← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:5662

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-206240-24 Datum uitspraak: 10 september 2024 UITSPRAAK op de vordering van 27 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2022 door de Circuit Court in Gorzów Wlkp. 2nd Criminal Department in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984, verblijvende op het adres: [adres], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. de Haan, advocaat in Zwolle, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van de District Court in Strzelce Krajeńskie (Polen) van 30 oktober 2019, referentie: II K 121/

  1. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Feit I: poging tot diefstal en diefstal; Feit II en feit V: telkens: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; Feit III en VI: telkens: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; Feit IV: poging tot diefstal; Feit VII: verduistering; Feit VIII en IX: telkens diefstal, meermalen gepleegd; Feit X: diefstal. 5Artikel 11 OLW jo 47 Handvest van de Europese Unie Standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon in Nederland een vreemdelingrechtelijke procedure is gestart tegen zijn ongewenstverklaring. Als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd, is er een reëel gevaar dat zijn grondrecht op het benutten van een effective remedy tegen die ongewenstverklaring wordt geschonden, omdat hij na overlevering geen mogelijkheid heeft die procedure in Nederland met een advocaat voor te bereiden en bij de behandeling daarvan aanwezig te zijn. Het is onmogelijk om de procedure vanuit Polen voor te bereiden en te voeren met een advocaat, omdat Poolse gedetineerden weinig contact mogen hebben met een advocaat. De raadsman heeft daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, zodat de opgeëiste persoon de vreemdelingrechtelijke procedure in Nederland kan afwachten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van het grondrecht op een effective remedy, nu uit het CPT-rapport blijkt dat er wel degelijk mogelijkheden zijn voor contact met een advocaat. Het verzoek van de raadsman moet daarom worden afgewezen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat, los van de vraag of de door de raadsman geschetste situatie onder de reikwijdte van artikel 11 lid 1 OLW valt, geen sprake is van het niet kunnen inzetten van een effective remedy als de overlevering wordt toegestaan. Vast staat dat de opgeëiste persoon een procedure is gestart tegen de ongewenstverklaring waarbij hij wordt bijgestaan door een advocaat. Die procedure kan dus door de advocaat worden voorgezet als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd en daardoor in Polen verblijft. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman dan ook af. 6Weigeringsgrond artikel 11: detentieomstandigheden Standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij zich zorgen maakt dat de opgeëiste persoon in de Poolse gevangenissen niet de noodzakelijke medische zorg voor zijn epilepsie zal krijgen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische omstandigheden van de opgeëiste persoon niet aan overlevering in de weg staan. Het CPT-rapport vermeldt bevindingen over de detentieomstandigheden voor voorlopig gehechte gedetineerden, vreemdelingen en gedetineerden op psychiatrische afdelingen en is daarmee niet van toepassing op de situatie van de opgeëiste persoon. Oordeel van de rechtbank De rechtbank begrijpt het verweer aldus als heeft de raadsman willen aanvoeren dat gedetineerden die gezondheidsklachten hebben, in het bijzonder gedetineerden met epilepsie, geen adequate behandeling krijgen in Poolse gevangenissen en om die reden een reëel gevaar lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Het verweer slaagt echter niet. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt op grond waarvan een dergelijk gevaar kan worden aangenomen. De medische situatie van de opgeëiste persoon kan door de officier van justitie worden meegenomen bij de te nemen beslissing over de feitelijke overlevering zoals bedoeld in artikel 35 OLW. De rechtbank geeft de raadsman daarom mee om in het kader van de feitelijke overlevering, indien de opgeëiste persoon daartoe toestemming verleent, medische stukken aan de officier van justitie over te leggen zodat met de medische situatie van de opgeëiste persoon zo nodig rekening kan worden gehouden. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 310, 311 en 321 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Gorzów Wlkp. 2nd Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en J.B. Oreel, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. S. van Gerven en A.A.B. Fransen, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september
  2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.