RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/165452-24 Datum uitspraak: 25 juli
- UITSPRAAK op de vordering van 22 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2024 door de Arrondissementsrechtbank Aurich, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1961, gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juli 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, en door een tolk in de Duitse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van de arrondissementsrechtbank Aurich van 22 december 2011, referentie 11 KLs 410 Js 15751/10 (19/10). ÁG113101216760´È G113101216760 Uit onderdeel c van het EAB blijkt dat een vrijheidsstraf van 8 jaar is opgelegd, die reeds ten uitvoer is gelegd. Uit de aanvullende informatie van 18 juni 2024 blijkt dat de misdrijven waarvoor het EAB is uitgevaardigd hebben geleid tot het opleggen van een levenslange veiligheidsmaatregel, waardoor – ondanks dat de 8 jaar vrijheidsstraf al is uitgezeten – de maatregel van preventieve hechtenis gehandhaafd blijft. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een levenslange veiligheidsmaatregel, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De maatregel is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uit het EAB en de aanvullende informatie van 18 juni 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in eerste aanleg heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt echter dat er ook een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden. Bij beslissing van het Federale Hof van Justitie van 31 juli 2012 is het hoger beroep afgewezen. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat het Federale Hof van Justitie alleen rechtsvragen beoordeelt. Dit betekent dat alleen de procedure in eerste aanleg onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt en de procedure in hoger beroep niet aan artikel 12 OLW hoeft te worden getoetst. De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting in eerste aanleg. Dit betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich niet voordoet. 4Strafbaarheid 4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1, 2 en 4 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 27, te weten: verkrachting. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: de meerdaadse samenloop van: poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 5Levenslange veiligheidsmaatregel Standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat – kort gezegd – de rechten van de opgeëiste persoon in Duitsland worden geschonden nu er voor hem geen reële mogelijkheid is of heeft bestaan om de aan hem opgelegde levenslange veiligheidsmaatregel te laten herbeoordelen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie blijkt dat in Duitsland wel degelijk de mogelijkheid bestaat van herziening of gratie. De beoordeling door de rechtbank Uit de aanvullende informatie van 18 juni 2024 blijkt dat aan de opgeëiste persoon een levenslange veiligheidsmaatregel is opgelegd. Bij aanvullende informatie van 24 juni 2024 is onderdeel h van het EAB ingevuld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft daarin – ten aanzien van de opgelegde levenslange veiligheidsmaatregel – het volgende aangevinkt: - the legal system of the issuing Member State allows for a review of the penalty or measure imposed – on request or at least after 20 years – aiming at a non-execution of such penalty or measure, and/or - the legal system of the issuing Member State allows for the application of measures of clemency to which the person is entitled under the law or practice of the issuing Member State, aiming at non execution of such penalty or measure. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verstrekte informatie, welke er op neerkomt dat er in Duitsland een wettelijke mogelijkheid van herziening van de opgelegde veiligheidsmaatregel bestaat, alsmede de mogelijkheid van gratie. De rechtbank is verder niet gebleken van bewijzen voor het bestaan van structurele of fundamentele gebreken in die zin dat – ondanks het bestaan van deze wettelijke mogelijkheden – een herbeoordeling in de praktijk nimmer tot een andere of lagere straf of maatregel kan leiden en de wettelijke bepalingen dus een dode letter zouden zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een mogelijke schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geen sprake is. Zij verwerpt het verweer van de raadsvrouw. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Arrondissementsrechtbank Aurich, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter, mrs. J.B. Oreel en B. van Galen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 juli
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.