← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:6558

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/252591-24 Datum uitspraak: 23 oktober 2024 UITSPRAAK op de vordering van 8 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 27 juli 2023 door The District Court in Wrocław (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboortedag 1] (Polen) op [geboortedag 2] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [penitentiaire inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een final and binding cumulative judgement of the Regional Court in Oleśnica van 28 oktober 2021, referentie: II K 62/21. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, twee maanden en zesentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde cumulatieve vonnis. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is niet vereist dat het EAB vermeldt welke straffen zijn opgelegd in de vonnissen die ten grondslag liggen aan het cumulatieve vonnis. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover aanvullende informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten. Het cumulatieve vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 3.1.1. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet van toepassing is. 3.1.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onderliggende arrest met kenmerk IV Ka 275/18 en het vonnis met kenmerk II K475/16 op het standpunt gesteld dat moet worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en is voor de procedure in eerste aanleg opgeroepen op het door hem opgegeven adres, zijn gekozen advocaat heeft hoger beroep ingesteld en was aanwezig bij de zitting in hoger beroep. Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K368/19 is de opgeëiste persoon samen met een advocaat verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Gelet hierop is artikel 12 OLW niet van toepassing. Ten aanzien van het cumulatieve vonnis heeft de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding verklaard dat hij wist van de procedure. Uit de aanvullende informatie blijkt ook dat hij zelf heeft verzocht om een verzamelvonnis. De oproep is verstuurd naar de penitentiaire inrichting waar hij gedetineerd was, maar de opgeëiste persoon heeft deze niet in ontvangst kunnen nemen omdat hij was ontsnapt. Daarmee heeft hij stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces. Er moet daarom worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. 3.1.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het EAB een cumulatief vonnis (II K 62/21) ten grondslag ligt. Uit de aanvullende informatie van 4 en 11 september 2024 volgt dat aan het cumulatieve vonnis ten grondslag liggen: een vonnis van the District Court of Oleśnica van 21 oktober 2016 (II K475/16), waartegen hoger beroep is ingesteld, dat heeft geleid tot een arrest van the Regional Court in Wrocław van 26 april 2018 (IV Ka 275/18) en een vonnis van the District Court of Oleśnica van 14 oktober 2019 (II K 368/19). Zowel de onderliggende vonnissen als het cumulatieve vonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, nu bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het cumulatieve vonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de eerder opgelegde straffen zijn samengevoegd en de Poolse rechter een beoordelingsmarge heeft met betrekking tot de duur van de verzamelstraf. Arrest met kenmerk IV Ka 275/18 (II K475/16) Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit de aanvullende informatie van 11 september 2024 blijkt dat de zaak in hoger beroep ten gronde definitief is afgedaan, zodat de rechtbank alleen de procedure in hoger beroep zal toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 11 september 2024 blijkt dat de gekozen advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld (naar de rechtbank aanneemt: op verzoek dan wel met medeweten van de opgeëiste persoon), nadat zij eerder had verzocht om de termijn voor het indienen van het hoger beroep te verlengen. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat de gekozen advocaat aanwezig was bij de zitting in hoger beroep. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep en uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, dan wel minst genomen kennelijk onzorgvuldig is geweest door niet (via zijn gekozen advocaat) te informeren naar het verdere verloop van de procedure in hoger beroep. Overlevering leidt daarom niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Vonnis met kenmerk II K368/19 Uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 11 september 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon (samen met zijn advocaat) aanwezig was bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Gelet hierop is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing. Cumulatief vonnis met kenmerk II K 62/21 In het EAB onder

  1. d)is vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het cumulatieve vonnis heeft geleid. Voorts is vermeld dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van de procedure, een advocaat heeft gemachtigd die hem ook daadwerkelijk ter zitting heeft vertegenwoordigd en aanwezig is geweest om de verdediging te voeren. Uit de toelichting onder d.2. volgt echter dat sprake was van een ex officio aangewezen advocaat, terwijl niets is vermeld over een daadwerkelijke machtiging van die advocaat door de opgeëiste persoon om hem ter zitting te vertegenwoordigen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een cumulatief vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 4 september 2024 volgt dat de opgeëiste persoon persoonlijk heeft verzocht om een cumulatief vonnis. Uit de toelichting onder d.2. in het EAB volgt voorts dat de oproep voor de zitting is verstuurd naar de penitentiaire inrichting waar de opgeëiste persoon een gevangenisstraf uitzat. De opgeëiste persoon heeft de oproep echter niet in ontvangst kunnen nemen, omdat hij is ontsnapt tijdens werkzaamheden buiten de penitentiaire inrichting. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit cumulatieve vonnis heeft geleid, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. 4Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: telkens: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. 5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan The District Court in Wrocław (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  2. e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.M. James - Pater, voorzitter, mrs. R.A. Sipkens en E. de Rooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 oktober 2024. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
  3. e)van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-271/17 (Zdziaszek), ECLI:EU:C:2017:629 Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.