RECHTBANK AMSTERDAM Beslissing van 1 juli 2024 op het op 17 april 2024 gedane en onder zaaknummer C/13/749508 HA/RK 24/126 ingeschreven verzoek van: [verzoeker] , verzoeker, advocaat mr. E.K.E. van Herk, welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.H.J. Evers, rechter in de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter. 1 1. De procedure De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken: het verzoekschrift van 17 april 2024; de op 21 juni 2024 van verzoeker ontvangen producties; de schriftelijke reactie van de rechter. Het verzoek is behandeld ter zitting van 1 juli 2024. Verschenen zijn verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde en de rechter, vergezeld door zijn teamvoorzitter. Namens de wederpartij van verzoeker is mr. J. Dongelmans verschenen. Bij de mondelinge behandeling heeft de rechter een schriftelijke reactie overgelegd. Na de mondelinge behandeling is op 1 juli 2024 uitspraak gedaan. De griffier van de Wrakingskamer heeft deze uitspraak op 2 juli 2024 in de ochtend aan partijen telefonisch meegedeeld. Deze beslissing vormt de schriftelijke uitwerking van de uitspraak. 2De feiten Bij de rechter is een procedure aanhangig met zaaknummer C/13/712518/ HA ZA 22/50. Verzoeker is gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie. Bij vonnis van 14 juni 2023 heeft de rechter de vordering in reconventie afgewezen en heeft hij in conventie de zaak naar de rol van 12 juli 2023 verwezen voor akte aan de zijde van de wederpartij van verzoeker en vervolgens naar de rol van 9 augustus 2023 voor akte aan de zijde van verzoeker. Ook heeft de rechter bepaald dat nader uitstel niet zal worden verleend. De rechter heeft verder in rechtsoverweging 28 overwogen: “Dit vonnis is in conventie een tussenvonnis en geen eindvonnis. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Partijen hebben standpunten ingenomen ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de te nemen beslissingen. In conventie is dat niet relevant, nu er geen eindbeslissing wordt genomen die door één van partijen kan worden uitgevoerd.” In rechtsoverweging 31 is overwogen: “Nadat het deskundigenbericht zal zijn uitgebracht zal opnieuw een mondelinge behandeling worden gelast. Partijen kunnen alsdan reageren op het deskundigenbericht”. Bij brief van 10 augustus 2023 heeft verzoeker de rechter verzocht verlof te verlenen tussentijds appel in te stellen. Op 19 september 2023 heeft de rechter dat verzoek afgewezen. Bij vonnis van 11 oktober 2023 heeft de rechter een deskundige benoemd. In rechtsoverweging 3.12 is overwogen: “bepaalt dat partijen binnen twee weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren”. 3Het verzoek en de gronden daarvan Het verzoek om tussentijds hoger beroep te mogen instellen is, hoewel dat verzoek in de conclusie van antwoord expliciet was gedaan en op dat verzoek bij het vonnis van 14 juni 2023 niet was beslist, ongemotiveerd afgewezen. Nadat de deskundige had aangegeven de termijn voor inlevering van zijn rapport over het hoofd te hebben gezien, is aan hem een nieuwe termijn gegeven en is de termijn voor de reactie daarop door partijen aanvankelijk verkort. Nadat daartegen bezwaar was gemaakt omdat verzoeker in het buitenland verbleef en hij niet eerder kon reageren, heeft de rechter gevraagd naar de aard van het verblijf in het buitenland en de onderbouwing van de reis. Dit is door verzoeker opgevat als blijk van uitzonderlijke argwaan en wantrouwen. Blijkens het rolbericht van 17 april 2024 is het verzoek om zich eerst schriftelijk te mogen uitlaten over het deskundigenrapport, alvorens een zitting zou worden gepland, eveneens zonder enige motivering afgewezen en is de zaak verwezen naar een zitting op 15 juli 2024. Door deze gang van zaken is door de rechter op zijn minst de schijn van partijdigheid gewekt waardoor het belang van verzoeker aanmerkelijk wordt geschaad. Bij de rechter is sprake van vooringenomenheid. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is verder aangevoerd dat verzoeker zich achtergesteld voelt en de rechter vooruitloopt op de einduitspraak. Het gaat om de cumulatie van de beslissingen die voortdurend in het nadeel van verzoeker uitvallen. Partijen mochten alleen op het rapport reageren en niet op elkaars standpunt. Het nemen van een akte lijkt dan praktischer. Het door de Hoge Raad bij het arrest uit 2018 (zie rov 6.3,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.