vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Team Strafrecht Parketnummers: 13/072685-24 en 13/226085-22 (tul) Datum uitspraak: 27 september 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 27 september 2024 De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Sietsma, naar voren hebben gebracht. 2Beschuldiging Verdachte wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – van beschuldigd dat hij op 1 maart 2024 in Amsterdam: heeft gehandeld in verschillende soorten harddrugs en/of deze drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad; de handel in en/of invoer van verschillende soorten harddrugs heeft voorbereid en bevorderd. De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten kunnen worden bewezen, mede gelet op de verklaring die verdachte op de zitting heeft afgelegd. De officier van justitie sluit zich ten aanzien van de drugs onder feit 1 aan bij de hoeveelheden zoals in de laboratoriumrapporten staan vermeld. De onder 2 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs heeft verdachte gepleegd door MDMA, cocaïne, metamfetamine, 4-CMC, een personenauto, een geldbedrag van € 1.435,25 en een volle doos gripzakjes voorhanden te hebben gehad. Voornoemde goederen en het geldbedrag zijn, gezien de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen, als Opiumwetgerelateerd aan te merken en bestemd voor de handel daarin. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 vindt de officier van justitie dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde amfetamine, omdat dit 2MMC blijkt te zijn. Dit is geen middel dat op de bij de Opiumwet behorende lijst I staat vermeld. Ook moet verdachte van de onder feit 1 te veel ten laste gelegde hoeveelheden partieel worden vrijgesproken. Verder is het standpunt van de officier van justitie dat verdachte moet worden vrijgesproken van medeplegen, omdat dit niet op basis van het dossier kan worden bewezen. Tot slot is het standpunt van de officier van justitie dat verdachte van het onder feit 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van ketamine en een contant geldbedrag van € 300,- partieel moet worden vrijgesproken. Ketamine is geen versnijdingsmiddel en maakt geen onderdeel uit van feit 1 op de tenlastelegging. Het geldbedrag van € 300,- is niet aangetroffen in combinatie met verdovende middelen, of daarop gelijkende waar. 3.
- Standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd en heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. 3.
- Oordeel van de rechtbank 3.3.
- Feiten en omstandigheden Onder verdachte zijn verschillende soorten drugs in beslag genomen. Deze zijn door de forensische opsporing in het laboratorium getest. De rechtbank stelt op grond van de rapporten vast dat verdachte onder andere 1,59 gram cocaïne, 3,99 gram MDMA, 3,98 gram metamfetamine en 3,71 gram 4CMC bij zich droeg. 3.3.
- Bewezenverklaring opzettelijk handelen in en aanwezig hebben van harddrugs en partiële vrijspraak (feit 1) Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij bovengenoemde drugs bij zich had en dat hij deze drugs wilde gaan verkopen. Op basis van deze verklaring is bewezen dat verdachte opzet had op het vervoeren en aanwezig hebben van de harddrugs. Van de meer ten laste gelegde hoeveelheden wordt verdachte vrijgesproken. Niet is bewezen dat verdachte heeft gehandeld in amfetamine of dat opzettelijk aanwezig heeft gehad, omdat uit het laboratoriumrapport blijkt dat dit middel geen amfetamine, maar 2MMC is. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit ten laste gelegde onderdeel. 3.3.
- Bewezenverklaring voorbereidingshandelingen en partiële vrijspraak (feit 2) Bewezenverklaring Bewezen is dat verdachte opzettelijk de handel in MDMA, cocaïne, metamfetamine en 4CMC heeft voorbereid en bevorderd. Verdachte reed in een personenauto, terwijl hij de verschillende soorten drugs – verpakt in gripzakjes en wikkels en dus kant en klaar verpakt voor de verkoop – in zijn onderbroek droeg. Op basis van deze omstandigheden en de verklaring van verdachte op de zitting stelt de rechtbank vast dat verdachte van plan was de drugs te gaan verkopen, afleveren, verstrekken en dat hij wist dat de drugs en de auto daarvoor bestemd waren. Verdachte heeft zich daarom schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. Partiële vrijspraak medeplegen Niet is bewezen dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander. De rechtbank spreekt hem daarom vrij van medeplegen. Partiële vrijspraak voorbereidingshandelingen Ook is niet bewezen dat verdachte – om de handel in de drugs voor te bereiden – amfetamine, ketamine (versnijdingsmiddel), een geldbedrag en een volle doos gripzakjes voorhanden heeft gehad. De rechtbank spreekt verdachte van deze ten laste gelegde onderdelen vrij. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Zoals overwogen onder feit 1, blijkt het middel dat als amfetamine op de tenlastelegging omschreven staat, 2MMC te zijn. Verder is op basis van het dossier niet vast te stellen dat ketamine een versnijdingsmiddel is of dat het als versnijdingsmiddel bij MDMA, cocaïne, metamfetamine of 4-CMC wordt gebruikt. De rechtbank kan op basis van het dossier ook niet vaststellen dat verdachte het geldbedrag, in totaal ongeveer € 1.741,25, voorhanden had om de handel in harddrugs voor te bereiden of te bevorderen. Met betrekking tot de volle doos gripzakjes, is niet bewezen dat verdachte daarvan wetenschap had. 4Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte: 1.op 1 maart 2024 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad met handelsindicatie, - 1,59 gram cocaïne (goednummer 6469709) en - 3,99 gram MDMA (goednummer 6469715) en - 3,98 gram metamfetamine (goednummer 6469729) en - 3,71 gram 4-CMC (goednummer 6469732), telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2.op 1 maart 2024 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van MDMA en cocaïne en metamfetamine en 4-CMC, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen de navolgende voorwerpen: - MDMA en cocaïne en metamfetamine en 4-CMC in dealgeschikte verpakkingen - een personenauto voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.
- Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een jeugdsanctie moet worden opgelegd en heeft gelet daarop gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren. In de strafeis heeft de officier van justitie de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte meegewogen. Hij ziet geen aanknopingspunten voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden, omdat verdachte al door de reclassering wordt begeleid in het kader van een lopend toezicht in de zaak met parketnummer 13/
- 7.
- Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht een jeugdsanctie op te leggen en de door de officier van justitie geëiste werkstraf te matigen naar 60 uren. De verdediging heeft daarbij verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte maakt een moeilijke periode door in zijn leven, omdat zijn moeder kanker heeft en onlangs een vriend van verdachte is overleden. De verdediging ziet net als de officier van justitie geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden in deze zaak. 7.
- Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Hij droeg verschillende soorten drugs bij zich in wikkels en gripzakjes en was van plan deze te gaan verkopen. Door zijn handelen is verdachte medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Harddrugs zijn zeer verslavend en schadelijk voor de gezondheid van de gebruiker. Dit maakt dat het gebruik flinke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt. Daar komt bij dat de handel van harddrugs in het algemeen vaak gepaard gaat met diverse vormen van (zware) criminaliteit, met geweld, schade en overlast tot gevolg. Persoon van verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte al eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 18 juli 2024 over verdachte. Hieruit blijkt dat sprake is van een delictpatroon als het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. Risicofactoren voor recidive zijn de financiën van verdachte, de gezinssituatie en het psychosociaal functioneren. Positief is dat verdachte de afgelopen maanden zijn leven een positievere wending lijkt te hebben gegeven. Ook verloopt het reclasseringstoezicht goed en lijkt verdachte gemotiveerd te zijn om zijn problemen op te lossen. De reclassering adviseert een jeugdsanctie op te leggen. Ten aanzien van de op te leggen straf wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Toepassing jeugdstrafrecht Omdat verdachte al wel 18 maar nog geen 23 jaar is, kan volgens de wet aan hem een straf uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd, als daar aanleiding voor is. De rechtbank kan zich vinden in het advies van de reclassering en legt verdachte een jeugdstraf op. Hierbij weegt de rechtbank met name mee dat verdachte pedagogisch beïnvloedbaar lijkt te zijn en dat verdachte ook op de zitting heeft laten zien dat hij open staat voor hulp. De LOVS oriëntatiepunten De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de afspraken voor strafoplegging bij jeugdigen die de rechtbanken onderling hebben gemaakt (de LOVS oriëntatiepunten). Voor het aanwezig hebben van 5 tot 25 gram harddrugs is het uitgangspunt een werkstraf van 60 tot 120 uren. Bij een dealerindicatie of drugsrunners is het uitgangspunt een werkstraf vanaf 120 uren. De straf De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie een passende straf is voor de door verdachte gepleegde feiten, maar dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding bestaat de hoogte van de straf te matigen. De rechtbank heeft namelijk gemerkt dat de thuissituatie, de ziekte van zijn moeder en het overlijden van een van zijn vrienden een grote impact heeft (gehad) op het leven van verdachte. Ook is het belangrijk dat verdachte met een studie kan starten en zijn baan behoudt, zodat hij zijn schulden verder kan aflossen en de positieve gedragsverandering die hij heeft laten zien, kan blijven voortzetten. Een hoge werkstraf zou dit alles kunnen belemmeren. De rechtbank heeft in strafmatigende zin meegewogen dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door openheid van zaken te geven op de zitting. De rechtbank is van oordeel, net als het standpunt van de officier van justitie en raadsman, dat er geen deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden hoeft te worden opgelegd. Deze zijn immers al aan de voorwaardelijke straf bij vonnis van 18 juli 2023 in de zaak met parketnummer 13/226085-22 verbonden. Conclusie De rechtbank legt aan verdachte een werkstraf van 60 uren met aftrek van voorarrest op. Ook zal het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte worden opgeheven. 8Beslag Onder verdachte zijn volgens de beslaglijst geldbedragen en drugs in beslag genomen. 8.
- Standpunt van partijen De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de drugs moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het geldbedrag van in totaal € 860,- moet verbeurd worden verklaard, omdat verdachte met betrekking tot dat bedrag het door hem onder 2 bewezen geachte heeft begaan. Het geldbedrag van € 300,- dat in de jas is aangetroffen moet volgens de officier van justitie aan verdachte worden teruggegeven, omdat hij niet bewezen vindt dat met betrekking tot dit geldbedrag het onder 2 bewezen geachte is begaan. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de drugs. Het volledige geldbedrag moet worden teruggegeven aan verdachte. 8.
- Oordeel van de rechtbank Onttrekking aan het verkeer Artikel 13a van de Opiumwet houdt in dat de in lijst I of II bedoelde middelen verbeurd of aan het verkeer onttrokken worden verklaard. De rechtbank zal de verdovende middelen die in beslag genomen zijn, onttrekken aan het verkeer omdat het bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Teruggave aan de verdachte De rechtbank is van oordeel dat het volledige geldbedrag niet vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat niet is bewezen dat met betrekking tot de geldbedragen het onder 2 bewezen verklaarde is begaan. De geldbedragen worden daarom aan verdachte teruggegeven. 9Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevindt zich de op 30 mei 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/226085-22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 18 juli 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam. Verdachte is bij dit vonnis veroordeeld tot een werkstraf van 75 uren, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarnaast bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. 9.
- Standpunt van partijen De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, maar in plaats daarvan de daaraan verbonden proeftijd met één jaar wordt verlengd. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan de proeftijd een bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd, te weten ambulante begeleiding. De raadsman heeft zich bij de vordering van de officier van justitie aangesloten. 9.
- Oordeel van de rechtbank Uit de verdere inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zodat in beginsel termen aanwezig zijn de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank daartoe niet overgaan, maar de proeftijd met één jaar verlengen en daaraan een extra bijzondere voorwaarde toevoegen, te weten ambulante behandeling. De rechtbank weegt hierin mee dat verdachte een aantal zaken in zijn leven op orde heeft, maar dat de reclassering meerwaarde ziet in continuering van het goed verlopende toezicht en adviseert om daaraan ambulante behandeling als extra bijzondere voorwaarde toe te voegen. Hiermee kan het herhalingsgevaar worden ingeperkt. Dat advies volgt de rechtbank. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 77c, 77g, 77m, 77n en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 13a van de Opiumwet. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: eendaadse samenloop van - opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en - opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd Ten aanzien van feit 2: - om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Verklaart onttrokken aan het verkeer: - nr. 4: Goednr. 6469705: 7 STK Verdovende Middelen; - nr. 5: Goednr. 6469709: 2 STK Verdovende Middelen; - nr. 6: Goednr. 6469713: 2 STK Verdovende Middelen; - nr. 7: Goednr. 6469715: 4 STK Verdovende Middelen; - nr. 8: Goednr. 6469729: 4 STK Verdovende Middelen; - nr. 9: Goednr. 6469732: 4 STK Verdovende Middelen; - nr. 10: Goednr. 6469761: 3 STK Verdovende Middelen. Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte]: - nr. 1: Goednr. 6469757: € 1.160,- IBG: 4 maart 2024; - nr. 2: Goednr. 6469745: € 6,25 IBG: 1 maart 2024; - nr. 3: Goednr. 6469738: €570,- IBG: 1 maart
- Verlengt de bij vonnis van 18 juli 2023 in de zaak met parketnummer 13/226085-22 bepaalde proeftijd met 1 (één) jaar. Voegt aan het in de zaak met parketnummer 13/226085-22 opgelegde toezicht de volgende bijzondere voorwaarde toe: - Ambulante begeleiding Veroordeelde werkt mee aan ambulante begeleiding, geboden door IFA, onderdeel van Levvel, of een soortgelijke organisatie. De begeleiding duurt zo lang als de reclassering het nodig acht. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Smit, voorzitter, mrs. B. Kuppens en M.A. Boerhorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2024.