RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/5787 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2024 in de zaak tussen de besloten vennootschap Pancakes aan 't IJ B.V., uit Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Roelofsen). Inleiding
- Eiseres heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college. Met een besluit van 4 oktober 2022 heeft het college het verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
- Met een besluit van 14 augustus 2023 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 augustus
- De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] en de gemachtigde van het college.
- Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht binnen zes weken later uitspraak te doen. Totstandkoming van het besluit
- Eiseres exploiteert een horecabedrijf op de locatie [adres] , op [locatie] aan ’t IJ achter [plaats] . Het verzoek om nadeelcompensatie heeft eiseres ingediend wegens omzetverlies als gevolg van werkzaamheden voor de aanleg van de [boulevard] en de bouw van een ondergrondse fietsenstalling voor 4.000 fietsen.
- Het college heeft het verzoek om nadeelcompensatie voorgelegd aan de Stedelijke Adviescommissie Algemene Nadeelcompensatie Amsterdam (de Adviescommissie). De Adviescommissie heeft op 15 september 2022 geadviseerd het verzoek af te wijzen.
- Het college heeft het advies van de Adviescommissie overgenomen en de aanvraag om nadeelcompensatie van eiseres afgewezen op vier gronden: primair omdat de schade voorzienbaar was, subsidiair omdat eiseres niet heeft aangetoond dat de geleden schade het normaal ondernemersrisico overstijgt, meer subsidiair omdat de gestelde schade niet volledig is toe te rekenen aan de werkzaamheden, maar ook aan een eigen ondernemersbeslissing en ten slotte omdat een deel van de gestelde omzetschade, namelijk de omzetschade die eiseres in maart 2021 heeft geleden, al is vergoed door de aannemer. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek om nadeelcompensatie op goede gronden heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voorzienbaarheid van de schade
- Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Verordening Nadeelcompensatie van de gemeente Amsterdam (de Verordening) wijst het bestuursorgaan een aanvraag om vergoeding van de schade geheel of gedeeltelijk af als de benadeelde van het risico van het ontstaan van de schade op de hoogte was of had kunnen zijn.
- Volgens vaste rechtspraak moet de voorzienbaarheid van een schadeveroorzakende overheidsmaatregel beoordeeld worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing voor een redelijk denkend en handelend ondernemer aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij moet rekening worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Dit betekent dat voor het aannemen van voorzienbaarheid niet vereist is dat, op het tijdstip van investering, verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het tijdstip van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.
- Het college stelt zich op het standpunt dat de schade voorzienbaar was voor eiseres omdat het ontwerpbestemmingsplan op 14 maart 2018 ter inzage is gelegd en eiseres het pand op de locatie [adres] ( [locatie] ) sinds 1 april 2018 huurt.
- Eiseres voert aan dat schade niet voorzienbaar was voor haar. Toen het ontwerpbestemmingsplan op 14 maart 2018 ter inzage werd gelegd, had zij al een principeovereenkomst voor de huur van de locatie en kon zij niet meer terug. In februari 2018 had zij al een mondeling akkoord met de verhuurder. Bovendien was zij druk met de opstart van de onderneming zodat het op dat moment niet realistisch was om ook de publicaties van de gemeente in de gaten te houden. Verder voert eiseres aan dat het voor haar in maart 2018 nog niet duidelijk dat er een ondergrondse fietsenstalling zou komen en voor zover dat wel bekend was, dat haar niet bekend was welke impact de werkzaamheden zouden hebben.
- De rechtbank overweegt het volgende. De huurovereenkomst voor het pand op de locatie [adres] ( [locatie] ) is ingegaan op 1 april
- Het ontwerpbestemmingsplan is op 14 maart 2018 ter inzage gelegd en voorziet in de realisering van een ondergrondse fietsenstalling met een capaciteit van ten minste 4.000 plaatsen aan de IJ-zijde van [plaats] (noordzijde [adres] ) met een daarboven gelegen verblijfsgebied. Dit betekent dat eiseres er ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst op 1 april 2018 (de investeringsbeslissing) rekening mee had moeten houden dat de situatie in de naaste omgeving door werkzaamheden in ongunstige zin zou veranderen. Haar betoog dat zij al vóór de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een principeovereenkomst voor de huur van het pand heeft gesloten en dat dit tot gevolg had dat zij er niet meer onderuit kon, heeft zij niet nader onderbouwd en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres de publicaties van de gemeente niet in de gaten heeft gehouden in verband met de drukke opstart van haar onderneming, is weliswaar begrijpelijk, maar komt niettemin voor haar risico. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van concrete beleidsvoornemens van de gemeente voor de naaste omgeving waardoor de situatie in ongunstige zin zou kunnen veranderen.
- De rechtbank is verder van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat eiseres de aard, ernst, omvang en duur van de hinder niet in volle omvang heeft kunnen voorzien. Het college wijst er terecht op dat het om een grootschalig project ging met een grote herinrichting van de omgeving. Volgens het college blijkt verder uit informatie van de aannemer dat de uitvoering van de werkzaamheden naar de aard, ernst, omvang en duur van de hinder ook niet extreem of abnormaal was. Eiseres heeft dit niet bestreden.
- Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de schade voorzienbaar was. De overige afwijzingsgronden
- De overige afwijzingsgronden hoeven niet meer te worden besproken. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2021:2121.