← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:6502

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-253015-24 Datum uitspraak: 24 oktober 2024 UITSPRAAK op de vordering van 14 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 augustus 2024 door de Procureur van de Republiek bij de Rechtbank in Lyon, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Arabische (Algerijns) taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Op de zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft. 3Referte De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van de Rechtbank van Lyon van 31 juli 2024, parketnummer: 24 162 000136 instructie: CABJI17 24/

  1. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Frans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 5Strafbaarheid: Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat op dit moment voor de detentie-instellingen in Nîmes, Nanterre, Bois-d’Arcy en Lille-Loos-Sequedin een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In deze zaak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 20 september 2024 medegedeeld dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in voorlopige hechtenis zal worden geplaatst in de gevangenis van Lyon-Corbas of Villefranche-sur-Saône. Bij brief van 1 oktober 2024 is in aanvulling hierop – kort samengevat – medegedeeld ten aanzien van de gevangenis in Lyon-Corbas dat: sprake is van een actuele bezittingsgraad van 166% gegarandeerd kan worden dat de opgeëiste persoon minimaal 4 m² persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel heeft (exclusief sanitaire voorzieningen). In dezelfde brief van 1 oktober 2024 is in aanvulling hierop – kort samengevat – meegedeeld ten aanzien van de gevangenis in Villefranche Sur Saône dat: sprake is van een actuele bezittingsgraad van 130% gegarandeerd kan worden dat de opgeëiste persoon minimaal 4 m² persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel heeft (exclusief sanitaire voorzieningen). Standpunt van de raadsman en de officier van justitie De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon graag overgeleverd wil worden naar Frankrijk om zijn onschuld aan te tonen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de door de Franse autoriteiten verstrekte informatie volgt dat de opgeëiste persoon in de detentie-instellingen in Lyon-Corbas en Villefranche Sur Saône minimaal 4 m² persoonlijke ruime in een meerpersoonscel wordt geboden (exclusief sanitaire voorzieningen). Schending van artikel 4 van het Handvest is dus niet aan de orde. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft meegedeeld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden geplaatst in de gevangenis in LyonCorbas of Villefranche-sur-Saône. Ten aanzien van beide detentie-instellingen hebben de Franse autoriteiten in deze zaak gegarandeerd dat de opgeëiste persoon minimaal 4 m² persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel zal hebben (exclusief sanitaire voorzieningen). Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er – gelet op deze verstrekte garanties – geen reëel gevaar dat de opgeëiste persoon in deze detentie-instellingen onderworpen zal worden aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Gelet op het voorgaande is voor de opgeëiste persoon dus geen sprake van een reëel gevaar dat zijn door het Handvest gewaarborgde grondrechten na overlevering zullen worden geschonden in detentie in Frankrijk. Het bepaalde in artikel 11 OLW staat dan ook niet in de weg aan het toestaan van de overlevering. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur van de Republiek bij de Rechtbank in Lyon, Frankrijk, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 oktober
  2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie onder andere: rechtbank Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 (ten aanzien van Nîmes); rechtbank Amsterdam 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5123 (ten aanzien van Nanterre); rechtbank Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:782 (ten aanzien van Bois d'Arcy); rechtbank Amsterdam 20 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4047 (ten aanzien van Lille-Loos-Sequedin).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.