← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:593

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.212.406-23 Datum uitspraak: 7 februari 2024 UITSPRAAK op de vordering van 18 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 maart 2023 door het Amtsgericht Hannover in Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 1981, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 januari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Syrische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een Untersuchungshaftbefehl dat is uitgevaardigd door het Amtsgericht Hannover op 27 januari 2022 met zaaknummer 244 Ls 2793 Js 82294/20 (280/21). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als strafbare feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd of poging tot zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind of poging tot doodslag 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander omdat hij over een verblijfsvergunning asiel beschikt. Om die reden moet een terugkeergarantie worden verstrekt zodat een na overlevering aan Duitsland opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf door hem in Nederland kan worden uitgezeten. Op die manier wordt voorkomen dat de opgeëiste persoon vanuit Duitsland naar Syrië zal worden teruggezonden, aldus de raadsman. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:

  1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
  2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
  3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De opgeëiste persoon heeft in de onderhavige procedure tegenover de officier van justitie verklaard dat hij ongeveer een jaar en negen maanden in Nederland verblijft. Uit informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst blijkt voorts dat de opgeëiste persoon met ingang van 4 november 2021 beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Gelet daarop is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon nog geen vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft en reeds daarom niet aan de eerste voorwaarde is voldaan. De overige twee voorwaarden behoeven daarom geen bespreking. Nu de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden mag de rechtbank zijn overlevering niet afhankelijk maken van een terugkeergarantie. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45, 287, 300, 302 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Hannover in Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. R.A. Sipkens en H.P. Kijlstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 februari
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Door de opgeëiste persoon is ter zitting desgevraagd meegedeeld dat ‘ [naam] ’ de naam van zijn vader en zijn tweede naam is. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.