RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10913232 \ CV EXPL 24-1228 Vonnis van 19 juli 2024 in de zaak van [eiser] (h.o.d.n. [eiser] ), te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, gemachtigde: Euro-Incasso B.V., tegen [gedaagde] (h.o.d.n. [gedaagde] ), te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, procederend in persoon. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 januari 2024, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, - het tussenvonnis van 15 maart 2024 en - de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis, met producties. 1.2. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de conclusie van repliek/wijziging van eis. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling De kern van de zaak 2.1. [eiser] heeft een eenmanszaak. Hij repareert personenauto’s. [gedaagde] heeft ook een eenmanszaak en is actief in de bouw. [eiser] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten. [eiser] zou de auto van (de eenmanszaak van) [gedaagde] , van het merk Skoda, repareren. [eiser] heeft reparatiewerkzaamheden uitgevoerd. Hij heeft daarvoor aan [gedaagde] twee facturen gestuurd met factuurdatum 20 oktober 2023 en als vervaltermijn 3 november 2023. Op factuur [factuurnummer 1] is een bedrag van € 2.783,00 in rekening gebracht en op factuur [factuurnummer 2] een bedrag van € 2.420,00 (bedragen inclusief btw). [gedaagde] heeft de facturen niet betaald. 2.2. Na de reparaties heeft [gedaagde] de auto meegenomen. Op 11 november 2023 is [gedaagde] teruggegaan naar de garage van [eiser] voor het laten repareren van een licht. [eiser] heeft de auto toen niet teruggegeven aan [gedaagde] . [eiser] heeft zich beroepen op een retentierecht. 2.3. [eiser] spreekt [gedaagde] onder meer aan voor het betalen van de facturen en de kosten die hij heeft gemaakt voor het stallen van de auto. [eiser] wil het retentierecht kunnen blijven uitoefenen totdat [gedaagde] de vordering heeft betaald. Volgens [gedaagde] hebben partijen mondeling een lager bedrag afgesproken voor het repareren van de auto en is de reparatie niet goed uitgevoerd. Daarnaast is de manier waarop [eiser] zijn retentierecht uitoefent volgens [gedaagde] in strijd met de wet. De vordering en de grondslag van de vordering 2.4. [eiser] vordert - na het wijzigen van de eis - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: voor recht te verklaren dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst; [gedaagde] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [eiser] het retentierecht op de auto (Skoda Superb met kenteken [kenteken] ) uitoefent totdat [gedaagde] de vordering heeft voldaan; [gedaagde] te veroordelen tot betaling van: a. € 5.203,00 voor de facturen; b. € 1.059,96 aan stallingskosten tot en met 23 januari 2024 (p.m. na 23 januari 2024); c. € 688,15 aan buitengerechtelijke incassokosten; d. € 144,33 aan wettelijke handelsrente tot en met 23 januari 2024; e. de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 7.295,44 vanaf 24 januari 2024 en f. € 200,00 voor een rapport, 4. [gedaagde] te bevelen alle autosleutels van de auto binnen twee dagen na betekening van het vonnis over te dragen, onder een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 1.500,00 en 5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 2.5. Volgens [eiser] komt [gedaagde] de verplichtingen die hij op grond van de overeenkomst heeft niet na. [gedaagde] moet de facturen betalen 2.6. Partijen hebben afgesproken dat [eiser] de auto van [gedaagde] zou repareren. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] een mondelinge prijsopgave van € 3.500,00 gedaan. [gedaagde] stelt niet dat partijen toen al akkoord zijn gegaan met een totaalprijs van € 3.500,00 of dat hij ervan mocht uitgaan dat de prijs niet boven dat bedrag zou uitkomen. Op de facturen staat gespecificeerd welke werkzaamheden [eiser] heeft uitgevoerd. [gedaagde] bestrijdt niet dat die werkzaamheden zijn gedaan en ook niet de kosten die daarvoor in rekening zijn gebracht. Uit dit alles volgt dat, ook al zou [eiser] voorafgaand aan de reparatie een prijs hebben genoemd, van de bedragen op de facturen moet worden uitgegaan. Het is ook niet gebleken dat [gedaagde] over de hoogte van de facturen bij [eiser] heeft geprotesteerd. Dat betekent dat [gedaagde] de bedragen die op de factuur staan moet betalen. 2.7. [gedaagde] stelt ook dat het werk niet goed is gedaan. Zo kwam vocht binnen bij de lichtunit en ging het licht van de auto stuk. [gedaagde] betwist niet dat de in rekening gebrachte werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daartegenover staat de verplichting van [gedaagde] om te betalen. [gedaagde] heeft zijn standpunt dat de reparatie niet goed is uitgevoerd, in het geheel niet onderbouwd (met bijvoorbeeld een rapport of foto’s). Ook is niet gebleken dat [gedaagde] [eiser] voor eventuele fouten bij de reparaties in gebreke heeft gesteld (en daarmee [eiser] de kans heeft gegeven fouten te herstellen) en dat van verzuim sprake is. Dat betekent dat het verweer van [gedaagde] hem niet ontslaat van zijn verplichting tot betaling van de facturen. 2.8. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de facturen, voor een bedrag van in totaal € 5.203,00. [eiser] vordert ook dat de wettelijke handelsrente over de facturen wordt betaald. Die vordering is toewijsbaar. Partijen hebben gehandeld in de uitoefening van hun beroep of bedrijf. [gedaagde] betwist niet dat hij de auto gebruikte voor zijn eenmanszaak. De facturen zijn gericht aan de eenmanszaak van [gedaagde] . Deze overeenkomst geldt als een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW). [gedaagde] heeft de overeengekomen geldsom niet op tijd betaald. De wettelijke handelsrente is toewijsbaar vanaf de vervaldata van de facturen (3 november 2023). 2.9. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de overeenkomst. De vordering om voor recht te verklaren dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst wordt toch afgewezen. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de facturen. [eiser] heeft daarom geen zelfstandig belang bij toewijzing van de verklaring voor recht. Retentierecht 2.10. Op grond van artikel 3:290 BW is het retentierecht de bevoegdheid die bij de in de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser (in dit geval [eiser] ) toekomt om de nakoming van afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) op te schorten (in dit geval de auto nog onder zich te houden), totdat de vordering wordt voldaan. Om een beroep op een retentierecht te kunnen doen, moet aan drie voorwaarden worden voldaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.