RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-224428-24 Datum uitspraak: 24 oktober 2024 UITSPRAAK op de vordering van 14 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 mei 2024 door het Amtsgericht Aachen, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.J.N. Hameleers, advocaat in Roermond. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Op de zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Aachen van 15 mei 2024, dossiernummer 621 Gs 796/24 (106 Js 227/24). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de omschrijving van het feit in onderdeel
- e)van het EAB niet genoegzaam is. Uit de omschrijving van het feit blijkt niet duidelijk genoeg de betrokkenheid van de opgeëiste persoon en waaruit deze betrokkenheid blijkt. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie is de omschrijving van het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht genoegzaam. Het EAB is daarom genoegzaam. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Het volgend is hiervoor van belang. Met de omschrijving in het EAB is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De rechtbank kan aan de hand daarvan onderzoeken of aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan. De opgeëiste persoon wordt namelijk verdacht van het medeplegen van de productie van harddrugs (MDMA). Uit de feitsomschrijving volgt dat een vrachtwagen van het bedrijf van de opgeëiste persoon is gebruikt voor het transport van een grondstof voor de productie van harddrugs. De rol van de opgeëiste persoon is volgens het EAB die van mededader. Hij zou onder meer de inkoop en het transport van de grondstoffen, het verdere transport naar de labs en het magazijn hebben georganiseerd. Ook de pleegperiode en pleegplaatsen worden genoemd. Anders dan de raadsman heeft betoogd, hoeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de verdenking van de productie van verdovende middelen verder ook niet concreet uit te werken of te onderbouwen. Het oordeel over de gegrondheid van de verdenking of over het bewijs is daarbij voorbehouden aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat. De rechtbank merkt nog op dat het hier om een vervolgings-EAB gaat en het onderzoek dus nog gaande is. 4Strafbaarheid 4.1 Gedeelte van het feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Dit deel van het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen; Uit het EAB volgt dat op dit deel van het feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit deel van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Gedeelte van het feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel van het strafbare feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op dit deel van het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Dit deel van het feit levert naar Nederlands recht op: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of te bevorderen, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit maar beroept zich niet op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond. De officier van justitie voert in dat kader aan dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen, dat het feit grotendeels in Duitsland heeft plaatsgevonden, dat het bewijs zich in Duitsland bevindt en dat het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om zelf de opgeëiste persoon te vervolgen voor het strafbare feit. De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Verder is de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond om te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. In het licht van de door de officier van justitie aangedragen argumenten, vormt het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 10a Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Aachen, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 oktober 2024. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
- e)van het EAB. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.