RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-199539-23 Datum uitspraak: 3 oktober 2024 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 25 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juli 2023 door the Circuit Court in Lublin in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres]. hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 september 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding (met schorsing daarvan tot aan de uitspraak) bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een: judgment of the District Court Lublin-Wschód in Lublin, with the seat in Świdnik, of 23rd May 2013 (II K 188/13) (hierna: vonnis I, met kenmerk II K 188/13); judgment of the District Court Lublin-Wschód in Lublin, with the seat in ŚSwidnik, of 26th October 2015 (II K 728/14) (hierna: vonnis II, met kenmerk II K 728/14). Ten aanzien van vonnis I, met kenmerk II K 188/13 De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en vijf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. De vrijheidsstraf van vonnis I, met kenmerk II K 188/13, is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van 7 juni 2016 van the District Court Lublin-Wschód in Lublin, met kenmerk II Ko 921/16, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen vanwege de veroordeling voor nieuwe strafbare feiten (zogenaamde “triggering facts”) bij vonnis II. Ten aanzien van vonnis II, met kenmerk II K 728/14 De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog acht maanden en 22 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Tegen vonnis II heeft de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. Bij arrest van the Regional Court in Lublin van 16 maart 2016 met kenmerk V Ka 190/16 is vonnis II in stand gebleven. De vonnissen I en II betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Artikel 12 OLW Vonnissen I en II en het naar aanleiding van vonnis II gewezen arrest Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon bij beide vonnissen (vonnis I, met kenmerk II K 188/13 en vonnis II, met kenmerk II K 728/14) in persoon is verschenen bij de processen die tot de beslissingen hebben geleid. Uit de aanvullende informatie van 12 augustus 2024 volgt dat de opgeëiste persoon ook in persoon is verschenen in de procedure in hoger beroep tegen het vonnis II. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW op geen van deze procedures van toepassing is. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 7 juni 2016 van de bij vonnis I opgelegde voorwaardelijke straf Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In dit geval betreft het een veroordeling (in vonnis II) waarvoor eveneens de overlevering wordt gevraagd en ten aanzien waarvan reeds is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet. De beslissing tot tenuitvoerlegging zelf (in casu de beslissing van 7 juni 2016) behoeft niet getoetst te worden aan artikel 12 OLW. 5Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 188/13: Feit 1: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; Feit 2: wederspannigheid; Feit 3: aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 728/14: Feit 1: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast; Feit 2: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.