← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:5402

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/141590-24 Datum uitspraak: 29 augustus 2024 UITSPRAAK op de vordering van 20 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 april 2024 door het Amtsgericht Hamburg (Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , nu gedetineerd in de [P.I.] (HvB), hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting en is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. C.Y. Kekik, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Turkse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Hamburg (Duitsland) van 2 april 2024 met kenmerk 166 Gs 1989/

  1. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon, ondanks de berichten van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (hierna: IND) omtrent het mogelijke verlies van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon als gevolg van de eventueel in Duitsland aan hem op te leggen straf of maatregel voor het in het EAB genoemde strafbare feit, gelijk te stellen met een Nederlander op grond van artikel 6, derde lid, OLW. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon en naar een bericht aan de IND van de door hem en de opgeëiste persoon ingeschakelde en op dit gebied gespecialiseerde Rotterdamse advocaat mr. T. Sönmez. De raadsman heeft, gelet op het voorgaande, primair verzocht de overlevering te weigeren vanwege het ontbreken van een zogeheten terugkeergarantie. Subsidiair heeft hij verzocht de behandeling aan te houden teneinde alsnog een terugkeergarantie op te kunnen vragen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon, gelet op de voornoemde berichtgeving van de IND, niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon kan daarom zonder terugkeergarantie overgeleverd worden. De officier van justitie heeft in dit kader verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 6 december
  2. In het geval de rechtbank de opgeëiste persoon wel gelijkstelt met een Nederlander heeft de officier van justitie zich aangesloten bij het subsidiaire verzoek van de raadsman. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
  3. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
  4. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
  5. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De rechtbank begint met de bespreking van de derde voorwaarde. Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. Uit een bericht van de IND van 11 juli 2024 volgt dat een veroordeling voor het in het EAB genoemde strafbare feit ertoe kan leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. In reactie op dit bericht heeft de voornoemde mr. Sönmez per brief van 2 augustus 2024 aangegeven het niet eens te zijn met het bericht van de IND. De IND heeft in een bericht van 7 augustus 2024 meegedeeld dat hetgeen mr. Sönmez heeft aangevoerd de conclusie uit het eerdere bericht van 11 juli 2024 niet anders maakt. De volgende passage uit het bericht van 7 augustus 2024 is in dit kader onder meer relevant: “In mijn brief van 11 juli 2024 heb ik het standpunt ingenomen dat de heer [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht in beginsel kan verliezen, indien de strafrechter in Duitsland tot een bewezenverklaring komt. Of het verblijfsrecht ook daadwerkelijk zal vervallen, wordt beoordeeld in een formele procedure die, zoals uzelf al aanduidt, pas kan starten als er een onherroepelijke veroordeling is. De uitkomst al weten voordat er een procedure is, zou onjuist zijn; anderzijds moet uiteraard uit te maken zijn bij welke feiten en omstandigheden het zinvol is om een procedure te starten, en bij welke niet.” De rechtbank overweegt als volgt. De derde voorwaarde die artikel 6, derde lid, OLW stelt betreft de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf in Nederland niet zal verliezen als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Uit de berichten van de IND blijkt duidelijk dat ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht in beginsel kan verliezen. Op basis van die informatie is de rechtbank van oordeel dat niet voldaan is aan de derde voorwaarde voor gelijkstelling. Hetgeen de raadsman (deels bij monde van mr. Sönmez) heeft aangevoerd, maakt deze conclusie niet anders. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht daadwerkelijk zal verliezen is in de onderhavige overleveringsprocedure immers geen plaats. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de eerste en tweede voorwaarde. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat artikel 6 OLW niet van toepassing is. Een zogeheten terugkeergarantie is dus niet nodig. Gelet daarop zal de rechtbank de zaak niet aanhouden voor het verkrijgen van de terugkeergarantie, als verzocht door de raadsman. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen en daar loopt, de bewijsmiddelen zich in Duitsland bevinden en de verdovende middelen daar zijn ingevoerd. Daarnaast is het Nederlandse openbaar ministerie niet voornemens de vervolging over te nemen. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank is op basis van hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd van oordeel dat het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Hamburg (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. Ch.A. van Dijk en D.A. Segbedzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 augustus
  6. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2023:
  7. Vergelijk: rechtbank Amsterdam 6 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:
  8. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.