RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/746447 / HA ZA 24-141 Vonnis van 14 augustus 2024 in de zaak van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, 1. [eiser 1] B.V., 2. [eiser 2] B.V., beide gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partijen (hierna: [eiser 1] en [eiser 2], samen: [eisers]), advocaat: mr. M.H. Van Hooft, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,2. [gedaagde 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partijen (hierna: [gedaagde 1] en [gedaagde 2], samen: [gedaagden]), advocaat: mr. L.E. van Leeuwen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 26 januari 2024 met producties 1 tot en met 40, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 40, - het tussenvonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 12 juli 2024 en de daarin vermelde stukken, - de brief van mr. Van Hooft van 31 juli 2024 in reactie op het proces-verbaal, - het op 31 juli 2024 ingediende verzoek om vonnis van [eisers] en verzoek om aktewisseling van [gedaagden] en het daaropvolgende bezwaar tegen aktewisseling van [eisers] 1.2. Ter zitting heeft de rechtbank beslist dat [gedaagden] gelegenheid zal krijgen bij akte te reageren op de nader ingediende akte met producties van [eisers] , indien deze producties relevant blijken te zijn voor de beslissing. Dit laatste is niet het geval, zodat het verzoek om aktewisseling van [gedaagden] wordt verworpen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [naam 1] (hierna: [naam 1]) heeft via holdingmaatschappij [eiser 1] op 29 januari 2007 [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) opgericht, een bedrijf in software en ICT-oplossingen voor online presentaties en webinars. [eiser 1] was sindsdien bestuurder van [bedrijf 1] . 2.2. [gedaagde 1] was sinds 19 augustus 2013 bij [bedrijf 1] in dienst als algemeen manager. 2.3. In de jaren daarna is [bedrijf 1] uitgegroeid tot een groep vennootschappen waarbij [naam 1] en [gedaagde 1] hun rollen groepsbreed uitoefenden, met voor zover relevant: [eiser 2] , [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]), [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]). 2.4. Op 30 december 2016 verkocht en leverde [eiser 1] aan [gedaagde 2] 15% van de certificaten in [bedrijf 1] voor € 200.000. Dit bedrag werd volledig geacht te zijn betaald door [gedaagde 2] door het te lenen van [eiser 1] tegen een rente van bij aanvang 0,325% per jaar (hierna: de lening). Sindsdien is de aandelen- en certificatenverhouding – sterk vereenvoudigd – als volgt weer te geven, waarbij [eiser 1] als “holding eiser” en [gedaagde 2] als “holding gedaagde” wordt aangeduid: Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd. 2.5. [naam 2] (hierna: [naam 2]) was huisaccountant van zowel de [bedrijf 1] -groep, als [eiser 1] en [gedaagde 2] . Voor de administratie werd software genaamd “Yuki” gebruikt. 2.6. [naam 1] en [gedaagde 1] lieten beiden weleens (privé)uitgaven verricht met geld van de [bedrijf 1] -groep verwerken in de rekening-courant verhouding van hun holdings met partijen uit de [eiser 2] -groep. De daaruit resulterende schulden in rekening-courant aan het eind van ieder jaar zijn vermeld in vastgestelde, goedgekeurde en gedeponeerde jaarrekeningen van bijvoorbeeld [eiser 1] , [gedaagde 2] en [eiser 2] . 2.7. Op 12 september 2019 heeft [naam 2] per e-mail [naam 1] en [gedaagde 1] geschreven: ‘Voor de goede orde: de jaarrekeningen 2018 van [ [eiser 1] ] en [ [gedaagde 2] ] zijn nog niet afgerond. Ik wacht nog op jullie bevindingen m.b.t. jullie rekening-courant opnames. (…) Om in de toekomst te voorkomen dat het achteraf besproken moet worden hebben we het volgende afgesproken: - Als [ [naam 1] ] geen bon krijgt om wat voor reden dan ook schrijft hij zelf een bon voor Yuki. - [ [naam 1] ] gaat gebruik maken van de Yukiapp, om de bonnetjes te fotograferen. - Er worden meer bankpassen aangevraagd, zodat iedereen altijd vanuit de juiste b.v. kan betalen. - Als een nota niet betaald kan worden omdat een b.v. geen geld heeft, wordt er door een andere b.v. een rond bedrag via de rekening-courant gestort, zodat de juiste b.v. zijn eigen factuur kan betalen. Geen nota’s voor andere b.v.’s betalen! - We zullen regelmatiger de stand van zaken met de rekening-couranten doornemen. (…)’ 2.8. Per 28 december 2020 werd [gedaagde 1] formeel benoemd tot bestuurder van [eiser 1] . Hij werd daarmee tevens middellijk bestuurder van [eiser 2] . [naam 1] verhuisde in deze periode naar Aruba vanwege burn out-klachten. De functie van [gedaagde 1] werd sindsdien aangeduid als CEO en bedrijfsleider van de [bedrijf 1] -groep. [naam 1] behield vanuit Aruba in ieder geval als grootaandeelhouder en ontvanger van een management fee betrokkenheid bij de [bedrijf 1] -groep. 2.9. In de boeken van [gedaagde 2] en [eiser 1] zijn aflossingen op de lening doorgevoerd tot eind 2018. Het restant van de lening bedraagt volgens de jaarrekening 2021 van [eiser 1] nog € 44.837 inclusief renteverplichtingen. 2.10. Op 31 december 2022 heeft [gedaagde 2] een “management fee per jaar” van € 33.275 (inclusief btw) gefactureerd aan [eiser 2] . Deze factuur is niet betaald. 2.11. Op 15 maart 2023 zijn [bedrijf 1] en [bedrijf 2] failliet verklaard en op 12 april 2023 is ook [bedrijf 3] failliet verklaard. 2.12. Op 22 maart 2023 is [gedaagde 1] ontslagen als bestuurder van [eiser 1] en daarmee ook als middellijk bestuurder van [eiser 2] . 2.13. Vanaf november 2023 heeft [naam 1] de boeken van [eiser 2] en [eiser 1] doorgelicht en aan [naam 2] en [gedaagde 1] twijfels geuit over de verantwoording van mutaties. 2.14. Op 12 januari 2024 heeft [eisers] conservatoir (derden)beslag gelegd op de privéwoning van [gedaagde 1] en bankrekeningen van [gedaagden] 2.15. Op 25 april 2024 vond (gedeeltelijk geciteerd) de volgende e-mailconversatie plaats tussen [naam 2] en [naam 1] : [naam 1] om 13:38 uur: ‘(…) heb je nergens iets over die afboeking van die lening? Want 54.300 euro afboeken alleen op zijn blauwe ogen is toch ook best gek? (…)’: [naam 2] om 13:51 uur: ‘(…) [gedaagde 1] claimde dat hij dit bedrag privé aan jou zou hebben betaald. (…)’ [naam 1] om 14:00 uur: ‘(…) Hoe kan die lening zakelijk zijn en dan prive door mij ontvangen zijn? Dat mag toch ook helemaal niet?(…) ’ [naam 2] om 15:33 uur: ‘(…) Hij had jou € 54.300 op je privé rekening betaald, vanuit zijn privé rekening. Hiermee zou een deel van de schuld zijn afgelost. In zijn B.V. wordt dat dan gezien als een privé storting, in [eiser 1] als privé opname. Kan allemaal (…)’ 3Het geschil 3.1. [eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: ten aanzien van [eiser 1] I. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van geldlening van 30 december 2016 en gehouden is tot nakoming daarvan, II. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 145.507,15 met (handels)rente vanaf 31 december 2022 aan [eiser 1] , ten aanzien van [eiser 2] III. voor recht verklaart dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser 2] hebben gehandeld en zij als gevolg daarvan hoofdelijk jegens [eiser 2] gehouden zijn tot vergoeding van alle daardoor geleden schade van [eiser 2] , IV. [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 214.901,56 met (handels)rente vanaf dagvaardingsdatum aan [eiser 2] met bepaling dat al hetgeen [gedaagde 2] aan [eiser 2] betaalt op basis van vordering V op dit bedrag in mindering komt, althans deze vordering naar een schadestaatprocedure te verwijzen, V. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 56.671,92 met (handels)rente vanaf dagvaardingsdatum aan [eiser 2] met bepaling dat al hetgeen [gedaagde 1] aan [eiser 2] betaalt op basis van vordering IV op dit bedrag in mindering komt, althans deze vordering naar een schadestaatprocedure te verwijzen, ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2] VI. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser 2] van de proceskosten, inclusief nakosten en beslagkosten, van [eiser 2] en [eiser 1] , te vermeerderen met (handels)rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis. 3.2. [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met een veroordeling van [eisers] in de daadwerkelijke proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 39.950,57. 4De beoordeling 4.1. Deze zaak kent vorderingen van [eiser 1] enerzijds en [eiser 2] anderzijds. Overkoepelend is het verwijt van [eisers] dat [gedaagden] ongegronde mutaties heeft laten doorvoeren in de boeken van [eiser 1] en [eiser 2] . [eisers] stelt dat dit frauduleus is geweest en dat [gedaagden] aansprakelijk moet worden gehouden voor de schade die bestaat uit de boekhoudkundige correcties die volgens [eisers] moeten worden doorgevoerd. Daarnaast vordert [eiser 1] van [gedaagde 2] terugbetaling van het restant van de lening 4.2. Kern van deze beoordeling is dat om fraude vast te stellen, meer nodig is dan het enkele gegeven dat facturen ontbreken en dat daardoor niet elke mutatie vanaf 2016 vandaag de dag nog is te verifiëren. Bovendien zijn de cijfers in de jaarrekeningen verantwoord en steeds door [naam 1] als grootaandeelhouder goedgekeurd. Voorstelbaar is dat [naam 1] ontevreden is geweest met een rommelige administratie en dat het daaruit voortvloeiende wantrouwen jegens [gedaagden] aanleiding was voor het ontslag van [gedaagde 1] . Een disfunctionerende werknemer of bestuurder is echter iets anders dan een frauderende werknemer of bestuurder. De door [eisers] aangedragen feiten zijn echter, voor zover al bewezen, onvoldoende om fraude te kunnen vaststellen. Daardoor wordt een deel van de vorderingen afgewezen. Daarnaast wordt een deel van de op de overeenkomst van geldlening gebaseerde vordering toegewezen. Hierna wordt dit uitgebreider toegelicht. De vorderingen van [eiser 1] 4.3. [eiser 1] gaat het om terugbetaling van de lening, waarbij haar stellingen uitdrukkelijk zijn gebaseerd op wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW. [eiser 1] stelt dat de in de jaarrekening 2021 van [eiser 1] vermelde restantvordering van € 44.837 moet worden gecorrigeerd naar een bedrag van € 145.507,15 inclusief renteverplichtingen; een correctie van € 100.670,15. Op zitting heeft [naam 1] desgevraagd toegelicht dat hij bepaalde betalingen in twijfel trekt, omdat hij zich deze niet kan herinneren en [gedaagde 1] desgevraagd geen bewijs verstrekt. [naam 1] acht onbegrijpelijk dat [gedaagde 1] als aandeelhouder en bestuurder van de schuldenaar [gedaagde 2] eenzijdig aflossingen kon laten boeken zonder dat [eiser 1] als schuldeiser daarvan in kennis werd gesteld. 4.4. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde 2] is dat het restant van de lening niet meer opeisbaar is, omdat eind 2018 zou zijn afgesproken dat het restant van de lening uitsluitend opeisbaar zou zijn bij verkoop van de [bedrijf 1] -certificaten van [gedaagde 2] . Gevraagd naar de bewijsmogelijkheden van deze afspraak heeft [gedaagde 1] verklaard dat dit een mondelinge afspraak was waar geen andere personen bij aanwezig waren die erover kunnen verklaren. De enkele omstandigheid dat na 2018 niet meer is afgelost is onvoldoende een begin van bewijs om de verklaring van partijgetuige [gedaagde 1] aan te vullen. Daarom wordt [gedaagde 2] niet in dit verweer gevolgd. Het restantbedrag (zoals hierna vastgesteld) is daarmee opeisbaar. 4.5. Ter onderbouwing van het restantbedrag hebben zowel [eiser 1] als [gedaagde 2] een overzicht overgelegd met aflossingen die volgens hen zijn gedaan. Het overzicht van [gedaagde 2] is in overeenstemming met de door [naam 1] geaccordeerde jaarrekening 2021 van [eiser 1] . Het overzicht van [eiser 1] mist bedragen bij de volgende omschrijvingen: datum omschrijving bedrag volgens [gedaagde 1] 31 december 2016 verkoopprijs aandelen deels privé betaald door [ [gedaagde 1] ] aan [naam 1] € 54.300 1 november 2017 2x cash 10.000 € 20.000 1 december 2017 [bedrijf 3] kerst door [ [gedaagde 1] ] betaald € 3.500 1 december 2017 [bedrijf 1] kerst door [ [gedaagde 1] ] betaald € 2.800 1 april 2018 cash aan [naam 1] € 7.250 1 juni 2018 cash aan [naam 1] € 4.200 19 juni 2018 cash aan [naam 1] € 3.000 totale correctie € 95.050 (na vermeerdering met rente: € 100.670,15) 4.6. De rechtbank volgt de correcties van [naam 1] niet en stelt het restantbedrag van de lening vast op € 44.837 conform het door [eiser 1] afgesloten boekjaar 2021. Dat [naam 2] aflossingen heeft geboekt die [gedaagde 1] eenzijdig aan haar doorgaf blijkt uit e-mailverkeer (zie onder 2.15), maar betekent op zichzelf nog niet dat sprake is van fraude. Bovendien heeft [naam 1] de taak en gelegenheid gehad om de jaarrekening van [eiser 1] te controleren voordat hij deze als grootaandeelhouder goedkeurde ter afsluiting van het boekjaar. Ter onderbouwing van de in twijfel getrokken aflossingen vanaf 2016 heeft [naam 1] slechts aangevoerd dat zijn eigen geheugen hem niet verder helpt en [gedaagde 1] geen betaalbewijzen levert. Dat [naam 1] over het tijdsbestek van bijna acht jaar zich nu niet meer iedere betaling kan herinneren hoeft echter niet vreemd te zijn; niemands geheugen is onfeilbaar. Daarom is de blote betwisting door [naam 1] van de door [gedaagde 1] gestelde betaling van € 54.300 van 31 december 2016 onvoldoende om nadere bewijslevering te rechtvaardigen; [naam 1] had zijn bankafschriften van rond die datum kunnen overleggen ter substantiering van zijn betwisting. Verder zien de correcties op contante betalingen. [naam 1] gaf op zitting toe zich ineens wel een contante betaling van € 20.000 te kunnen herinneren, nadat [gedaagde 1] hierover desgevraagd meer context gaf. Tussen partijen staat dan ook voldoende vast dat contante betalingen niet ongebruikelijk waren. De betalingen uit 2017 komen bovendien – naast de boeken en jaarrekeningen – ook terug in e-mailverkeer tussen [naam 1] en [gedaagde 1] van 28 december 2017. [gedaagde 1] heeft er bij deze stand van zaken op mogen rekenen dat hij de contante betalingen (die naar hun aard lastig te bewijzen zijn) niet meer hoefde te bewijzen zodra [naam 1] de verwerking hiervan in de jaarstukken van afgesloten boekjaren had geaccordeerd. Daarom wordt het restantbedrag van € 44.837 niet gecorrigeerd. 4.7. Slechts de openstaande som van € 44.837 is daarmee toewijsbaar. Nu geen sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW zal alleen de wettelijke rente worden toegewezen, bij gebreke van gemotiveerde betwisting vanaf 22 december 2022. De vorderingen van [eiser 1] worden voor het overige afgewezen. De vorderingen van [eiser 2] 4.8. [eiser 2] trekt boekhoudkundige mutaties in twijfel en vordert schadevergoeding van [gedaagden] met een beroep op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) in combinatie met bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 en 2:11 BW) en ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Aan [gedaagden] wordt schematisch gezien het volgende verweten volgens de uitsplitsing in de dagvaarding: verwijt bedrag voor 28-12-2020 bedrag na 28-12-2020
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.