RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-177410-24 Datum uitspraak: 7 augustus 2024 UITSPRAAK op de vordering van 31 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 mei 2024 door the Regional Court in Zamość, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 juli 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Zamość van 27 juli 2020 met referentienummer II K 245/19 en een arrest in hoger beroep van the Regional Court in Zamość van 27 november 2020, met referentienummer II Ka 413/20. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt de rechtbank de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de zitting in hoger beroep waarbij definitief de straf is opgelegd en er doen zich geen van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW voor. Ook is er anderszins geen reden af te zien van weigering op grond van artikel 12 OLW. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een proces-verbaal van de aanhouding van de opgeëiste persoon van 1 april 2017 overgelegd in de Poolse taal en daarnaast een vertaling van dit proces-verbaal in de Engelse taal. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. Van deze weigeringsgrond kan echter worden afgezien, nu geen sprake is van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen die zich ook uitstrekte tot aan het hoger beroep. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank leidt uit het dossier af dat in dit geval de procedure die heeft geleid tot het arrest van the Regional Court in Zamość van 27 november 2020 met referentienummer II Ka 413/20 getoetst moet worden aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 26 juni 2024 volgt dat de opgeëiste persoon op 2 april 2017 gedurende de prepatory proceedings, toen hij als verdachte werd gehoord, een adres heeft opgegeven en is gewezen op zijn rechten en verplichtingen gedurende het hele strafproces, inclusief de procedure in hoger beroep. Hij is gewezen op onder meer de verplichting om iedere adreswijziging door te geven ook wanneer hij Polen zou verlaten en op de gevolgen indien hij dit niet zou doen. De opgeëiste persoon is onder meer verteld dat wanneer hij niet op de zitting aanwezig zou zijn, dit het strafproces niet zou beëindigen. Deze adresinstructie heeft hij ondertekend. De inhoud van het door de raadsman op de zitting overgelegde proces-verbaal van aanhouding van 1 april 2017 weerspreekt het EAB en de aanvullende informatie niet. Het is immers goed mogelijk dat hij een dag later, op 2 april 2017, op zijn rechten is gewezen en daarbij ook een adresinstructie heeft ontvangen zoals het EAB stelt. De enkele betwisting van de opgeëiste persoon dat hij op 2 april 2017 die adresinstructie heeft ontvangen, door het overleggen van een proces-verbaal van aanhouding van 1 april 2017 waaruit niet blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, is verder geen aanleiding voor de rechtbank om aan de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit te twijfelen. Op 24 november 2017 heeft de opgeëiste persoon een ander, nieuw adres opgegeven voor de correspondentie. De oproeping voor de zitting in hoger beroep is naar dit door de opgeëiste persoon als laatste adres doorgegeven adres gestuurd. De oproepingen werden uiteindelijk teruggestuurd, omdat deze niet werden opgehaald door de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft geen (verdere) wijziging in zijn Poolse adres doorgegeven. Sinds 2018 woont hij – naar eigen zeggen – in Nederland en hebben oproepen hem niet (meer) bereikt. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt tevens dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg én in hoger beroep een ex offficio advocaat had. De ex officio advocaat Robert Rychter was op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep aanwezig en heeft hem toen vertegenwoordigd. De opgeëiste persoon heeft tijdens zijn verhoor bij de officier van justitie van 31 mei 2024 verklaard dat hij een adres moest doorgeven en dat hij dat heeft gedaan. Ook zou hij op enig moment een Nederlands adres hebben doorgegeven, maar de latere wijziging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.