Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2024:6633
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 10512258 \ CV EXPL 23-7206 Vonnis van 25 oktober 2024 in de zaak van de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, eiseres, hierna te noemen: Achmea, gemachtigde: mr. I. van Apeldoorn (GGN Mastering Credit B.V.), tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen.
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 8 december 2023 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft Achmea een akte met producties genomen. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING 1. Bij voormeld tussenvonnis is Achmea in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten: a. welke informatie zij op welke manier voorafgaande/ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde] heeft verstrekt, bijvoorbeeld door het overleggen van schermafdrukken van het bestelproces, b. wanneer de overeenkomst is gesloten en of zij [gedaagde] , indien van toepassing, tijdig heeft gewezen op het ontbindingsrecht, c. of de hiervoor genoemde informatie en voorwaarden aan [gedaagde] zijn verstrekt op de voorgeschreven wijze, of de vordering is gegrond of had kunnen worden gegrond op een beding in de toepasselijke algemene voorwaarden en of dit beding eerlijk is.
Moet ook ambtshalve worden getoetst of het informatiedocument conform artikel 65b lid 1 BGfo is opgemaakt en conform lid 2 is verstrekt, met daarin de informatie genoemd in artikel 66b BGfo?
Toelichting Ingevolge artikel 6:193b lid 1 BW handelt een handelaar onrechtmatig jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is. Een handelspraktijk is onder meer oneerlijk indien daarbij essentiële informatie wordt weggelaten die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193b leden 2 en 3 BW in verbinding met artikel 6:193d leden 1 en 2 BW). Indien het gaat om commerciële communicatie is ingevolge artikel 6:193f, aanhef en onder b BW in ieder geval als essentiële informatie aan te merken de informatie genoemd in artikel 4:20 Wft.
Dit artikel is een implementatie van de richtlijn 2002/65/EG. In artikel 4:20 lid 1 Wft is bepaald dat voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product, niet zijnde een financieel instrument, een financiële dienstverlener de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt informatie verstrekt voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van die dienst of dat product. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in de vorige volzin bedoelde informatie. Dat is gebeurd in de betreffende paragrafen van het BGfo. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de informatie die wordt verschaft met betrekking tot de uitoefening door de consument of cliënt van de in artikel 6:230x lid 1 en 2 BW bedoelde rechten.
In de Wft wordt dus niet alleen uitdrukkelijk verwezen naar 6:230x BW, maar ook naar andere informatie. In richtlijn 2002/65/EG is in artikel 3 en 4 bepaald welke informatie de dienstverlener aan de consument dient te verschaffen en in artikel 5 is bepaald dat de dienstverlener deze informatie én de contractvoorwaarden (tenzij gebruik is gemaakt van een communicatiemiddel waarmee dat niet lukt) ruim voordat de consument is gebonden aan de overeenkomst aan de consument op een duurzame drager dient te verstrekken. In artikel 78 lid BGfo is bepaald dat in afwijking van artikel 77 lid 1 BGfo de financiële dienstverlener de in dat artikel bedoelde informatie bij een overeenkomst op afstand inzake een schadeverzekering, uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekt. Met deze uitzondering op de hoofdregel zou niet worden afgedaan aan de bescherming van de consument, omdat de consument, mocht uit de na de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst verstrekte informatie blijken dat het product toch niet voor hem geschikt is, hij gebruik kan maken van zijn recht op ontbinding conform artikel 4:28 van de Wft. De vraag is echter of de consument daar daadwerkelijk achteraf nog van gebruikmaakt en of het belang om vooraf te weten waaraan hij zich bindt niet zwaarder weegt.
In artikel 6:230h lid 2 BW is bepaald dat afdeling 2b titel 5 van boek 6 BW niet van toepassing is op een overeenkomst betreffende financiële producten en diensten met uitzondering van paragraaf 1 en 6 van deze afdeling.
In paragraaf 6 van afdeling 2b titel 5 BW is met betrekking tot verzekeringen ten aanzien van de informatieplichten alleen in artikel 6:230x BW bepaald dat de consument een ontbindingsrecht heeft en in artikel 6:230y BW dat pas met de uitvoering van een overeenkomst een begin gemaakt mag worden na toestemming van de consument.
In artikel 11 van de richtlijn 2002/65/EG is als overwogen bepaald dat de lidstaten voorzien in passende sancties voor inbreuken door de aanbieder op krachtens deze richtlijn aangenomen nationale bepalingen en dat deze sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn.
Verder geldt dat artikel 6:227b lid 2 BW bepaalt dat de dienstverlener voor of bij het sluiten van een overeenkomst langs elektronische weg de voorwaarden daarvan, niet zijnde algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 6:231 BW, op zodanige wijze aan de wederpartij ter beschikking stelt, dat deze door hem kunnen worden opgeslagen zodat deze voor hem toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming. Lid 5 van dit artikel bepaalt dat zolang de dienstverlener deze informatie niet heeft verstrekt de wederpartij de overeenkomst kan ontbinden. Dit artikel is een implementatie van de e-commerce richtlijn 2000/31/EG.
Gelet op het bovenstaande is geoordeeld dat Achmea behalve informatie over het ontbindingsrecht ook andere essentiële informatie zoals genoemd in artikel 3 en 4 van de richtlijn 2002/65/EG en ook uitgewerkt in de richtlijn 2016/97 aan de consument voorafgaande aan de overeenkomst op een duurzame drager dient te verstrekken en dat dit ambtshalve getoetst dient te worden. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder Hof van Justitie) heeft immers op grond van het effectiviteitsbeginsel geoordeeld dat de nationale rechter een aantal bepalingen van richtlijnen van de Europese Unie inzake consumentenbescherming ambtshalve toepast, ook als dat in strijd zou zijn met bepalingen van nationaal recht. Dat is volgens het Hof van Justitie gerechtvaardigd omdat het door die richtlijnen uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt, over minder informatie dan de verkoper beschikt en een niet te verwaarlozen gevaar bestaat dat de consument met name uit onwetendheid geen beroep zal doen op de rechtsregel die ertoe strekt hem te beschermen.
Voorts geldt dat de kantonpraktijk (net als Achmea) niet alleen te maken heeft met schadeverzekeringen maar ook met andere verzekeringen, zoals zorgverzekeringen. Er wordt vanuit gegaan dat de antwoorden op deze vragen ook toepasbaar zijn op andere verzekeringen, zoals zorgverzekeringen die bestaan uit basis- en aanvullende verzekeringen. Als dat niet zo is, wordt verzocht duidelijk te motiveren waarom de antwoorden alleen betrekking hebben op schadeverzekeringen als de onderhavige.
Vraag 2 Als (het sluiten van) de overeenkomst niet ambtshalve hoeft te worden getoetst betekent dat dan ook dat niet ambtshalve mág worden getoetst en/of dat consumenten op schending van informatieplichten of het niet verstrekken daarvan op een duurzame drager zelf geen beroep kunnen doen?
Vraag 3 Wanneer is voldaan aan de vereisten van een duurzame drager als genoemd in artikel 5 van de richtlijn 2002/65/EG en artikel 49a lid 2 en 78 BGfo?
Toelichting In de richtlijn 2002/65/EG is een duurzame drager gedefinieerd als ieder hulpmiddel dat de consument in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt. In het arrest van het Hof van Justitie van 25 januari 2017 (Bawag) is verder bepaald dat als informatie wordt medegedeeld via een mailbox die een onderdeel vormt van een e-bankingwebsite, informatie slechts kan worden geacht op een duurzame drager te zijn verstrekt indien aan twee voorwaarden is voldaan:
Daarbij geldt dat aangenomen wordt dat alle informatie op de website en op de mijn-omgeving door de verzekeraar wordt beheerd en dus ook door haar veranderd kan worden, althans tot op heden is nog niet aangetoond dat het technisch onmogelijk is dat de dienstverlener geen invloed heeft op de mijn-omgeving. De informatie daarop is dan ook niet uit haar macht gebracht. Conclusie zou dan zijn dat slechts sprake is van een digitale duurzame drager als de informatie op een pdf-bestand als bijlage aan de consument is toegezonden per e-mail. In onderhavige zaak (zie hiervoor onder 3) zijn volgens de verzekeraar de algemene voorwaarden in het bestelproces voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst via een link raadpleegbaar geweest voor [gedaagde] en bestond de mogelijkheid de algemene voorwaarden te downloaden en op te slaan. [gedaagde] diende verder een vinkje te zetten dat hij de algemene voorwaarden heeft gelezen voordat hij de overeenkomst kon sluiten.
Na het tot stand komen van de overeenkomst op 25 augustus 2021 zijn, volgens Achmea, op 26 augustus 2021 de algemene voorwaarden met het polisblad per e-mail als pdf-bestand aan [gedaagde] gestuurd met daarbij het bericht dat de algemene voorwaarden en de polis eveneens raadpleegbaar zijn in de mijn-omgeving en met de mededeling dat de verzekering binnen veertien dagen kosteloos kan worden opgezegd. Dit blijkt echter niet uit het overgelegde emailbericht. In het e-mailbericht is vermeld, voor zover van belang: ”U krijgt de groene kaart(en) digitaal. (…) Hij staat voor u klaar in MijnFBTO” en “Alle informatie over uw verzekering vindt u in MijnFBTO. Bekijk uw polis, persoonlijke polisvoorwaarden en groene kaart(en) in mijn FBTO.
Zo heeft u alle informatie over uw verzekering bij elkaar. Ook vindt u in MijnFBTO een samenvatting van de verzekering in het informatiedocument. (…)” Daaruit blijkt dat de stukken slechts raadpleegbaar waren in MijnFBTO, een door FBTO/Achmea beheerde mijn-omgeving. Vraag 4Als niet of niet geheel is voldaan aan de informatieplichten, moet dan een sanctie worden opgelegd en zo ja, wat is dan een passende sanctie? Is daarbij een verschil te maken tussen het niet verstrekken van informatie (in het kader van de verplichting tot het verstrekken van informatie) of het niet verstrekken van contractvoorwaarden (in het kader van het toetsen of kernbedingen transparant en vervolgens oneerlijk zijn ingevolge de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG)?
Toelichting In kantonzaken, waar de verzekeraar meestal premieachterstanden vordert, ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten en te sanctioneren met een passend percentage. De vraag is of dit ook geldt voor het niet (tijdig) meedelen van het ontbindingsrecht. Op overtreding van artikel 6:230x BW is, anders dan in artikel 6:230o lid 2 BW, geen specifieke wettelijke sanctie gesteld. Vraag is of voor het niet mededelen van het ontbindingsrecht van artikel 6:230x BW niet ook de sanctie van artikel 6:230o lid 2 BW passend is? Vraag is verder of dit ook toepasbaar is als de consument juist uitvoering van de verzekering vraagt, of zich beroept op de verzekeringsvoorwaarden, maar deze anders (lees: voor hem gunstiger) uitlegt dan de verzekeraar.
In dat kader wordt gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 20 april 2023 (Ocidental). Daar waren de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden van de overeenkomst niet vóór het sluiten van de overeenkomst verstrekt, hetgeen leidde tot de conclusie dat deze kernbedingen niet transparant waren en dat de bedingen daarom vervolgens verder getoetst moesten worden aan de richtlijn oneerlijke bedingen op oneerlijkheid. Het enkele feit dat de bedingen niet van te voren waren verstrekt, was nog geen reden om deze geheel te vernietigen of om te concluderen dat deze niet van toepassing waren op de overeenkomst. Uit dit arrest zou daarom kunnen worden afgeleid dat het geen passende sanctie is om, als informatieplichten zijn geschonden, bijvoorbeeld doordat de polisvoorwaarden niet of niet op een duurzame drager zijn verstrekt, de consument alleen daarom (ambtshalve) al niet gebonden te achten aan de verzekeringsvoorwaarden.
Als dat wel het geval zou zijn geweest was het Hof van Justitie immers niet aan toetsing van de bedingen aan de richtlijn oneerlijke bedingen toegekomen en had zij deze direct al buiten toepassing gelaten c.q. vernietigd.Daarbij lijkt het in de praktijk tot een redelijke oplossing te leiden als bij niet-naleving van de informatieplichten procentueel wordt gekort op de door de verzekeraar ingestelde vordering in plaats van de niet verstrekte verzekeringsvoorwaarden geheel niet van toepassing te verklaren op de overeenkomst. Het lijkt niet wenselijk en ook niet redelijk om te concluderen dat de consument niet gebonden is, zeker niet als slechts niet is voldaan aan het verstrekken van informatieplichten op een duurzame drager.
Als alleen niet aan de voorwaarden van verstrekking op een duurzame drager is voldaan en de sanctie daarop zou zijn dat de voorwaarden niet van toepassing zijn, zou dit tot onbevredigende resultaten kunnen leiden, zoals dat de consument die zijn huis zelf in brand steekt desondanks recht op schadevergoeding zou kunnen hebben, terwijl van een redelijk handelend consument toch wel mag worden verwacht dat hij ook weet, zonder dat de voorwaarden van de verzekering op een duurzame drager aan hem zijn toegestuurd, dat geen recht op vergoeding van schade bestaat als hij zelf de brand heeft aangestoken.
BESLISSING De kantonrechter: stelt de Hoge Raad de prejudiciële vragen zoals vermeld in rechtsoverweging 9; verzoekt de Hoge Raad deze vragen niet eerder in behandeling te nemen dan is bepaald in rechtsoverweging 10; verwijst de zaak naar de rolzitting van 22 november 2024 om 10.00 uur voor akte uitlating aan de zijde van Achmea over de hiervoor geformuleerde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad; houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2024 in tegenwoordigheid van mr. T.C. van Andel, de griffier.
811