RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10923122 \ CV EXPL 24-1429 Vonnis van 30 augustus 2024 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , procederend in persoon, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. W.F. Wienen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 januari 2024, met producties, - de conclusie van antwoord van 26 april 2024, met productie, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 juni 2024, - de rolmededeling van de kantonrechter van 5 juli 2024; - de rolmededeling van de kantonrechter van 19 juli 2024 waarbij is bepaald dat – gelijktijdig met de zaak die tussen partijen onder zaaknummer 11134542 CV EXPL 24-6090 aanhangig is – een nieuwe mondelinge behandeling wordt gehouden, - het proces verbaal van de mondelinge behandeling in beide zaken van 22 augustus
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiser] en [gedaagde] waren vrienden van elkaar. [eiser] heeft in 2022 en 2023 in totaal € 20.500 aan [gedaagde] geleend. [eiser] heeft daartoe eerst op 31 maart 2022 € 17.500 aan [gedaagde] overgemaakt. Daarna heeft [eiser] op 11 januari 2023 de overige € 3.000 overgemaakt. 2.
- [gedaagde] heeft op 8 maart 2023 € 1.000 aan [eiser] betaald. 2.
- [eiser] heeft [gedaagde] op 15 maart, 22 juni en 23 juni 2023 tevergeefs gevraagd het geleende bedrag van € 20.500 aan hem terug te betalen. [eiser] heeft [gedaagde] op 10 oktober 2023 een aanmaning gestuurd waarin staat dat incassokosten en wettelijke rente in rekening worden gebracht als [gedaagde] de lening niet binnen veertien dagen terugbetaalt. [gedaagde] heeft geweigerd tot terugbetaling over te gaan. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen € 20.500 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2023, buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van deze procedure. [eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. [eiser] heeft [gedaagde] vanaf 15 maart 2023 herhaaldelijk verzocht het geleende bedrag terug te betalen. Uit artikel 7:129e BW volgt dat [gedaagde] verplicht is het geleende bedrag binnen zes weken na opeising terug te betalen, tenzij een ander tijdstip voor terugbetaling is overeengekomen. Partijen zijn geen ander tijdstip voor terugbetaling overeengekomen, aangezien [gedaagde] heeft gezegd dat hij het geleende bedrag binnen enkele maanden zou terugbetalen. 3.
- [gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] is de lening nog niet opeisbaar. [eiser] en [gedaagde] hebben namelijk afgesproken dat de lening pas terugbetaald hoeft te worden na de beursgang van een Zwitserse start-up waar [gedaagde] certificaten van aandelen van houdt. [eiser] zou dan een bonus van 30% krijgen. Bovendien heeft [gedaagde] op 8 maart 2023 al € 1.000 van de lening afgelost, waardoor er nog maar € 19.500 terugbetaald hoeft te worden. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Ter beoordeling staat of [eiser] op dit moment aanspraak kan maken op terugbetaling van de lening. Vooropgesteld wordt dat [eiser] en [gedaagde] hun afspraken niet op papier hebben gezet en van mening verschillen over wanneer de lening moet worden terugbetaald. Daarbij strekt tot uitgangspunt dat uit artikel 7:129e BW volgt dat de lener ( [gedaagde] ) verplicht is het geleende bedrag binnen zes weken terug te betalen nadat de uitlener ( [eiser] ) heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor terugbetaling is overeengekomen. 4.
- [gedaagde] heeft zijn standpunt dat de lening pas na de beursgang van de Zwitserse start-up terugbetaald hoeft te worden onvoldoende onderbouwd. Het uitstaande bedrag van de lening moet daarom aan [eiser] worden terugbetaald. Hiervoor is het volgende van belang. 4.
- [eiser] heeft op de mondelinge behandeling van 22 augustus 2024 gemotiveerd betwist dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat de lening pas na de beursgang van de Zwitserse start-up terugbetaald hoeft te worden. Volgens [eiser] heeft hij met [gedaagde] afgesproken dat de lening binnen enkele maanden terugbetaald zou worden. Volgens [eiser] zijn er geen andere voorwaarden dan ‘snelle terugbetaling’ en ‘terugbetaling binnen twee tot drie maanden’ overeengekomen. Een voorwaarde zoals [gedaagde] stelt zou hij ook nooit hebben geaccepteerd, omdat die neerkomt op een wissel op de eeuwigheid, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft vervolgens zijn stelling dat hij pas na de beursgang terug hoeft te betalen niet meer nader toegelicht of onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om duidelijk te maken waar deze afspraak uit blijkt. Er wordt daarom niet toegekomen aan bewijslevering door [gedaagde] . Bovendien heeft [gedaagde] zijn bewijsaanbod na de gemotiveerde betwisting van [eiser] niet herhaald. 4.
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat [gedaagde] € 1.000 van de lening heeft afgelost. Dit betekent dat [gedaagde] nog € 19.500 aan [eiser] moet terugbetalen. Wettelijke rente 4.
- [eiser] vordert de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2023 omdat [gedaagde] vanaf deze datum in verzuim is. Aangezien dit niet door [gedaagde] is betwist wordt de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2023 toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 4.
- De vordering van [eiser] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat [eiser] geen omschrijving heeft gegeven van de voor zijn rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. [eiser] heeft namelijk alleen aanmaningen overgelegd die door hem zelf zijn opgesteld en verstuurd. Proceskosten 4.
- [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] in deze procedure betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,82 - griffierecht € 706,00 - reis-, verblijf- en verletkosten € 50,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.028,82 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.500, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 25 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.028,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door N. Versteeg en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2024 (bij vervroeging).