RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-136105-24 Datum uitspraak: 3 september 2024 UITSPRAAK op de vordering van 15 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2024 door de Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Parijs (Frankrijk), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 2001 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland gedetineerd in de [detentieadres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 9 juli 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juli 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Ploegmakers die waarneemt voor mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam en een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tussenuitspraak van 23 juli 2024 Het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank met betrekking tot de toetsing aan artikel 12 OLW en de Franse detentieomstandigheden geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Voorts heeft de rechtbank in de tussenuitspraak de grondslag van het EAB opgenomen en daarnaast vastgesteld dat geen lijstfeit is aangekruist maar dat de feiten van het EAB dubbel strafbaar zijn. Ten slotte heeft de rechtbank afgezien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW met betrekking tot het arrest van het Hof van Beroep te Parijs van 19 mei 2023. De overwegingen 3, 3.1 en 4 van de tussenuitspraak worden in deze uitspraak als herhaald en ingelast beschouwd. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW voor de duur van 30 dagen. Zitting 20 augustus 2024 De behandeling van het EAB is hervat in de stand van het onderzoek ter zitting van 9 juli 2024 in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam en een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW voor de duur van 30 dagen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft. 3Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Ten aanzien van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf Inleiding De vrijheidsstraf van 8 maanden is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd bij beslissing van the Juvenile Court in Créteil van 23 oktober 2019. Uit de aanvullende informatie van 24 mei 2024 volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van the Juvenile Court in Créteil van 23 oktober 2019 heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet op die procedure van toepassing. Bij beslissing van het Hof van Beroep te Parijs van 19 mei 2023 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. In de tussenuitspraak van 23 juli 2024 heeft de rechtbank op grond van de aanvullende informatie niet kunnen vaststellen dat de tenuitvoerlegging is bevolen wegens het begaan van een nieuw strafbaar feit en dat dit ‘triggerend’ feit de veroordeling van 19 mei 2023 betreft. De rechtbank heeft op grond van het bovenstaande de behandeling van zaak aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen de volgende vragen te beantwoorden: 1. Wat is de reden geweest van de tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf? Heeft de opgeëiste persoon zich niet gehouden aan gestelde voorwaarden of is de reden gelegen in de omstandigheid dat de opgeëiste persoon tijdens de proeftijd een nieuw strafbaar feit heeft begaan? 2. Indien de tenuitvoerlegging is bevolen wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit, betreft dit het feit waarvoor de opgeëiste persoon bij arrest van het Hof van Beroep te Parijs van 19 mei 2023 is veroordeeld? 3. Zo nee, wat is het triggerende feit dan geweest en bij welk vonnis is de opgeëiste persoon daarvoor veroordeeld? Graag sectie D van het EAB dan ook voor deze procedure invullen. Bij brief van 25 juli 2024 hebben de Franse autoriteiten bovenstaande vragen beantwoord. Standpunten De raadsman en de officier van justitie hebben met betrekking tot de beslissing tot tenuitvoerlegging aangegeven dat nu duidelijk is dat aan de vereisten van artikel 12 OLW is voldaan. Oordeel van de rechtbank In de aanvullende informatie van 25 juli 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is onder meer het volgende opgenomen: “(…) De overtredingen die hebben geleid tot de gehele intrekking van het eenvoudige uitstel uitgesproken op 21 oktober 2019 zijn degene waarvoor de betrokkene is veroordeeld bij arrest van het Gerechtshof Parijs op 19 maart 2023 (…)” De rechtbank stelt op basis van het bovenstaande vast dat de tenuitvoerlegging is bevolen wegens het begaan van een nieuw strafbaar feit gedurende de proeftijd en dat dit ‘triggerend’ feit de veroordeling van 19 mei 2023 betreft. In de tussenuitspraak van 9 juli 2024 heeft de rechtbank de veroordeling van 19 mei 2023 van het Gerechtshof Parijs al getoetst aan artikel 12 OLW en heeft zij geoordeeld dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. 4Strafbaarheid 4.1. Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Uit de aanvullende informatie van 24 mei 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon bij vonnis van 23 oktober 2019 door de Jeugdrechtbank te Créteil onder meer is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen. Dit feit is niet vermeld in de tussenuitspraak van 23 juli 2024. De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit de aanvullende informatie van 24 mei 2024 volgt dat op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Uit de aanvullende informatie van 24 mei 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon bij vonnis van 23 oktober 2019 door de Jeugdrechtbank te Créteil onder meer is veroordeeld voor het feit van diefstal met geweld. Dit feit is niet vermeld in de tussenuitspraak van 23 juli 2024. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, vergezeld van geweld met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. 5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Frankrijk In de tussenuitspraak van 23 juli 2024 is reeds overwogen dat uit de eerder verstrekte garantie van 13 mei 2024 volgt dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-instelling in Nîmes, Nanterre of Bois-d’Arcy en Lille-Loos-Sequedin zal worden geplaatst. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 23 juli 2024 heeft de Dienstoverste van de Internationale Strafrechtelijke Medewerking bij het Ministerie van Justitie in Parijs (Frankrijk) op 30 juli 2024 onder meer de volgende aanvullende informatie verstrekt over de detentieomstandigheden in Fleury Mérogis, Fresnes en Parijs la Santé: “(..) In de huidige staat van informatie die we hebben, en in geval van veroordeling tot een vrijheidsberovingstraf, [de opgeëiste persoon] zou bij voorkeur worden gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Fleury Mérogis (Essonne) of in het huis van bewaring te Fresnes (Val de Marne) of in het Huis van bewaring te Parijs la Santé (Parijs), gelegen op het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Parijs. (..) I. Situatie van de inrichting van Fleury Mérogis: (..) het huis van bewaring voor mannen dat zou [de opgeëiste persoon] vóór een eventuele veroordeling kunnen ontvangen bestaat uit: 2406 cellen met een oppervlakte van 9 à 10 m2, met een theoretisch capaciteit van één plaats, uitgerust met twee bedden; 60 cellen met een oppervlakte van 14 à 19 m2 met een theoretisch capaciteit van drie plaatsen, uitgerust met drie bedden; 31 cellen aangepast voor personen met mobiliteitsbeperkingen van 19 à 24 m2, voor een capaciteit van één plaats. Vanaf 25 juli 2024 heeft het huis van bewaring voor mannen te Fleury Mérogis een bezettingsgraad van 128%. (…) De detentievoorwaarden in het huis van bewaring voor mannen te Fleury Mérogis zou kunnen worden opgesloten na een eventuele veroordeling (…) zijn dezelfde als degene van het huis van bewaring voor mannen te Fleury Mérogis binnen het detentiecomplex, met als regel de toewijzing van een individuele cel (…). (..) Echter kunnen wij vermelden dat binnen het penitentiaire complex te Fleury Merogis, elke cel heeft een sanitaire met een oppervlakte van 1,4 m2. (..)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.