← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:5346

RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken Zaaknummers / rekestnummers: C/13/736043 / FA RK 23-4362 (echtscheiding) C/13/745314 / FA RK 24-396 (verdeling) Beschikking van 23 augustus 2024 betreffende de echtscheiding in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. N. Bevelander, gevestigd te Amsterdam, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. G.P. Dayala, gevestigd te Amsterdam. 1De procedure 1.

  1. Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juni 2023 met zaaknummer / rekestnummer C/13/733087 / FA RK 23-2822 is in het kader van de voorlopige voorzieningen het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend. Daarnaast is de na te noemen minderjarige [minderjarige] met onmiddellijke ingang aan de vrouw toevertrouwd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen. 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 6 juli 2023; het verweerschrift van de man; een aanvullend verzoekschrift van de vrouw; het verweerschrift van de man op het aanvullende verzoek van de vrouw; een F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 25 augustus 2023; een F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen op 12 oktober 2023; een F9-formulier van de vrouw, ingekomen op 21 november 2023; een mailbericht van de man van 1 april 2024; een mailbericht van de vrouw van 2 april 2024; een F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen op 4 juli 2024; een F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 12 juli
  3. 1.
  4. Bij de stukken bevindt zich het ouderschapsplan. 1.
  5. De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli
  6. Bij die gelegenheid zijn verschenen: - partijen, bijgestaan door tolken, en hun advocaten. 2De feiten 2.
  7. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 26 mei 1994 te Saida, Libanon. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.
  8. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] . 3De beoordeling Echtscheiding 3.
  9. De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man verenigt zich met dit verzoek. 3.
  10. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding van de vrouw op 6 juli 2023 de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, alsmede beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over burgerlijke zaken betreffende echtscheiding op grond van artikel 3 van de verordening Brussel II-ter (Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019). 3.
  11. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. 3.
  12. Door de vrouw is een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan overgelegd. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding. 3.
  13. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Hoofdverblijf, zorgregeling en ouderschapsplan 3.
  14. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben en als zorg- en contactregeling te bepalen dat [minderjarige] in onderling overleg contact zal hebben met de man. 3.
  15. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is ten tijde van het aanhangig maken van onderhavige zaak, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid (zie artikel 7 verordening Brussel II-ter en artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). 3.
  16. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend. Hierin is onder meer bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben. Partijen zijn in het ouderschapsplan als zorg-/contactregeling overeengekomen dat de contactmomenten tussen [minderjarige] en haar vader – gelet op de leeftijd van het kind – in onderling overleg zullen worden bepaald. De man verzoekt het door de vrouw overgelegde en door beide partijen ondertekende ouderschapsplan aan te hechten aan deze beschikking en te bepalen dat het daarvan deel uitmaakt. De vrouw is akkoord met dit verzoek van de man. 3.
  17. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van partijen bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. Aangezien partijen in dit ouderschapsplan overeenstemming hebben bereikt over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en over de zorgregeling, heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek om door de rechter de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling te laten vaststellen. Het verzoek van de vrouw wordt in zoverre dan ook afgewezen. Huurrecht woning 3.
  18. De vrouw heeft het huurrecht van de woning verzocht. De man heeft zich daartegen niet verweerd. 3.
  19. De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in verbinding met artikel 827 lid 1 onder e Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek van de vrouw over de bepaling van het huurrecht van deze woning als bedoeld in artikel 7:266 lid 5 BW. 3.
  20. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen. 3.
  21. De rechtbank zal het huurrecht van de woning aan de vrouw toekennen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Verdeling huwelijksvermogen Rechtsmacht 3.
  22. Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 5 lid 1 van de Huwelijksvermogensrechtverordening (Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016)). Toepasselijk recht 3.
  23. Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van 14 maart 1978, (Trb. 1988, 130) is naar Nederlands Internationaal Privaatrecht van toepassing op huwelijken gesloten op of na 1 september 1992 maar voor 29 januari
  24. Partijen zijn getrouwd op 26 mei
  25. Het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen moet daarom aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 worden bepaald. Dit leidt tot het volgende. 3.
  26. Het is de rechtbank niet gebleken dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Vervolgens rijst de vraag of de echtgenoten een gemeenschappelijke nationaliteit hebben in de zin van artikel 15 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag
  27. 3.
  28. In onderhavige zaak staat, gelet op de stukken en het besprokene ter zitting, het volgende vast. Partijen zijn op 26 mei 1994 in Libanon met elkaar gehuwd. Ten tijde van de huwelijkssluiting had de man de Nederlandse nationaliteit en woonde hij in Nederland. Ter zitting is namens de vrouw verklaard dat zij ten tijde van de huwelijkssluiting een reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen in Libanon had en dat zij op 18 november 1999 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. 3.
  29. De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de vrouw pas meer dan vijf jaar na de huwelijkssluiting de Nederlandse nationaliteit heeft verworven, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een gemeenschappelijk nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting of kort daarna. 3.
  30. Indien partijen vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen en zij ook geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben, wordt hun huwelijksvermogensregime – indien aanwezig – beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen (artikel 4 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). De rechtbank zal nu dus de vraag moeten beantwoorden of in deze zaak sprake is van een gemeenschappelijke eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in de zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag
  31. De ‘eerste gewone verblijfplaats’ betreft een conflictrechtelijk en feitelijk begrip (zie ook Asser/Vonken & Ibili 10-II 2021/336). Het eerste huwelijksdomicilie zal, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, in beginsel binnen zes maanden na huwelijkssluiting moeten zijn gevestigd, anders kan niet worden gesproken van een dergelijke domicilie (zie ook Asser/Vonken & Ibili 10-II 2021/337 en F. Ibili (red.), Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P, nr. PFR3) 2022/hoofdstuk 5, paragraaf 3.5.5). 3.
  32. Wat betreft de gewone verblijfplaats van partijen na het huwelijk staat het volgende vast. De vrouw is ongeveer een jaar na het huwelijk naar de man in Nederland gekomen en staat blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) in Nederland ingeschreven per 9 mei
  33. 3.
  34. De rechtbank overweegt als volgt. Toen de vrouw op 9 mei 1995 in Nederland is komen wonen, was de zesmaandentermijn geruime tijd verstreken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op basis van de feiten niet kan worden aangenomen dat partijen kort na de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gehad, dan wel dat er sprake is van een zodanige bijzondere reden dat van voornoemde termijn moet worden afgeweken. 3.
  35. Aangezien de rechtbank tot het oordeel komt dat partijen geen gemeenschappelijke eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hadden en zij evenmin een gemeenschappelijke nationaliteit hebben, geldt als het op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht het recht van het land waarmee het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten het nauwst is verbonden (artikel 4 lid 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). 3.
  36. De rechtbank is van oordeel – net als partijen – dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is met Nederland, zodat het Nederlands recht daarop van toepassing is. Hierbij acht de rechtbank doorslaggevend dat partijen het allergrootste deel van hun huwelijksleven samen in Nederland hebben gewoond (de vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij een jaar na de huwelijkssluiting naar Nederland was gekomen op het moment dat de man de administratie daarvoor had geregeld) en het hierna vermelde te verdelen huwelijksvermogen van partijen zich in Nederland bevindt. 3.
  37. Aangezien naar het oordeel van de rechtbank het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlands recht, partijen op 26 mei 1994 zijn gehuwd en partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld, geldt dat partijen gehuwd waren in de toenmalige algehele wettelijke gemeenschap van goederen. Bankrekeningen 3.
  38. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande huwelijksgemeenschap wordt verdeeld in die zin dat alle bank- en spaarsaldi per peildatum bij helfte tussen partijen worden verdeeld. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw aldus dat zij verzoekt dat aan de man worden toegedeeld de op zijn naam staande bankrekeningen onder de verplichting om alle saldi per de peildatum bij helfte te verdelen. De vrouw heeft verder in haar aanvullend verzoekschrift en ter zitting naar voren gebracht dat aan de man meerdere malen gevraagd is om gegevens van de saldi van alle bank- en spaarrekeningen per peildatum maar dat zij tot op heden niets van de man heeft ontvangen. Zij verzoekt de rechtbank om in de beschikking op te nemen dat de man de bankafschriften binnen een bepaalde termijn dient te overleggen. 3.
  39. De man heeft verweer gevoerd en naar voren gebracht dat er niets valt te verdelen tussen partijen en dat het geld besteed is aan bepaalde zaken. Verder heeft de man aangevoerd dat hij zelf geen bankzaken doet, dat hij geen zicht heeft op zijn bankzaken, dat hij voor bankzaken de hulp van zijn kinderen nodig heeft en dat zijn bankrekeningen worden beheerd door zijn kinderen. 3.
  40. De rechtbank overweegt als volgt. Tot de te verdelen algehele gemeenschap van goederen behoren, zoals onbetwist is tussen partijen, in ieder geval de volgende bankrekeningen: - ABN AMRO privérekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 1] ; - ABN AMRO direct sparen rekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 2] ; - ING privérekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 3] . 3.
  41. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de saldi van de bankrekeningen op de peildatum van ontbinding van de gemeenschap van goederen (te weten het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding: 6 juli 2023) bij helfte verdeeld dienen te worden. Dat de bankgelden nadien zijn uitgegeven zoals de man naar voren heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de verdeling van de banksaldi niet relevant. 3.
  42. De rechtbank zal beslissen dat aan de man worden toegedeeld de hiervoor onder 3.27 op zijn naam staande Nederlandse bankrekeningen, onder de verplichting om alle saldi per de peildatum bij helfte tussen partijen te verdelen. 3.
  43. Ter zitting is met partijen besproken dat beide partijen het wenselijk vinden dat er duidelijke instructies komen van hetgeen de man aan de vrouw dient te overleggen ter vaststelling van de banksaldi die vervolgens bij helfte tussen partijen verdeeld dienen te worden. De rechtbank overweegt – gelet op het voorgaande – dan ook dat de man gehouden is binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking de bankafschriften te overleggen van de hiervoor onder 3.27 genoemde drie bankrekeningen waaruit de saldi van de betreffende bankrekeningen volgen op 6 juli
  44. Het kindgebonden budget 2023 en de huurtoeslag 2023 3.
  45. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de aan de man overgemaakte bedragen van het kindgebonden budget 2023 en de huurtoeslag 2023 genoemd in productie 5 bij het aanvullend verzoekschrift aan de vrouw toekomen. 3.
  46. De man heeft naar voren gebracht dat hij de bedragen van de op zijn bankrekening gestorte toeslagen in depot houdt aangezien hij zorgtoeslag over 2022 en huurtoeslag over 2022 moet terugbetalen. De man heeft in de procedure de definitieve berekening van de belastingdienst van de toeslagen 2022 overgelegd waaruit volgt dat er in 2022 te veel voorschot zorgtoeslag en huurtoeslag is ontvangen (productie 1 bij het F9-formulier van de man, ingekomen op 12 juli 2024). Het gaat om een bedrag van € 1.382,- aan zorgtoeslag dat moet worden terugbetaald en om een bedrag van € 3.113,- aan huurtoeslag dat moet worden terugbetaald. De man heeft ter zitting verklaard dat hij deze bedragen ongeveer een maand voor de zitting heeft terugbetaald. De vrouw heeft echter naar voren gebracht dat zij daar geen bewijzen van heeft ontvangen en dat zij uiteraard haar aandeel in gemeenschapsschulden zal betalen als de man laat zien dat hij deze betaald heeft. 3.
  47. De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat in genoemde productie 5 om na de peildatum van ontbinding van de huwelijksgoedergemeenschap door de belastingdienst aan de man betaalde bedragen kindgebonden budget 2023 en huurtoeslag
  48. Naar het oordeel van de rechtbank komen deze bedragen uitsluitend aan de vrouw toe. De vrouw heeft wat betreft het kindgebonden budget onbetwist gesteld dat de aan de man uitbetaalde bedragen bestemd waren voor de verzorging van [minderjarige] die toen ook al bij de vrouw woonde. [minderjarige] was bij beschikking van deze rechtbank in juni 2023 aan de vrouw toevertrouwd en partijen hebben ook kort daarna in het ouderschapsplan samen afgesproken dat [minderjarige] bij de vrouw het hoofdverblijf zal hebben. Ook de huurtoeslag komt naar het oordeel van de rechtbank aan de vrouw toe aangezien zij ter zitting onbetwist heeft gesteld dat de vrouw de huur betaalde in de periode dat de huurtoeslag aan de man werd uitbetaald. Het gaat in productie 5 om een totaalbedrag van € 4.340,- (te weten: € 1811,- + € 498,- + € 498,- + € 1150,- + € 383,-) aan kindgebonden budget 2023 en huurtoeslag 2023 dat aan de man is overgemaakt. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man € 4.340,- aan de vrouw dient te betalen. 3.
  49. De man heeft in het kader van de terugbetaling van de toeslagen over het jaar 2022 geen verzoek gedaan. Wat betreft deze schulden aan de belastingdienst wegens te veel ontvangen toeslagen in 2022 overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking, omdat een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW. De schulden aan de belastingdienst hebben betrekking op de huwelijkse periode en zijn dus gemeenschapsschulden. Het uitgangspunt van artikel 1:100 BW is dat de (voormalige) echtgenoten deze schuld samen bij helfte dragen. Partijen zijn dan ook allebei voor een gelijk deel draagplichtig voor deze schulden. Proceskosten 3.
  50. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. 4De beslissing De rechtbank: 4.
  51. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Saida, Libanon op 26 mei 1994; 4.
  52. bepaalt dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking; 4.
  53. bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand; 4.
  54. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast: aan de man wordt toegedeeld de hiervoor onder 3.27 op zijn naam staande Nederlandse bankrekeningen, onder de verplichting om alle saldi per de peildatum bij helfte tussen partijen te verdelen; 4.5 bepaalt dat de man gehouden is binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking de bankafschriften te overleggen van de hiervoor onder 3.27 genoemde drie bankrekeningen waaruit de saldi van de betreffende bankrekeningen volgen op 6 juli 2023; 4.
  55. bepaalt dat de man aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 4.340,-- wegens door de man ontvangen bedragen kindgebonden budget en huurtoeslag die aan de vrouw toekomen; 4.
  56. verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding en het huurrecht onder 4.3, uitvoerbaar bij voorraad; 4.
  57. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.
  58. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. G.G.B. Boelens, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Roggeveen op 23 augustus
  59. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.