RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/192673-24 Datum uitspraak: 3 september 2024 UITSPRAAK op de vordering van 21 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2024 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, die waarneemt voor mr. D. Souisa, advocaat in Breda. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding - onder onmiddellijke schorsing daarvan tot aan de uitspraak - bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB en het A-formulier vermelden een door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen op 12 juni 2024 uitgevaardigd bevel tot aanhouding bij verstek met kenmerk 2024/
- De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 16, te weten: ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De procureur des Konings Antwerpen heeft op 12 juli 2024 de volgende garantie gegeven: “Met verwijzing naar uw verzoek van 11/07/2024, inzake het Europees aanhoudingsbevel dd. 12-06- 2024, uitgaande van B. Melis, onderzoeksrechter te Antwerpen, afdeling Antwerpen, lastens de genaamde [opgeëiste persoon] ( [geboortedag] -1988) heb ik de eer u volgende garantie te verstrekken: Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW; Detentieomstandigheden in België Standpunt van de raadsman De behandeling van de zaak dient te worden aangehouden om, in lijn met de rechtspraak met betrekking tot detentie-omstandigheden in de remand prisons in Polen, aanvullende vragen aan de Belgische autoriteiten voor te leggen. In de Poolse zaken is een algemeen gevaar aangenomen terwijl de celruimte in de remand prisons net zoals in de Belgische individuele detentiegarantie minimaal 3 vierkante meter bedraagt. In deze detentiegarantie voor de gevangenis in Turnhout wordt namelijk niet duidelijk hoeveel uren aan activiteiten worden besteed en zijn er net zoals in Polen wachtlijsten voor activiteiten. Bovendien heeft de raadsman van diverse cliënten vernomen dat in Turnhout nog regelmatig sprake is van grondslapers. De raadsman verzoekt de rechtbank alvorens tot overlevering over te gaan de volgende vragen aan de Belgische autoriteiten voor te leggen.
- Hoeveel uren per dag verblijft de opgeëiste persoon daadwerkelijk op zijn cel?
- Hoeveel grondslapers waren er de afgelopen maand in de detentie-instelling van Turnhout en betrof dit specifiek mensen die in het kader van de OLW zijn overgeleverd naar België? Standpunt van de officier van justitie De door de Belgische autoriteiten verstrekte detentiegarantie neemt het eerder vastgestelde algemene gevaar weg zodat bij overlevering geen gevaar van schending van artikel 4 Handvest bestaat. De officier van justitie ziet gelet hierop geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende vragen aan de Belgische autoriteiten te kunnen stellen. De overlevering kan dan ook worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 16 juli 2024 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken is de volgende garantie gegeven: 1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Turnhout.
- Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m² individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m² inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op de grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). De raadsman heeft op de zitting van de rechtbank betoogd dat de verstrekte individuele detentiegarantie niet voldoet en dat de zaak voor het stellen van aanvullende vragen dient te worden aangehouden. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. In de individuele detentiegarantie wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet op de grond hoeft te slapen. Bovendien staat weliswaar vermeld dat er wachtlijsten zijn voor aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid. Echter voor wandelingen in open koer, familiebezoek, alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes is dat niet het geval. Hiermee is tegen de achtergrond van hetgeen is overwogen in het arrest van 15 oktober 2019 van het HvJ EU gegarandeerd dat de detetieomstandigheden voldoen aan de vereisten van artikel 4 Handvest. De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.
- Artikel 7 van het Handvest : family life / Artikel 52 van het Handvest: evenredigheid Standpunt raadsman De raadsman verzoekt de overlevering te weigeren aangezien het uitgevaardigde EAB onevenredig zwaar uitpakt voor de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is mantelzorger voor zijn vader die lijdt aan een psychiatrische stoornis. Sinds de aanhouding van de opgeëiste persoon is de situatie van zijn vader zienderogen achteruit gegaan. Daar komt bij dat hij zijn gehandicapte broertje een keer in de week ophaalt en met hem activiteiten onderneemt. Standpunt officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat overlevering van de opgeëiste persoon aan België geen onevenredige inbreuk betekent op het in artikel 7 Handvest neergelegde recht op family-life aangezien de inbreuk niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit EAB te kunnen verwezenlijken, dat wil zeggen de overlevering aan België. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat overlevering van de opgeëiste persoon aan België een beperking van zijn recht op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Handvest oplevert. De rechtbank is echter van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel een toegestane beperking is van de uitoefening van het hiervoor genoemde recht. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met zijn overlevering wordt nagestreefd. Deze bijzondere omstandigheden doen zich hier echter niet voor. De beperking in de uitoefening van het recht op family life zoals neergelegd in artikel 7 van het Handvest, levert daarom geen beletsel op voor overlevering. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds en B.M. Vroom-Cramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:
- HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:
- C-128/18 (Dorobantu), ECLI:EU:C:2019:857, punten 75-
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie