Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2024:5380
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/672 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. J. Ruijs), en de minister van Financiën, Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigden: mr. S. Maachi en [gemachtigde] ).
Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om zijn privaatrechtelijke schulden over te nemen.
Uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN) heeft, namens verweerder, op 17 augustus 2023 eiser laten weten dat eisers private schulden bij [de persoon 1] en bij [de persoon 2] niet worden overgenomen (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de weigering gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.
Overwegingen Wat aan deze procedure voorafging 1.1.
Eiser is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun privaatrechtelijke geldschulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen van de geldschulden wordt namens verweerder uitgevoerd door SBN.
1.2.
Eiser heeft verzocht om overname van zijn schuld bij [de persoon 1] ( [de persoon 1] ) van€ 20.000,- en een schuld bij zijn ex-partner [de persoon 2] ( [de persoon 2] ) van € 115.129,53 (inclusief wettelijke rente) vanwege achterstallige kinderalimentatie. Met het primaire besluit heeft SBN eiser laten weten dat de aangemelde schulden niet worden overgenomen omdat in beide gevallen de schuldeisers nog niet (volledig) hebben gereageerd.
1.3.
Met het bestreden besluit blijft verweerder bij de weigering om de aangemelde schulden van eiser over te nemen. Volgens verweerder voldoen de schulden niet aan de voorwaarden van de Wht.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd de schulden van eiser bij [de persoon 1] en bij [de persoon 2] over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Standpunten partijen 4. Eiser stelt dat de door hem aangemelde schulden ten onrechte niet zijn overgenomen. De schuld bij [de persoon 1] betreft een privélening waaraan een notariële akte van 19 december 2006 ten grondslag ligt. Volgens die akte is de schuld zonder ingebrekestelling met ingang van 31 december 2007 opeisbaar. Het is daarom volgens hem niet relevant of en wanneer de schuld door [de persoon 1] is opgeëist. Per 31 december 2007 is eiser in verzuim en [de persoon 1] herinnert hem hier regelmatig aan. Ook de verschuldigde alimentatie aan [de persoon 2] is vanwege de echtscheidingsbeschikking van 14 maart 2007 direct opeisbaar. Zodra de rechter een uitspraak doet over de alimentatieverplichtingen in een echtscheidingsbeschikking, worden deze verplichtingen afdwingbaar.
Ten aanzien van de schuld bij [de persoon 2] 7. De rechtbank stelt vast dat bij beschikking van de rechtbank van 14 maart 2007 is bepaald dat eiser een alimentatieverplichting voor zijn drie kinderen heeft van € 131,- per kind, per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. De voorziening is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de verplichting tot betaling per 14 maart 2007 ingaat en dat bij niet voldoen van een termijnbetaling direct executoriaal beslag kan worden gelegd. Het betreft hier een betaling waarvoor een termijn is bepaald. Dat betekent dat na het verstrijken van de maandelijkse termijn, het termijnbedrag direct opeisbaar is. Voor de opeisbaarheid is niet vereist dat de maandelijkse termijnbedragen ook daadwerkelijk zijn opgeëist. Aan het vereiste van opeisbaarheid in de zin van de Wht is volgens de rechtbank dan ook voldaan. De rechtbank volgt verweerder dus niet in zijn standpunt dat uitsluitend ‘opgeëiste’ betalingsachterstanden in het kader van de Wht kunnen worden overgenomen. Daarvoor vindt de rechtbank geen steun in de Wht en ook niet in de Memorie van Toelichting (MvT).
Alleen wanneer een schuld opeisbaar is en niet wordt voldaan kan, al dan niet met tussenkomst van een deurwaarder, tot incassomaatregelen worden overgegaan. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort dan ook tot de kern van regeling en is een in de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling steeds terugkerend uitgangspunt. Evenzeer heeft de wetgever beoogd verschil te maken tussen ouders die op 1 juni 2021 wél en ouders die toen (nog) niet in een situatie van betalingsachterstanden, opeisbare schulden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen terecht zijn gekomen. De Afdeling concludeert dat de wetgever bewust en gemotiveerd heeft gekozen voor de overname van alleen die schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden.
Zoals is overwogen, is in dit geval aan het vereiste van opeisbaarheid van de achterstallige termijnbedragen voldaan. Nu in het geval van eiser de alimentatieverplichting uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan direct executoriaal beslag worden gelegd. Dit betekent dat eiser zich vóór 1 juni 2021 in de door de Afdeling omschreven situatie bevond van betalingsachterstanden, opeisbare schulden en dreiging van mogelijke incassomaatregelen. De Wht beoogt eiser van deze mogelijke incassomaatregelen te vrijwaren. Dit betekent dat verweerder in beginsel is gehouden tot overname van de achterstallige termijnbetalingen tot 1 juni 2021.
Verjaring 10. De rechtbank is het echter wel eens met verweerder dat ten aanzien van een deel van de schuld bij [de persoon 2] verjaring is ingetreden. De verjaringstermijn begint te lopen na opeisbaarheid van de vordering. De vorderingen in kwestie zien op periodieke betalingen, waarbij de betalingstermijnen afzonderlijk verjaren na verloop van vijf jaar. De eerste stuitingshandeling – een handeling waardoor verjaring als het ware wordt onderbroken – heeft plaats gevonden met de aanmaning van [de persoon 2] op 9 januari 2024. Dit heeft tot gevolg dat de vorderingen tot 9 januari 2019 zijn verjaard en alleen de achterstanden over de periode van 9 januari 2019 tot 1 juni 2021 voor overname door verweerder in aanmerking komen. Voor de betalingsachterstanden van vóór 9 januari 2019 rest door de verjaring slechts een natuurlijke verbintenis tot betaling. Deze verbintenis is rechtens niet afdwingbaar waardoor geen sprake (meer) kan zijn van mogelijke incassomaatregelen. Gelet op het doel van de Wht komen die schulden niet voor overname in aanmerking.
Ten aanzien van de schuld bij [de persoon 1] 13. In de notariële akte van 19 december 2006 waarin de schuld van eiser bij [de persoon 1] is vastgelegd, is opgenomen dat de hoofdsom dient te worden afgelost op 31 december 2007, waarna eiser door het verstrijken van deze termijn zonder ingebrekestelling in verzuim is. In navolging van wat de rechtbank hiervoor bij 7. heeft overwogen en uitgaande van de notariële akte, stelt de rechtbank vast dat deze schuld met ingang van 31 december 2007 opeisbaar is geworden in de zin van artikel 4.1, tweede lid van de Wht. Deze schuld is echter gelet op artikel 3:324, derde lid, van het BW, verjaard. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van stuitingshandelingen. Dat eiser zich moreel verplicht voelt om zijn schuld aan [de persoon 1] af te betalen, is begrijpelijk, maar door de verjaring blijft slechts een natuurlijke verbintenis over die rechtens niet afdwingbaar is. Dit betekent dat eiser voor deze schuld niet geconfronteerd kan worden met incassomaatregelen. Gelet op het hiervoor omschreven doel van de Wht is verweerder dan ook niet gehouden om deze schuld over te nemen.
Conclusie 14. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is besloten de private geldschuld van eiser bij [de persoon 2] niet over te nemen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder van deze schuld tot een totaal bedrag van € 12.361,53 moet overnemen: € 2.491,65 voor kind 1, € 4.934,94 voor kind 2 en € 4.934,94 voor kind 3.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Oosterhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, pagina 58 en 59.
De cursiveringen in deze overweging zijn van de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1645 en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2024, ECLI:NL:RBGL:2024:2071.