V: Jij gooide de eerste steen, die kwam hier terecht. [medeverdachte] gooide de eerste steen. Je hebt niet precies gezien waar die terecht kwam, maar die man ging liggen. Je zegt ik heb dat niet precies gezien omdat ik een andere steen ging pakken. A: Ja. V: Die heb je gegooid op zijn borstkast A Of op zijn ribben. V: Na die tweede steen op die borstkast? A Ja, toen gooide ik... Toen kwam ik dichtbij Ik ging bij hem staan. Ik ging hem op zijn hoofd slaan en toen pakte ik die andere steen. V: Ja Oké Dus toen heb je met een steen op zijn hoofd geslagen. Hoe vaak heb je op zijn hoofd geslagen? A. Eén keer, twee keer, max. V En waar op zijn hoofd? A' Ja, hier ergens, midden, slaap. V: Aan de voorkant? A Ja, zijkant, voorkant. V: Die grote steen, hoe ging dat dan? A: Nou, ik stond gewoon met mijn voeten naast zijn hoofd en ik liet hem op zijn hoofd vallen. Ik liet hem vallen niet met kracht. 13Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] van 12 september 2023, met nummer 2023193624, documentcode 18428803, opgemaakt op 20 september 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] voor zover inhoudende (p. PD03 0075-94): A: Toen is hij (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) naar achteren gegaan, stoeptegel gepakt, toen stond ik hier. Toen zei hij tegen mij, "pak een steen", Toen zei ik oké. Toen heb ik hier een steentje gepakt of hier. Ergens één van die twee. Toen heeft hij een steen gepakt en die wou hij op die man gooien. En toen zei hij tegen mij, pak er ook eentje. Toen had ik een wat kleinere gepakt. Ik heb die toen weggegooid. En daarna hoorde ik gewoon een enorme klap. Een gil. Toen ben ik gewoon weggerend. V: Hij stond achter die man en je zag hem staan met die tegel? A: Ja V: Met twee handen houdt hij hem vast? A: Ja V: Je deed voor of die tegel een beetje boven hem was. A: Ja, die was boven hem, ja. Hij liet de tegel toen los. V. Waar viel die tegel dan op? A: Op die man zijn hoofd. V: Op welk moment liet hij los. Maakte hij nog een beweging? A.: Ja, zeg maar het was boven die man zijn hoofd en hij deed zo. Op dat moment heb ik weggekeken. Ik wilde het niet zien. Toen hoorde ik in één keer die knal op zijn hoofd. A: Toen heb ik gewoon het steentje gepakt, ernaar gekeken en vastgehouden naast me. En toen daarna kwam hij met die grote. Dat heb ik gewoon zo gedaan. V: Maar het komt op mij over als je misschien ook een heel klein beetje angst hebt voor hem. Een klein beetje bang misschien voor wat hij gaat doen. A: Oh, dat ik angst heb voor de situatie die gaat gebeuren. Niet voor hemzelf, maar wel voor de dingen die hij wil gaan doen. Daar heb ik inderdaad spanning bij, ja. Daar heb ik inderdaad wel kippenvel bij. 14. Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] van 23 januari 2024, met nummer 2023193624, documentcode 19004147, opgemaakt op 8 februari 2024 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] voor zover inhoudende (p. PD03 00288-293): Die steen van mij is links van mij terechtgekomen. Links van mij, rechts van [naam] . Ik heb die steen weggegooid richting de grond, richting [naam] . A: Ja, die herken ik als de steen die ik toen links van me gegooid. Dat is een van de stenen die ik de volgende dag aan de overkant bij het hek heb weggegooid. 4.7. Ten aanzien van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde: [verdachte] heeft zich ten aanzien van dit feit op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank acht, anders dan de raadsman en met de officier van justitie, bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging van diefstal met geweld van [benadeelde 3] op 27 augustus 2023 in Amsterdam. De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. Daarna zal een nadere bewijsoverweging volgen met betrekking tot het verweer van de raadsman. 4.7.1. Gebruikte bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] van 28 augustus 2023, met nummer PL1300-2023194490-2, opgemaakt op 28 augustus 2023 in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. 11-13): Ik doe aangifte van poging tot straatroof op de kruising van de Scheepsbouwkade met het NDSM-plein. Omschrijving NNI: - Licht getinte man - Klein postuur, rond de 1.70m a 1.75m - Dun tenger, iel mannetje - Donkere ogen - Dikke wenkbrauwen in een boogvorm - Kleine mond, met volle lippen - Rechte tanden - Donkere broek - Donkere schoenen - Vlassig snorretje - Donkere pet - Zwart haar stijl haar wat net onder zijn pet vandaan kwam - Ongeveer 18 jaar - Donker trainingsjack - Had een straattaal accent Op zondag 27 augustus 2023 om 21.50 fietste ik vanuit de Papaverweg via de brug richting het NDSM terrein. Net na de brug zag ik in een flits een gedaante en voelde ik dat er opeens heel hard tegen de linkerkant van mijn fiets werd getrapt. Ik kwam meteen ter val. Ik lag opeens op de grond. Ik lag naast mijn fiets. Ik zag dat NNI ongeveer één meter van mij vandaan stond. Ik begon direct heel hard te schreeuwen tegen hem, namelijk: “Wat de kanker, wat de fuck, wie denk je wel niet dat je bent.”. Ik hoorde dat hij zei: "Geef mij nu je spullen." Ik schreeuwde: “ik heb niks, ik heb niks”. Ik hoorde NN1 zeggen: "Geef me gewoon iets. Geef me je portemonnee, telefoon of iets." Ik schreeuwde weer: “Ik heb niets, laat me nou gaan”. 2. Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] van 30 november 2023 met nummer PL1300-2023193624-47, opgemaakt op 14 december 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam] , voor zover inhoudende (p. 77-82): V: Zondag 27 augustus 2023 omstreeks 21.50 uur vindt op de Scheepsbouwkade vlakbij NDSM een poging tot straatroof plaats. A: Bij die brug. Oh. Ja ik weet wel waar dat is ja. Dat was volgens mij dat [verdachte] er op af rende en tegen die fiets aan trapte. Toen viel ze en begon ze te schreeuwen. Ze schreeuwde iets van what the fuck of zoiets. Ik weet dat er getrapt was en dat we uiteindelijk maar weg zijn gaan rennen door het lawaai. [verdachte] heeft getrapt omdat hij geld wilde. Dat weet ik omdat hij dat vlak daarvoor zei. Toen kwam de politie en zijn [verdachte] en ik de bosjes in gesprongen. 3. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende nader onderzoek beelden NDSM plein 17, met nummer 2023193624, documentcode 18974575, opgemaakt op 19 februari 2024 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 05 0363-365): Op de beelden wordt waargenomen dat op 27 augustus 2023 om 21:09:20 [medeverdachte] en [verdachte] lopen in de richting van het Noorderlicht. Ter hoogte van de plaats delict, het NDSM-plein ter hoogte van perceel 90 te Amsterdam, lopen [medeverdachte] en [verdachte] naar links. [medeverdachte] en [verdachte] lopen vanaf de hekken weg in de richting van de Theo Fransmanbrug / Papaverweg. 4. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende digitaal onderzoek Samsung Galaxy 7, met nummer 20231963624, documentcode 18395756, opgemaakt op 2 oktober 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 05 0202): 4.7.2. Bewijsoverweging De rechtbank heeft reeds overwogen dat de verklaringen van [medeverdachte] op essentiële punten worden ondersteund door ander bewijs. Zijn verklaring over de poging tot diefstal met geweld van aangeefster [benadeelde 3] zal om die reden niet worden uitgesloten. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] ongeveer 40 minuten voor de poging straatroof in de buurt van de plaats delict, namelijk op het NDSM plein, is geweest. Op de beelden is immers te zien dat [verdachte] met [medeverdachte] in de richting van de Theo Fransmanbrug loopt. Aan de overtuiging van de rechtbank draagt in dit geval bij dat [verdachte] binnen drie uur na het incident op Snapchat een bericht stuurt naar [naam] dat precies past bij wat aangeefster heeft verklaard. 4.8. Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde: 4.8.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van medeplegen van een poging tot doodslag. 4.8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. [verdachte] heeft bekend aangever [benadeelde 5] een trap te hebben gegeven. De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van voorbedachten rade. [verdachte] moet daarom van dit bestanddeel worden vrijgesproken. Ook kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] opzet, ook niet voorwaardelijk, op de dood van [benadeelde 5] heeft gehad. Daarnaast kan het letsel van [benadeelde 5] niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Reden waarom [verdachte] ook hiervan moet worden vrijgesproken. 4.8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op grond van de na te noemen bewijsmiddelen vast dat [verdachte] op 28 augustus 2023 te Tilburg aangever [benadeelde 5] met grote kracht tegen zijn hoofd heeft geschopt terwijl dit gefilmd is door [medeverdachte] . Medeplegen Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er drie jongens, onder wie [verdachte] en [medeverdachte] , in de buurt van het slachtoffer staan/zitten. De jongens zijn met elkaar in gesprek. In dat gesprek wordt op een gegeven moment gesproken over het geven van een trap. Er wordt gesproken over het geven van een ‘penalty’ tegen het hoofd van de man die op de grond ligt. Wie als eerste op het idee van een penalty kwam kan in het midden worden gelaten, nu naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat het voor alle verdachten voorafgaand aan de trap duidelijk was dat [verdachte] een ‘penalty’ zou gaan geven tegen het hoofd van [benadeelde 5] en dat dit gefilmd zou worden. [medeverdachte] heeft hierover in een chatbericht aangegeven dat [verdachte] tegen hem zou hebben gezegd:“Waka ik ga die man een penalty geven, zet het op cam”. Hieruit blijkt van een afgesproken rolverdeling. Op de beelden is te zien dat [verdachte] en [medeverdachte] samen naar [benadeelde 5] toelopen en hem van dichtbij bekijken. [medeverdachte] loopt naar achteren, pakt zijn telefoon, en neemt een positie in om [verdachte] te gaan filmen. [verdachte] gaat klaar staan en wacht totdat [medeverdachte] een seintje geeft dat hij klaar is om het te filmen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het filmen in deze situatie een aanmoedigende rol ten aanzien van het geweld gehad. Met het filmen heeft [medeverdachte] immers het ontremde gedrag van de geweldpleger aangemoedigd. [verdachte] neemt een aanloop en schopt tegen het gezicht/hoofd van het slachtoffer. Na het geven van de trap reageert [medeverdachte] door te zeggen: “hoppa”. Daarmee geeft [medeverdachte] naar het oordeel van de rechtbank bevestiging of een teken van goedkeuring aan [verdachte] . Direct na de trap en het filmen daarvan rennen alle drie de verdachten weg. [medeverdachte] heeft het filmpje na afloop via Snapchat gestuurd naar [naam] en [verdachte] . [medeverdachte] heeft alles overziend een actieve bijdrage geleverd aan het geweld van [verdachte] en hij heeft zich op geen enkel moment van dit geweld gedistantieerd of geprobeerd om [verdachte] op andere gedachten te brengen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] en [medeverdachte] nauw en bewust hebben samengewerkt bij het geven van de trap tegen het hoofd van [benadeelde 5] en het filmen daarvan. De rechtbank merkt hen beiden dan ook aan als medeplegers van het geweld. Geen voorbedachte raad Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachten met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat [verdachte] daarvan zal worden vrijgesproken. Opzet De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [verdachte] opzet op de dood van aangever [benadeelde 5] heeft gehad. De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] vol opzet op de dood van [benadeelde 5] heeft gehad. De volgende vraag is of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde 5] . De rechtbank overweegt allereerst dat hierboven reeds is vastgesteld dat het een algemene ervaringsregel is dat het hoofd een vitaal en kwetsbaar deel van het lichaam is. Wanneer met kracht met de voet op of tegen het hoofd getrapt wordt, bestaat een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Schoppen tegen het hoofd kan in beginsel dus dodelijk letsel opleveren. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval een aanmerkelijke kans op het ontstaan van dergelijk dodelijk letsel heeft bestaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt hier onder meer betekenis toe aan de kracht van het schoppen, hoe vaak is geschopt, de positie van het slachtoffer, de plek waartegen is geschopt en het soort schoenen waarmee is geschopt. Hiervoor is vastgesteld dat [medeverdachte] en [verdachte] naar [benadeelde 5] lopen en hem van dichtbij bekijken. [benadeelde 5] ligt op dat moment op de grond te slapen. De rechtbank concludeert op basis hiervan dat het niet anders kan dan dat [verdachte] en [medeverdachte] hebben gezien aan welke kant het hoofd van de aangever lag. Bovendien is van tevoren door [verdachte] voorgesteld de man op de grond een penalty tegen het hoofd te geven. [verdachte] heeft [benadeelde 5] met geschoeide voet een trap gegeven alsof hij een penalty nam. Voordat hij de trap gaf, ging [verdachte] klaar staan en nam hij een aanloop. Hieruit blijkt dat hij met kracht heeft getrapt. Het hoofd van [benadeelde 5] sloeg door de klap omhoog en klapte terug op de grond. Dat met flinke kracht is getrapt blijkt ook uit het uitgebreide letsel dat [benadeelde 5] aan de trap heeft overgehouden. Met het handelen van [verdachte] , zoals hiervoor beschreven, is de aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde 5] ontstaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [benadeelde 5] weerloos in zijn slaapzak lag te slapen en de trap niet heeft kunnen zien aankomen. Daardoor heeft hij zich in het geheel niet kunnen verweren. De rechtbank is van oordeel, anders dan de raadsman, dat de hierboven beschreven gedragingen van [verdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [benadeelde 5] gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat [verdachte] de kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. [verdachte] heeft met zijn handelen de aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde 5] op de koop toegenomen. Conclusie Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag van [benadeelde 5] op 28 augustus 2023 te Tilburg. 4.8.4. Gebruikte bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] van 7 september 2023, met nummer PL2000-2023220017-8 opgemaakt op 7 september 2023 in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. 5): Ik slaap altijd op straat in de spoorzone in Tilburg. Op maandag 28 augustus 2023 was ik al vroeg gaan slapen. Ik ben tussen de Lochal en Mindlabs in gaan liggen, op de Locomotief boulevard in Tilburg. Op het moment dat ik in slaap doezelde hoorde ik nog wel een aantal stemmen in mijn directe omgeving. Ik werd wakker van een harde klap tegen mijn hoofd. Mijn hoofd sloeg door de klap omhoog en klapte terug op de grond. Ik voelde dat de huid rond mijn rechteroog en wang enorm opgezwollen was. Ik kon ook niet goed zien. Ik bloedde uit mijn mond. Ik voelde dat er stukjes tand uit mijn mond kwamen. Ook hoorde ik een pieptoon in mijn beide oren. In het ziekenhuis bleek dat mijn rechteroogkas ingedeukt was. Het rechter kaakgewricht was naar binnen geschoten. Ik heb in de afgelopen week twee ingrepen gehad in het ziekenhuis om mijn gezicht te herstellen. 2. Een geschrift, zijnde een verslag van de spoedeisende hulp, van 29 augustus 2023, opgesteld door drs. [naam] , anios SEH, voor zover inhoudende (p. 26): Fractuur laterale begrenzing orbita alsook minimale fractuur in de orbitabodem rechts. Fractuur arcus zygomaticum met impressie van de fractuurdelen rechts. Fractuur sinus maxillaris anterieure en posterieure begrenzing rechts. 3. Een geschrift, zijnde een verslag van de mond-, kaak- en aangezichtschirurgie, van 29 augustus 2023, opgesteld door drs. [naam] , aios kaakchirurgie, [naam] , MKA-chirurg en dr. [naam] , MKA-chirurg, oncoloog, voor zover inhoudende, (p. 29): Ingreep: Gesloten reductie van tetrapodfractuur os zygomaticum 4. Een geschrift, zijnde een verslag van mond-, kaak- en aangezichtschirurgie, van 29 augustus 2023, opgesteld door drs. [naam] , aios MKA-chirurg en drs. [naam] , MKA-chirurg, voor zover inhoudende (p. 31): Dentate toestand: matige mondhygiëne, radix relicta 37-46-47 5. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL2000-2023220017-4, opgemaakt op 31 augustus 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. 11-12): Op de beelden zag ik, verbalisant [naam] , dat de aangever [benadeelde 5] (dakloos) in zijn slaapzak lag achter betonnen-bankjes tussen de LOC HAL en MINDLABS aan de Locomotiefboulevard te Tilburg. Vervolgens komen drie personen aan gelopen naar de aangever [benadeelde 5] . Op de beelden zag ik, verbalisant [naam] , de verdachte [verdachte] in de richting loopt van de aangever die kennelijk in zijn slaapzak op de grond nietsvermoedend slaapt. De twee andere personen die erbij waren pakte hun mobiele telefoons en stonden op een afstand met hun telefoon in handen kennelijk klaar om te filmen. Een van de personen, gekleed in een grijze sweatpants (trui en broek) die stond te filmen betreft [medeverdachte] . Op de beelden is vervolgens te zien dat [verdachte] [geboortedatum] 2009 een soort van aanloopje neemt en vervolgens met enige kracht (geschoeide voet) tegen het hoofd trap van de aangever [benadeelde 5] terwijl de overige twee personen (onder andere [medeverdachte] de "kopschop" filmen. 6. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende filmpjes telefoon [medeverdachte] , met nummer 2023193624, documentcode 18564615, opgemaakt op 17 oktober 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 05 0237): Deze video staat opgeslagen in de map "camera" en betreft een video van 28 augustus 2023 te 20:55 uur. Op video is te zien en te horen dat [verdachte] tegen [medeverdachte] zegt: "Ja?" en [medeverdachte] hierop reageert met "Si". Vervolgens is te zien dat [verdachte] met een aanloop naar een persoon, die vermoedelijk op straat ligt te slapen, toeloopt, zijn linkerbeen achteruit slingert en de liggende persoon een schop tegen zijn hoofd geeft. Vervolgens is te horen dat [medeverdachte] reageert met: "hoppa". Na de schop loopt [verdachte] weg en eindigt het filmpje. 7. Eigen waarneming rechtbank van camerabeelden ‘b10 mishandeling buiten nachtingang’ ter terechtzitting van 9 juli 2024: Er staan drie personen rondom [benadeelde 5] . [verdachte] en [medeverdachte] lopen naar voren naar [benadeelde 5] . Op een gegeven moment loopt [verdachte] uit het groepje los en de andere twee jongens pakken hun telefoons. [medeverdachte] filmt. [verdachte] neemt een aanloopt en geeft een schop met kracht. [medeverdachte] en [naam] zijn op dat moment aan het filmen. 8. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende belangrijke gesprekken TA002, met documentcode 18423609, opgemaakt op 12 september 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 05 0150): [medeverdachte] : Ik, [afkorting naam 2] en mijn broertje, we waren in Tilly(Tilburg) aan het chillen. Er lag zeg maar zo een toerist op de grond te slapen toch. Dus [afkorting naam 2] en ik zeiden tegen mijn broertje van: je weet toch? 'bluf je geeft die man een penalty op zijn hoofd.' Dus mijn broertje heeft die man een penalty gegeven op zijn hoofd. Toen zijn we gewoon gaan longen(rennen). 9. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende OVC arrestantenbus 14-09-23, documentcode 18564466, opgemaakt op 17 oktober 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. ZD01 05 0275): J: Ja, maar door die gesprek met [naam] weten ze nu ook alles. 10. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 3 juni 2024 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, voor zover inhoudende: Ik heb wel gezien dat er uiteindelijk iemand werd geschopt. [verdachte] trapte hem gewoon terwijl hij op de grond lag. Wij waren daar aan het zitten en toen zag ik zijn broertje een paar stappen naar achter doen. Wij zaten denk ik zo’n twee meter van die persoon op de grond af en ik had gewoon een voorgevoel. U zegt dat ik in mijn verklaring heb verteld dat ik zag dat hij een aanloop nam. Dat klopt. [verdachte] en [medeverdachte] deden beide eigenlijk kinderachtig en waren onderling gelijk. U houdt mij een tapgesprek van [medeverdachte] van 6 september 2023 voor waarin hij praat over een toerist die op de grond lag en die is gaan slapen en over een penalty op het hoofd. U zegt dat het lijkt alsof ik wel van tevoren wist wat er ging gebeuren. Het klopt dat er wel over is gesproken. [verdachte] kwam zelf op het idee en zei 'Zal ik hem een penalty geven op zijn hoofd?'. Met penalty bedoelt hij een trap op zijn hoofd en hij gebruikte ook de woorden: een penalty op zijn hoofd. 11. Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] van 30 november 2023, met nummer PL2000-2023220017-14, in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 december 2023 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam] en [naam] , voor zover inhoudende (p. 7-10): O: Op 28 augustus 2023 omstreeks 21.00 uur is er een man slachtoffer geworden van een zware mishandeling, danwel poging doodslag. Dit was op de Locomotiefboulevard in Tilburg. A: Ik kan daarover vertellen dat we aan het chillen waren bij de fietsenstalling bij het Centraal bij de Lockhal en toen zei [verdachte] eigenlijk dat hij een man wilde gaan trappen. Die man die lag daar. Toen hebben we het gefilmd. [verdachte] zei het en toen heb ik gefilmd omdat [verdachte] dat wilde. Ik wist dat hij dat wilde omdat hij het heeft gezegd. Toen heeft [verdachte] getrapt als een soort voetbal aanloop. Penalty eigenlijk. Want hij noemde het ook een penalty. Hij noemde het een penalty toen hij het ging doen. Het is soort van straattaal. Hij zei: “Waka ik ga die man een penalty geven, zet het op cam”. V: Je ziet dat hij een aanloop neemt, een sport penalty. En toen? A: Toen trapte hij. Hij trapte 1 keer. Je weet toch hoe een penalty gaat. Dus precies zo. Met kracht ja. Het filmpje heb ik gestuurd naar [naam] en naar [verdachte] via Snap. 4.9. Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde: [verdachte] heeft dit feit bekend en zijn raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel op grond van de na te noemen bewijsmiddelen dat bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van [benadeelde 4] op 28 augustus 2023 te Tilburg. 4.9.1. Gebruikte bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] van 29 augustus 2023, met nummer PL2000-2023220112-5, opgemaakt op 29 augustus 2023 in de wettelijke vorm door [naam] , voor zover inhoudende (p. 5-6): Maandag 28 augustus 2023, arriveerde ik op Tilburg Centraal Station. Ik liep ik de fietsenstalling binnen. Ik zag toen meteen twee jongens staan in de fietsenstalling net voorbij de draaideur. Jongen 1 sprak mij aan. Ik zag dat jongen 1 toen een mes onder zijn trainingspak vandaan haalde. Ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat hij het mes voor zich hield en met de punt naar mij wees. Ik denk dat het een stilleto was met zo'n uitschuifbaar mes. Het handvat was zwart/grijs gekleurd. Het hele mes en handvat waren samen ongeveer 30 centimeter lang. Ik hoorde dat jongen 1 tegen mij zei: "Geef je spullen en geld" en "niet gaan schreeuwen of roepen". Ik had op dat moment mijn portemonnee en telefoon in mijn linkerhand vast. Ik zag dat jongen 1 naar mijn linkerhand keek en hoorde dat hij zei: "Dan wil ik die wel hebben". Ik zag dat hij met zijn linkerhand mijn telefoon vast pakte en voelde dat hij deze uit mijn hand wilde trekken. Ik trok hierop mijn hand terug. 2. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL2000-2023220112-16, opgemaakt op 31 augustus 2023 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] , voor zover inhoudende (p. 18): De camerabeelden zijn van maandag 28 augustus 2023, 23:00:00 uur.Op beeld is de fietsenstalling te zien met aan de rechterkant twee personen welke ik herken als de verdachte in deze zaak. Persoon 1, verdachte [verdachte] . Heeft een trainingsbroek aan donkergroen met gele streep. Grijze hoodie, capuchon over zijn hoofd, met daaronder een pet met rode cap. Persoon 1 loopt gelijk haar richting op, waarop je ziet dat zij persoon 1 aankijkt. Om 23.00.20 uur, pakt persoon 1 met zijn linkerhand de telefoon vast, welke slachtoffer in haar rechter hand heeft. De hand treft slachtoffer terug en houd haar telefoon in haar handen. Op dat moment heeft persoon 1, een mes in zijn rechterhand. Deze hand had hij eerder in de zak van de hoodie. Om 23.00.25 uur, stapt slachtoffer achteruit en kijkt naar de hand van persoon 1, alwaar hij het mes vasthoudt. Slachtoffer rent weg en komt daarbij te val. Hierop staat ze op en rent ze weg van de camera. Persoon 1 rent kort achter haar aan, waarna zowel persoon 1 als persoon 2 weglopen. 3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 1 september 2023 van de rechter-commissaris, belast met behandeling van strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , voor zover inhoudende: Op 28 augustus 2023 zou je hebben geprobeerd een telefoon af te pakken en daarbij heb je een mes getoond. Ik probeerde haar geld te pakken omdat ik geld nodig had. Ik wilde haar telefoon pakken zodat ze de politie niet kon bellen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat wettig en overtuigend bewezen dat Zaak A ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: hij op 27 augustus 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, op het NDSM-terrein, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] - een stoeptegel van ongeveer 17 kilo op het hoofd te laten vallen en - meermalen stenen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te gooien en - met een steen op het hoofd te slaan waardoor die [slachtoffer] traumatisch schedelhersenletsel heeft opgelopen ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op 25 augustus 2023 te Amsterdam, op het NDSM-plein, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone SE) en een fiets en meerdere bankbiljetten (ter waarde van 40 euro) en een bedrag aan muntgeld en een sleutelbos en een kaarthouder met meerdere pasjes, geheel toebehorende aan [benadeelde 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld bestond uit het: - die [benadeelde 2] , terwijl zij aan het fietsen was en verdachte en mededader passeerde, te benaderen door die [benadeelde 2] te duwen en/of een onverwachtse beweging in haar richting te maken en - terwijl die [benadeelde 2] van haar fiets was afgestapt en wegrende, achter die [benadeelde 2] aan te rennen en haar in te sluiten en, - dreigend een voorwerp op die [benadeelde 2] te richten en voor te houden en - dreigend aan die [benadeelde 2] de woorden toe te voegen dat zij haar telefoon af moest geven en “Give me your money, give me your money”; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: hij op 26 augustus 2023 te Amsterdam, op de Theo Fransmanbrug nabij het NDSM-plein, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon en een fiets geheel toebehorende aan [benadeelde 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld bestond uit het: - die [benadeelde 1] , terwijl zij aan het fietsen was, onverhoeds van achteren te benaderen door achter haar aan te rennen en vervolgens die [benadeelde 1] tegen haar rug te duwen ten gevolge waarvan die [benadeelde 1] van haar fiets afviel en op de grond terecht kwam en - dreigend een mes op die [benadeelde 1] te richten en voor te houden en - dreigend aan die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: “Geef je tas, geef alles wat je hebt”, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking; ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: hij op 26 augustus 2023 te Amsterdam, op de Theo Fransmanbrug, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot afgifte van een tas en sleutels, geheel toebehorende aan [benadeelde 1] , welk geweld en bedreiging met geweld bestond uit het - die [benadeelde 1] , terwijl zij aan het fietsen was, onverhoeds van achteren te benaderen door achter haar aan te rennen en vervolgens die [benadeelde 1] tegen haar rug te duwen ten gevolge waarvan die [benadeelde 1] van haar fiets afviel en op de grond terecht kwam en - dreigend een mes op die [benadeelde 1] te richten en - dreigend aan die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: “Geef je tas, geef alles wat je hebt”, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking; Zaak B ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde: hij op 28 augustus 2023 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [benadeelde 5] opzettelijk van het leven te beroven, onverhoeds met kracht tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde 5] heeft geschopt, terwijl die [benadeelde 5] weerloos op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op 28 augustus 2023 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon en geld, die geheel aan [benadeelde 4] , toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 4] , met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, -heeft gezegd: "Geef je spullen en geld, niet gaan schreeuwen of roepen" en -heeft getracht de telefoon uit de handen van voornoemde [benadeelde 4] te pakken en daarbij tegen haar te zeggen: "Dan wil ik die wel" en -een mes aan voornoemde [benadeelde 4] heeft getoond en in haar richting heeft gehouden en -met het mes in zijn, verdachtes hand, achter voornoemde [benadeelde 4] heeft aangerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Zaak C ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: hij op 22 augustus 2023 te Amsterdam op de Buiksloterweg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon en een headset en een geldbedrag van 150 euro en een tas geheel toebehorende aan [benadeelde 6] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond door, - tegen die [benadeelde 6] te zeggen dat hij geld en haar tas wilde hebben, en - die [benadeelde 6] te betasten bij haar armen en jaszakken en - de headset van het hoofd van die [benadeelde 6] te trekken; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op 27 augustus 2023 te Amsterdam, op de Scheepsbouwkade, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld, [benadeelde 3] te dwingen tot de afgifte van haar portemonnee en telefoon en goederen, die geheel toebehoorden aan die [benadeelde 3] , - tegen die fiets van die [benadeelde 3] heeft getrapt, ten gevolge waarvan die [benadeelde 3] op de grond is gevallen en vervolgens tegen die [benadeelde 3] heeft gezegd "Geef mij nu je spullen” en “Geef me gewoon iets. Geef me je portemonnee, telefoon of iets.”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank heeft taal- en/of schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet benadeeld. 6Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregel 8.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan [verdachte] een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) wordt opgelegd. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit bij het bepalen van de straf vooral rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Volstaan moet worden met een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest van [verdachte] . Ook is bepleit niet over te gaan tot oplegging van een PIJ-maatregel. Gelet op wat er tot nu toe is ingezet voor [verdachte] en aangezien dat nauwelijks iets heeft opgeleverd, is het de vraag of een PIJ-maatregel bijdraagt aan een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . Dit is echter wel een vereiste bij het opleggen van een PIJ-maatregel. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter zitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Samen met [verdachte] heeft [medeverdachte] zich in een tijdsbestek van iets meer dan een week, schuldig gemaakt aan een reeks zeer ernstige strafbare feiten. Het meest ernstig is dat [medeverdachte] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan de gewelddadige dood van slachtoffer [slachtoffer] . Doodslag is een van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Het leven is immers het hoogste goed dat de mens heeft. De ernst van doodslag wordt mede bepaald door de onomkeerbaarheid van het gevolg voor de nabestaanden van het slachtoffer, in dit geval in het bijzonder zijn echtgenote en vier jonge kinderen. De kinderen zullen de rest van hun leven verder moeten zonder vader. Zij zullen moeten leren leven met het grove leed dat hun vader is aangedaan en de onrechtvaardigheid daarvan. Ook zijn vrouw zal moeten leren leven met het gemis van haar man en ook zijn vader zal de rest van zijn leven zijn zoon moeten missen. Het leed dat [verdachte] en [medeverdachte] aan [slachtoffer] en zijn nabestaanden hebben toegebracht is groot en onherstelbaar. De rechtbank rekent dit hen zeer zwaar aan. Dit feit heeft ook de samenleving als geheel geschokt. Het feit is door twee zeer jonge daders gepleegd op de openbare weg en op zeer schokkende wijze. Het heeft bijgedragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, zowel in Nederland als in Turkije. Ook hebben [verdachte] en [medeverdachte] zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door een weerloze man, die op de grond lag te slapen, hard tegen zijn hoofd te trappen. Zij hebben hiermee blijk gegeven respect noch empathie te hebben voor de ander. De rechtbank kan zich alleen maar voorstellen hoe het slachtoffer zich na het incident moet hebben gevoeld, zowel lichamelijk als geestelijk. Het geweld dat is gepleegd is zinloos geweest en heeft slechts gediend voor eigen vermaak. [verdachte] en [medeverdachte] hebben tot slot nog een reeks aan straatroven gepleegd waarbij zij slachtoffers onder bedreiging van en met geweld hebben gedwongen tot afgifte van goederen. Ook hebben zij goederen weggenomen bij de slachtoffers. De straatroven hebben bij de slachtoffers gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid die ook een jaar na dato nog steeds aanwezig zijn, zo blijkt uit de onderbouwing van hun verzoeken tot schadevergoeding. [verdachte] en [medeverdachte] hebben telkens bewust fysiek zwakkere slachtoffers uitgekozen; onder meer (jonge) vrouwen die alleen op straat waren, een dakloze man die lag te slapen. De rechtbank heeft tijdens de zitting niet de indruk gekregen dat de ernst van zijn handelen bij [verdachte] voldoende is doorgedrongen. Ook van oprechte spijt is de rechtbank niet gebleken. De samenleving is hevig geschokt door het handelen van [medeverdachte] en [verdachte] . Dat blijkt ook uit de aandacht die er is geweest in de media. Een levensdelict is één van de ernstigste delicten die er bestaan en in de onderhavige zaak is dat zeer ernstige delict ook nog eens gepleegd door twee zeer jonge daders. Daarop is dan ook geen andere reactie passend dan een jeugddetentie van de maximale duur. Ook de straatroven en poging tot doodslag zijn eveneens feiten die een jeugddetentie rechtvaardigen. Gelet op de leeftijd van [verdachte] ten tijde van het plegen van de feiten, kan aan hem maximaal een jeugddetentie van één jaar worden opgelegd. De rechtbank zal hieronder de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] verder bespreken. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 juni 2024. Hieruit blijkt dat [verdachte] niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van 5 januari 2024, opgesteld door drs. [naam] , GZ-psycholoog en drs. [naam] . [verdachte] heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken. Desondanks is hij enkele malen met de deskundigen in gesprek gegaan. Deze contacten bieden zicht op zijn contactuele en sociale vaardigheden en zijn algemeen functioneren. Op basis van het onderzoek is het voor de deskundigen mogelijk geweest te komen tot een beschrijving van de actuele op de voorgrond staande psychische mogelijkheden en beperkingen van [verdachte] . Gezamenlijk zijn de deskundigen tot de volgende conclusies gekomen. De rode draad in de informatie over het gedrag van [verdachte] door de jaren heen is die van een zelfbepalende, snel prikkelbare en agressieve jongen, met een verhoogde spanningsbehoefte, die niet komt tot een daadwerkelijke verbinding met een ander. De eerder bij [verdachte] vastgestelde diagnoses, ADHD en ODD, beschrijven volgens de deskundigen de ernst van de actuele problematiek van verdachte onvoldoende. Op basis van het huidige onderzoek kan op gedragsniveau bij [verdachte] gesproken worden van een norm overschrijdende gedragsstoornis. Verschillende factoren hebben geleid tot het beeld van een zeer zorgelijke en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, met antisociale kenmerken en verhoogde krenkbaarheid als hoofdelement. In het bijzonder wordt opgemerkt dat in de wijze waarop [verdachte] over gebruik van geweld spreekt, de wijze waarop hij daarover fantaseert en de wijze waarop hij daar uiting aan geeft (of wil geven) een zorgwekkende mate van verheerlijking van geweld of lustbeleving bij het uiten van agressie wordt getoond. Ook is bij [verdachte] sprake van een ernstige stoornis in cannabisgebruik. Gelet op de signalen die naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek, achten de deskundigen nadere trajectdiagnostiek in de komende jaren essentieel. De voornoemde problematiek van [verdachte] is van invloed geweest op zijn functioneren tijdens de ten laste gelegde feiten. Geadviseerd wordt daarom de feiten verminderd aan hem toe te rekenen. De gedragsproblematiek is duurzaam van aard. Vanwege het ontbreken van probleembesef ten aanzien van gebruik van geweld, de lust die hij beleeft tijdens het bespreken van gewelddadige handelingen en het ontbreken van een innerlijke rem, wordt het recidiverisico op basis van een klinische analyse als zeer hoog en als onmiddellijk ingeschat. Behalve een onmiddellijk risico is er ook sprake van een risico op de langere termijn, aangezien hij wraakgevoelens koestert. Een langdurige behandeling van de pathologie van [verdachte] wordt noodzakelijk geacht ter preventie van recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling. Gezien het hoge risico op zeer gewelddadige recidive wordt een hoog beveiligingsniveau als basisvoorwaarde voor een interventie gezien. Vanwege de beschreven problematiek en de hiermee samenhangende risico’s wordt daarnaast een individuele, sterk gestructureerde bejegening noodzakelijk geacht. Gezien het geschetste risico op agressief gedrag wordt uitsluitend een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel als reëel juridisch kader gezien om de passende bejegening en behandeling een kans van slagen te geven en om het recidivegevaar te beperken. Een ambulant kader wordt als ontoereikend gezien. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de rapportage van de Raad van 2 juli 2024. Uit de rapportage blijkt dat de Raad zich aansluit bij het advies gegeven in de pro Justitia rapportage. Dit advies is tijdens de zitting door de deskundige bevestigd. Er wordt geen andere mogelijkheid gezien die zowel de samenleving als de ontwikkeling van [verdachte] kan beschermen dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De Raad en ook de jeugdreclassering zijn van mening dat een civiel kader geen mogelijkheid biedt vanwege het vluchtgevaar van [verdachte] in combinatie met het hoge recidiverisico. Wegens zijn complexe psychiatrische problematiek behoeft [verdachte] individuele begeleiding binnen een hoog beveiligde setting. Jeugddetentie De rechtbank zal de feiten, gelet op het advies van de deskundigen, in verminderde mate aan [verdachte] toerekenen. Evenwel komt de rechtbank tot de conclusie dat in de persoon van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden geen zwaarwegende omstandigheden naar voren komen die pleiten voor een jeugddetentie van kortere duur dan de maximale duur van één jaar. Gelet op de aard en ernst van de feiten, en de hoeveelheid daarvan, zal de rechtbank dan ook aan [verdachte] opleggen de jeugddetentie van de maximale duur van één jaar. Naast een jeugddetentie is gevorderd om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rechtbank zal hieronder ingaan op de PIJ-maatregel. PIJ-maatregel De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inzichtelijk zijn verwoord. De rechtbank legt deze dan ook ten grondslag aan de hiernavolgende overwegingen over een op te leggen PIJ-maatregel. Ingevolge artikel 77s Wetboek van Strafrecht kan aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond een PIJ-maatregel worden opgelegd. Het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd, dient een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel die behoort tot een van de feiten zoals genoemd in artikel 77s eerste lid onder a Wetboek van Strafrecht. Aan die voorwaarden is in deze zaak voldaan. Ook moet de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eisen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en in aanmerking genomen wat de deskundigen hebben gerapporteerd over het recidiverisico, oordeelt de rechtbank dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Ten slotte moet de maatregel in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vraag of de maatregel het belang van [verdachte] dient, uitgebreid door de deskundigen is toegelicht. De rechtbank overweegt als volgt. Een PIJ-maatregel is een middel dat met grote terughoudendheid moet worden ingezet, zeker wanneer het gaat om een zeer jongeverdachte die niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Desondanks acht de rechtbank deze maatregel passend en noodzakelijk gelet op de aard en inhoud van het dossier en de persoon van [verdachte] . Uit de hiervoor genoemde rapportages en verklaringen van de deskundigen ter zitting blijkt het unanieme advies om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. [verdachte] heeft gezien zijn problematiek langdurig en intensief behandeling nodig om tot een positieve gedragsverandering te komen. In het civiele kader is de nodige behandeling nauwelijks tot niet van de grond gekomen, ook omdat [verdachte] vaak wegliep. [verdachte] heeft aangegeven de noodzaak van behandeling niet in te zien. Alleen al omdat [verdachte] niet openstaat voor behandeling en dit eerder in civiel kader niet is gelukt, acht de rechtbank een ambulant kader ontoereikend. Gelet op het risico op herhaling van strafbaar en agressief gedrag dat als hoog en onmiddellijk wordt ingeschat, vindt de rechtbank behandeling in een gesloten setting van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden. Tot slot leidt de rechtbank uit de adviezen af dat de behandeling naar verwachting veel tijd in beslag zal nemen. In het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is meer ruimte voor [verdachte] om de tijd te nemen die nodig is voor zijn behandeling teneinde een gezonde ontwikkeling richting volwassenheid na te streven. Gelet op deze overwegingen, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan [verdachte] noodzakelijk is. De rechtbank overweegt dat deze PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van de maatregel mogelijk is voor zover deze de duur van zeven jaar niet te boven gaat. 9De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen [benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 150,00 aan materiële schade gevorderd. De schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde 2] , bijgestaan door Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 1.601,94,- aan schade gevorderd, waarvan € 751,94 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade. De schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. M. Ferwerda, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces een schadevergoeding van € 3.162,95 aan schade gevorderd, waarvan € 662,95 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Familie [slachtoffer] [vader slachtoffer] , [echtgenote slachtoffer] , [kind slachtoffer] , [kind slachtoffer] , [kind slachtoffer] en [kind slachtoffer] , bijgestaan door mr. N. Uğur, hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en hebben gezamenlijk een schadevergoedingsvordering van € 397.029,31 aan schade gevorderd, waarvan € 142.500,00 aan immateriële schade en € 254.529,31 aan materiële schade. De minderjarige kinderen zijn in deze procedure wettelijke vertegenwoordigd door de moeder, [echtgenote slachtoffer] . De schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. [benadeelde 3] , bijgestaan door Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces een schadevergoeding van € 705,00 aan schade gevorderd, waarvan € 45,00 aan materiële schade en € 660,00 aan immateriële schade. De schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. R. van der Steen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces een schadevergoeding van € 8.035,00 aan schade gevorderd, waarvan € 535,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde 4] , bijgestaan door Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces een schadevergoeding van € 1.000,00 aan immateriële schade gevorderd. De schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de moeder van [verdachte] , die als gezaghebbende ouder aansprakelijk is, zich onvoldoende heeft kunnen verweren. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat op de goed onderbouwde vorderingen en posten van eenvoudige aard naar redelijkheid en billijkheid moet worden beslist. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel niet ten aanzien van de moeder van [verdachte] kan worden opgelegd en dat de vorderingen niet hoofdelijk, maar slechts voor de helft, dienen te worden toegewezen. 9.2. De beoordeling van de rechtbank De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de moeder van [verdachte] , die als gezaghebbende ouder aansprakelijk is, zich onvoldoende heeft kunnen verweren. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat op de goed onderbouwde vorderingen en posten van een eenvoudige aard naar redelijkheid en billijkheid moet worden beslist. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel niet ten aanzien van de moeder van [verdachte] kan worden opgelegd en dat de vorderingen niet hoofdelijk, maar slechts voor de helft, dienen te worden toegewezen. 9.3. De beoordeling van de rechtbank Algemene overweging ontvankelijkheid De rechtbank stelt vast dat de vorderingen betrekking hebben op gedragingen van een minderjarige die ten tijde van bewezenverklaarde feiten de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. De gedragingen van [verdachte] kunnen wel worden aangemerkt als, telkens, een onrechtmatige daad, en als [verdachte] veertien jaar of ouder zou zijn geweest, zouden deze onrechtmatige daden hem in civielrechtelijke zin worden toegerekend. In verband met de leeftijd van [verdachte] ten tijde van de bewezenverklaarde feiten worden de vorderingen echter, ingevolge artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, geacht te zijn ingediend tegen de gezaghebbende ouder(
- s)van [verdachte] . Het moment van het ontstaan van de schade is immers doorslaggevend voor de bepaling wie verantwoordelijk kan worden gehouden voor het vergoeden van de schade van de benadeelde partij. De rechtbank constateert dat de moeder van [verdachte] , [moeder verdachte] , op de data van de bewezenverklaarde feiten was belast met het gezag over [verdachte] . Voor zover er schade, die het rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten, voor vergoeding in aanmerking komt, zal dus niet [verdachte] zelf maar in dit geval zijn moeder worden veroordeeld tot betaling daarvan. De moeder van [verdachte] , [moeder verdachte] , heeft aangegeven wel op de hoogte te zijn geweest van de vorderingen en van haar aansprakelijkheid. Zij is erop gewezen dat zij een advocaat kon inschakelen. Zij heeft echter vanwege de enorme belasting die de strafzaak tegen haar zoon met zich brengt, geen ruimte gevoeld om bijstand te zoeken. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor de moeder van [verdachte] een uitermate belastend proces is, is de rechtbank van oordeel dat mevrouw [moeder verdachte] op zichzelf wel voldoende mogelijkheden heeft gehad om juridische bijstand te organiseren en zich aldus te verweren in deze procedure. Zij is er immers door middel van de oproepingen voor de verschillende zittingen (zowel de pro forma zittingen als de inhoudelijke zittingen) door het openbaar ministerie op gewezen dat zij aansprakelijk is voor de schade die is opgetreden door de feiten die zijn gepleegd door haar kind dat jonger dan 14 was op het moment van het plegen van de feiten, en dat zij ter zitting op de eis tot schadevergoeding zou kunnen reageren. Ook is gebleken dat de moeder door de advocaten van de benadeelde partijen en door de advocaat van verdachte is gewezen op de vorderingen tot schadevergoeding en de mogelijkheid om rechtsbijstand te zoeken. Dat de moeder hier niet voor heeft gekozen vanwege de enorme belasting voor haar ten gevolge van het strafproces jegens haar zoon is tot op zekere hoogte te begrijpen, maar de rechtbank is van oordeel dat dit niet ten koste mag gaan van de mogelijkheid van de benadeelde partijen om schade te verhalen in het strafproces van [verdachte] . Het is immers met de invoering van deze wettelijke mogelijkheid de bedoeling van de wetgever geweest de positie in het strafproces van personen die rechtstreekse schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit dat is begaan door een verdachte die de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, te versterken. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het primaire standpunt van de officier van justitie en zal hieronder de vorderingen beoordelen. Daarbij geldt telkens dat de vorderingen door mevrouw [verdachte] niet zijn betwist. [benadeelde 6] Materiële schade De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de bij de straatroof een bedrag van € 150,00 is weggenomen. De gevorderde materiële schade van € 150,00 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook toewijsbaar. Wettelijke rente De rechtbank zal de schade toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2023, de datum waarop de schade is ontstaan. [benadeelde 2] Materiële schade De gevorderde schadevergoeding is genoegzaam onderbouwd voor de schadeposten iPhone SE (€ 142,56), fiets (€ 74,90), sloten vervangen (€ 379,10), ID-kaart (€ 70,38), afschrift van bankpas (€ 40,00) en contant geld ( € 45,00). Dit zijn immers kosten voor de weggenomen gelden en goederen, en kosten die direct daarmee verband houden. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze schadeposten zullen daarom worden toegewezen. Immateriële schade Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade indien sprake is van lichamelijk letsel en van een aantasting in zijn persoon op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de aantasting van haar persoon ‘op andere wijze’ met concrete gegevens heeft onderbouwd en dat de aard en de ernst van de normschending bovendien meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ook kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de immateriële schade met de huidige onderbouwing een bedrag van € 750,00 passend is. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Wettelijke rente De rechtbank zal de schade toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2023, de datum waarop de schade is ontstaan. [benadeelde 1] Materiële schade De rechtbank zal de vordering voor zover deze betrekking heeft op de materiële schadepost EMDR behandeling (€ 386,00) toewijzen. De schade is voldoende door de benadeelde partij onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank bovendien niet onrechtmatig of ongegrond voor. Wat betreft de gevorderde schade (€ 30,00) aan het verlies van make-up is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij wordt daarom ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de vordering betrekking heeft op de schadepost Apple Airpods (€ 246,95) vindt de rechtbank een bedrag van € 150,00 in redelijkheid toewijsbaar. Uit het dossier volgt dat de case van de Airpods in de weggenomen tas zat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de Airpods niet voldoende bruikbaar zonder case. Zonder de case kunnen de Airpods immers niet worden opgeladen. Uit de onderbouwing blijkt niet wanneer de Apple Airpods zijn aangeschaft. Nu gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting voor het strafproces opleveren. De benadeelde partij wordt daarom voor het overige in de vordering tot materiële schade niet-ontvankelijk verklaard. Immateriële schade De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de aantasting van haar persoon ‘op andere wijze’ met concrete gegevens heeft onderbouwd en dat de aard en de ernst van de normschending bovendien meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ook kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de immateriële schade met de huidige onderbouwing een bedrag van € 750,00 passend is. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Wettelijke rente De rechtbank zal de schade toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2023, de datum waarop de schade is ontstaan. Familie [slachtoffer] De door de nabestaanden opgevoerde schade betreft geen rechtstreekse schade als bedoeld in het eerste lid van artikel 51f Sv. Zij zijn immers niet zelf het slachtoffer geworden van het bewezenverklaarde feit. Ook is bij alle vorderingen benadeelde partij geen sprake van een onder algemene titel verkregen vordering als bedoeld in het tweede lid. Dit brengt mee dat de vorderingen moeten worden beoordeeld op grond van het in artikel 6:108 BW bepaalde. De schadeposten die op grond van artikel 6:108 BW in aanmerking komen betreffen gederfd levensonderhoud, de kosten van lijkbezorging en affectieschade. Daarnaast zal de rechtbank de door het slachtoffer zelf geleden schade beoordelen. Materiële schade De echtgenote van het slachtoffer, [echtgenote slachtoffer] , heeft € 204.762,50 aan gederfd levensonderhoud gevorderd. De minderjarige kinderen van het slachtoffer, [kind slachtoffer] , [kind slachtoffer] , [kind slachtoffer] en [kind slachtoffer] hebben ieder respectievelijk € 5.367,00, € 7.415,00, € 13.439,00 en € 18.269,00 aan gederfd levensonderhoud gevorderd. Voor de berekeningen van voornoemde bedragen is bureau [naam] ingeschakeld. Dit kosten hiervoor (€ 2.117,50) zijn eveneens ingediend als materiële schadepost. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verzoeken tot schadevergoeding van gederfd levensonderhoud niet zo eenvoudig van aard dat deze in het onderhavige geding ten volle beoordeeld kunnen worden. Behandeling van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De kosten voor de berekeningen van het gederfd levensonderhoud hangen zodanig samen dat de benadeelden ook voor dit deel van hun vordering niet-ontvankelijk zijn. Dit deel van de vordering kunnen zij aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De materiële schadepost van de moeder, [echtgenote slachtoffer] , voor de uitvaartkosten ( €3.000,00) is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De materiële schadepost van de vader van het slachtoffer, [vader slachtoffer] , van reiskosten (€ 276,81) is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Immateriële schade De echtgenote van het slachtoffer, [echtgenote slachtoffer] , heeft via vererving € 25.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd. De rechtbank stelt voorop dat een benadeelde op grond van artikel 6:106 BW recht heeft op schadevergoeding indien er immateriële schade is ontstaan ten gevolge van het strafbare feit. Het recht op vergoeding van immateriële schade is een hoogstpersoonlijk recht. Dit recht kan in beginsel overgaan op de erfgenamen van de gerechtigde middels overgang onder algemene titel, op voorwaarde dat degene die het recht toekomt ex artikel 6:95 lid 2 BW aan de wederpartij heeft medegedeeld aanspraak te willen maken op vergoeding daarvan, het zogenoemde ‘mededelingsvereiste’. De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) onaanvaardbaar zou zijn het mededelingsvereiste strikt te volgen, nu het slachtoffer zich in kritieke toestand bevond als gevolg van het toegebrachte letsel en waaraan hij uiteindelijk ook is overleden. De rechtbank is om die reden van oordeel dat de vordering van [echtgenote slachtoffer] voor immateriële schadevergoeding voor vererving vatbaar is. De rechtbank stelt vast dat het lichamelijk letsel van [slachtoffer] , als benadeelde, als gevolg van het bewezenverklaarde voldoende met concrete gegevens is onderbouwd. Benadeelde heeft als gevolg van het letsel door het toegepaste geweld zes dagen in het ziekenhuis gelegen waarna hij is komen te overlijden. De rechtbank is, gelet op de vergelijkbare zaken, van oordeel dat de gevorderde immateriële schade van € 25.000,00 passend en toewijsbaar is. Affectieschade De vader van het slachtoffer, [vader slachtoffer] , heeft € 17.500,00 aan affectieschade gevorderd. De echtgenote van het slachtoffer, [echtgenote slachtoffer] , heeft € 20.000,00 aan affectieschade gevorderd. De minderjarige kinderen van het slachtoffer, [kind slachtoffer] , [kind slachtoffer] , [kind slachtoffer] en [kind slachtoffer] hebben ieder € 20.000,00 aan affectieschade gevorderd. Sinds 1 januari 2019 is het voor een beperkte groep naasten en nabestaanden mogelijk om aanspraak te maken op vergoeding van affectieschade (artikelen 6:107, 6:107a en 6:108 BW). Affectieschade betreft een vergoeding voor het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon (de primair gekwetste) met wie men een affectieve band heeft, ernstig en blijvend gewond raakt of overlijdt. Dit betreft een afgeleide vorm van schadevergoeding en vormt dus een uitzondering op het uitgangspunt dat alleen de gekwetste zelf aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade indien een ander daarvoor aansprakelijk is. Vaststaat dat de hiervoor genoemde benadeelde partijen als nabestaanden (ouder van het slachtoffer, echtgenote van het slachtoffer en minderjarige kinderen van het slachtoffer) schade hebben geleden en aanspraak kunnen maken op affectieschade, conform de forfaitair vastgestelde bedragen van het Besluit vergoeding affectieschade. De gevorderde schadevergoeding voor affectieschade zal daarom worden toegewezen. Wettelijke rente De rechtbank zal de schade toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2023, de datum waarop de schade is ontstaan. [benadeelde 3] Materiële schade De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de bij de poging tot straatroof tegen de fiets van de benadeelde is getrapt. De gevorderde materiële schade van € 45,00, ter reparatie van de fiets, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook toewijsbaar. Immateriële schade De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de aantasting van haar persoon ‘op andere wijze’ met concrete gegevens heeft onderbouwd en dat de aard en de ernst van de normschending bovendien meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ook kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade van € 660,00 passend en toewijsbaar is. Wettelijke rente De rechtbank zal de schade toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2023, de datum waarop de schade is ontstaan. [benadeelde 5] Materiële schade De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de benadeelde partij een dag in het ziekenhuis heeft gelegen. De gevorderde schadepost ziekenhuisdaggeldvergoeding van € 35,00 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook toewijsbaar. Wat betreft de gevorderde van de verloren goederen (€ 500,00) is de rechtbank van oordeel dat de vordering geen deugdelijke onderbouwing bevat. Uit de onderbouwing blijkt niet van verband met het strafbaar handelen van [verdachte] en de schade. Nu gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing zou een onevenredige belasting voor het strafproces opleveren. De benadeelde partij wordt daarom voor dit deel van de vordering tot materiële schade niet-ontvankelijk verklaard. Immateriële schade De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij zijn lichamelijk letsel en de aantasting van zijn persoon ‘op andere wijze’ als gevolg van het bewezenverklaarde met concrete gegevens heeft onderbouwd en dat de aard en de ernst van de normschending bovendien meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ook kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde im