RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/215849-24 Datum uitspraak: 18 september 2024 UITSPRAAK op de vordering van 9 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 juli 2020 door de Judicial Court of the District of Faro (Portugal), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit, en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Brazillië) op [geboortedag] 1987 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] hierna: ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 september 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Portugese taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding – onder onmiddellijke schorsing daarvan tot de uitspraak – bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij zowel de Portugese als de Braziliaanse nationaliteit heeft. 3Verzoek tot aanhouding De raadsman heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak. De Portugese advocaat van de opgeëiste persoon heeft laten weten dat de paus recentelijk een bezoek heeft gebracht aan Portugal, wat aanleiding is geweest voor een generaal pardon. Dit is nog niet verwerkt en er moet door de opgeëiste persoon nog een beroep op worden gedaan. Bovendien maakt de opgeëiste persoon vanwege zijn jeugdige leeftijd onder de 30 jaar op het moment dat hij de feiten heeft gepleegd kans op een korting van de straf. Dit moet nog verder worden uitgezocht. De opgeëiste persoon zou graag de uitkomst van beide procedures in Nederland willen afwachten. De rechtbank begrijpt het belang van de opgeëiste persoon bij aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van deze procedures maar ziet daartoe geen ruimte binnen het wettelijk kader nu het gaat om toekomstige procedures en er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat een van de procedures binnen de beslistermijn een concreet uitzicht biedt op een mogelijke intrekking van het EAB. Ten slotte hebben de Portugese autoriteiten tot op heden het uitgevaardigde EAB gehandhaafd. De rechtbank ziet dan ook met de officier van justitie geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. 4Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een Judgment with executive force: March 29, 2016, carried into judgement on: May 4, 2016, van het Central Criminal Court of Portimao District, met referentie 1792/14.5BABF. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze gevangenisstraf resteren volgens informatie van het EAB nog 4 jaar en 9 maanden en 5 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals deze zijn omschreven in het EAB. 5Strafbaarheid 5.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten van het begaan van een woning- en een bedrijfsinbraak aan als zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder: Georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit van het in bezit hebben van een vuurwapen niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.