RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-165521-24 Datum uitspraak: 1 augustus 2024 UITSPRAAK op de vordering van 27 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 januari 2022 door the Beius Court, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1988, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juli 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast is de gevangenneming bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een criminal judgment pronounced by the Beius Court van 15 april 2021 (met kenmerk 264/2021), remained final by the Criminal Decision of the Oradea Court of Appeal van 16 december 2021 (met kenmerk 720/AJ/16.12.2021). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De gehele straf dient volgens het EAB nog te worden uitgezeten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen. Deze beslissingen betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 10 juli 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon zelf het hoger beroep zou hebben ingesteld, dat voor alle zittingen in hoger beroep een dagvaarding naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres zou zijn gestuurd, en dat hij voor een aantal zittingen persoonlijk gedagvaard zou zijn, maar dat het de vraag is of op basis hiervan afgezien kan worden van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon ontkent namelijk dat hij zelf het hoger beroep zou hebben ingesteld, dat hij ooit in persoon gedagvaard zou zijn en dat hij dagvaardingen heeft ontvangen op zijn Roemeense adres. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van de in artikel 12, onder a, OLW genoemde omstandigheid aangezien uit de aanvullende informatie van 4 juli 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon zou zijn gedagvaard. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, omdat is gebleken dat de opgeëiste persoon op het door hem opgegeven adres is opgeroepen. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Oradea Court of Appeal van 16 december 2021 zal dan ook getoetst worden aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld en op 14 september 2021 en 26 oktober 2021 in persoon is opgeroepen voor de zittingen in hoger beroep. Daarnaast zijn oproepen voor de zittingen in hoger beroep gestuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg heeft opgegeven, waarbij hem is meegedeeld dat hij een adreswijziging binnen drie dagen moet doorgeven en wat de gevolgen zijn als hij dat niet zou doen. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij het hoger beroep niet zelf zou hebben ingesteld en geen oproepen zou hebben ontvangen, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden, zoals die blijken uit de genoemde aanvullende informatie dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het proces in hoger beroep en is, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. 4Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd 5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. Op 25 juni 2024 heeft de rechtbank de volgende garantie ontvangen, verstrekt door the Ministry of Justice, National Administration of Penitentiaries: “Considering your correspondence presented in case no. 2994/187/2018 on 19.06.2024, regarding the request from the Dutch authorities concerning the detention conditions that Mr. [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] 1988), residing in [woonplaats opgeëiste persoon] , sentenced to 3 years and 6 months imprisonment) would benefit from, if transferred to Romania, we hereby communicate the following:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.