RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam raadkamernummer : 007338-24 Parketnummer: : 81/010360-22 datum : 27 augustus 2024 heropeningsbeslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a jo 98 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klager], geboren op [geboortedag] 1944 te [geboorteplaats], woonplaats kiezende op het kantooradres van mr. E.Z. Perez, [adres], hierna te noemen: klager Feiten In een fraudeonderzoek door de FIOD is onder meer onderzoek gedaan naar klager. Op 15 februari 2019 en op 28 februari 2019 is door de rechter-commissaris op grond van artikel 110 en 125i/j Sv een doorzoeking ter inbeslagneming/vastlegging gegevens verricht in de woning van klager. Er zijn bescheiden meegenomen, digitale gegevens van een computer gekopieerd en er zijn gegevensdragers (drie harddisks) en images van een laptop door de rechter-commissaris in beslag genomen. Er zijn vervolgens images van de gegevensdragers gemaakt en de gegevensdragers zijn aan klager geretourneerd. De gegevens van de images zijn door de rechter-commissaris gefilterd op periode. Daarna zijn de gegevens met betrekking tot de voor het fraudeonderzoek relevante periode aan de hand van een lijst met zoektermen gefilterd op geheimhoudersgegevens. De rechter-commissaris heeft beslist dat de niet-uitgefilterde data konden worden verstrekt aan het onderzoeksteam. De uitgefilterde bestanden zijn niet vernietigd, maar wel zogenoemd uitgegrijsd. Op 13 oktober 2022 heeft de officier van justitie ex art. 181 lid 1 jo. art. 98 Sv gevorderd dat aan de hand van een lijst met meer dan 250 inhoudelijke trefwoorden, termen en samengestelde trefwoorden een inhoudelijke zoekslag wordt gemaakt in de eerder uitgegrijsde gegevens. Op 9 december 2022 is de vordering door de rechter-commissaris toegewezen. Over de uitkomst van het onderzoek heeft de rechter-commissaris op 18 januari 2024 het volgende vastgelegd: Alleen de documenten/bestanden ('digitale sporen') waarvan na onderzoek duidelijk was dat het geen geheimhoudersinformatie betrof zijn aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld. De gegevens die niet (alsnog) aan het onderzoeksteam ter beschikking zijn gesteld, zijn uitgegrijsd (gebleven). Sinds de doorzoeking van zijn woning is namens klager meermaals verzocht de op verschillende momenten uitgegrijsde gegevens te vernietigen. De rechter-commissaris heeft laatstelijk bij aanvullend proces-verbaal van 7 maart 2024 overwogen dat de uitgegrijsde bestanden niet zullen worden vernietigd: De kern van de gevolgde procedure ter bescherming van de geheimhoudersgegevens bestaat erin dat deze gegevens niet in het strafrechtelijk onderzoeksdossier terechtkomen en dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Daaraan wordt voldaan. De rechter-commissaris heeft zich laten bijstaan door een speciaal aangestelde geheimhoudersmedewerker. Zoals die in zijn processen-verbaal gerelateerd heeft, betekent het uitgrijzen dat de betreffende items ontoegankelijk zijn voor het onderzoekteam. Procedure Het beklag is op 21 maart 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 13 augustus 2024 het beklag ter terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde raadslieden mr. F.A. Dudok van Heel en mr. J. Donze, beiden advocaat te Rotterdam, en de officier van justitie op zitting gehoord. De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Beklag Het beklag strekt tot het stoppen van de (voortduring van de) inbeslagneming/vastlegging en de kennisneming en het gebruik van digitale uitgegrijsde gegevens. Ontvankelijkheid van klager in het beklag Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag, allereerst al omdat hij geen verschoningsgerechtigde is in de zin van artikel 98 Sv. Ook op grond van artikel 552a Sv is klager niet-ontvankelijk, omdat lid 3 van dit artikel voorschrijft dat een dergelijk klaagschrift zo spoedig mogelijk moet worden ingediend. Lid 4 van genoemd artikel bepaalt dat indien er nog geen vervolgingsbeslissing omtrent verdachte is genomen, het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming, de kennisneming of de ontoegankelijkmaking van de gegevens, dient te worden ingediend. Deze termijn is ruimschoots overschreden, nu de inbeslagneming al op 28 februari 2019 heeft plaatsgevonden. Standpunt van de raadslieden De raadslieden vinden dat klager ontvankelijk is in het klaagschrift. Namens klager is aangevoerd dat wel degelijk sprake is van een situatie bedoeld in artikel 98 Sv. Ook klager mag hierover een klaagschrift indienen. Het klaagschrift richt zich immers mede tegen de beslissing van de rechter-commissaris, verwoord in diens aanvullende proces-verbaal van 7 maart 2024, voor zover inhoudende dat de (opnieuw) uitgefilterde gegevens (weer) uitgegrijsd worden in plaats van vernietigd. Voor wat betreft de ontvankelijkheid op grond van artikel 552a Sv wordt door de raadslieden betoogd dat het klaagschrift niet ziet op de fysieke inbeslagname van gegevensdragers, maar op de kennisneming en het gebruik van de gegevens. Daarvoor geldt dat de door de officier van justitie genoemde termijn niet is gaan lopen. Er is immers recent nog kennisgenomen van de gegevens. Oordeel van de rechtbank Voor wat betreft de niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 98 Sv overweegt de rechtbank het volgende. De officier van justitie heeft het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad aangehaald ter onderbouwing van de stelling dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beklag, omdat hij geen verschoningsgerechtigde is. De rechtbank is echter van oordeel dat de situatie als omschreven in de beschikking van de Hoge Raad van 12 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:316) niet aan de orde is in deze zaak. In dit arrest van de Hoge Raad gaat het om het beklag tegen het ter beschikking stellen van geheimhoudersstukken aan het opsporingsteam, hetgeen in deze zaak niet het geval is. Het beklag in deze zaak richt zich immers tegen de (voortduring van) inbeslagneming/vastlegging, de kennisneming en het gebruik van digitale zogenoemde uitgegrijsde gegevens. Artikel 98 Sv staat er niet aan in de weg dat klager hierover een klaagschrift indient. Het door de officier genoemde arrest van de Hoge Raad doet geen afbreuk aan de ontvankelijkheid van klager in het beklag. De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de niet-ontvankelijkheid moet worden uitgesproken, omdat de in artikel 552a Sv lid 4 genoemde termijn is overschreden. Ook op dat punt volgt de rechtbank de officier van justitie niet. De rechtbank neemt daarbij niet als uitgangspunt de datum 28 februari 2019, zijnde de dag waarop de fysieke gegevensdragers in beslag zijn genomen. Het klaagschrift heeft immers niet betrekking op de fysieke gegevensdragers, maar wel op een deel van de gegevens die van deze gegevensdragers zijn gekopieerd. Van die gegevens kon doorlopend kennis worden genomen, hetgeen nog recentelijk is gebeurd gezien het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 7 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.