← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:6902

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-242444-24 Datum uitspraak: 24 oktober 2024 UITSPRAAK op de vordering van 29 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juli 2022 door the Regional Court of Toruń, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, nu gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang zitting 25 september 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 september 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 9 oktober 2024 De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 9 oktober 2024 het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in rubriek 4 van de tussenuitspraak vermelde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Zitting 24 oktober 2024 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 24 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak Bij tussenuitspraak van deze rechtbank van 9 oktober 2024 is reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de strafbaarheid van de feiten die ten grondslag liggen aan de vonnissen 1 en

  1. De overwegingen van de rechtbank daarover dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de tussenuitspraak is overwogen dat ook de strafbaarheid van het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis 4 (een triggerend feit dat mede heeft geleid tot de beslissing tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis 1 opgelegde voorwaardelijke straf) moet worden getoetst. In het kader daarvan is het onderzoek heropend teneinde aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen voor welk feit de opgeëiste persoon is veroordeeld bij vonnis 4 en welke rechterlijke instantie dit vonnis heeft gewezen. De rechtbank constateert dat deze vragen (en de antwoorden daarop) niet relevant zijn voor de beoordeling. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak al geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is ten aanzien van vonnis 4, aangezien de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. De rechtbank stelt vast dat de overlevering niet wordt verzocht voor de straf die in vonnis 4 is opgelegd voor dit (triggerend) feit. De dubbele strafbaarheid van dit feit behoeft derhalve niet te worden beoordeeld. 4Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5Slotsom De rechtbank stelt ten aanzien van vonnissen 1 en 3 vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe voor de feiten die grondslag liggen aan de vonnissen 1 en 3 zoals vermeld in rubriek 3 van de tussenuitspraak van 9 oktober
  2. Ten aanzien van vonnis 2 stelt de rechtbank vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd voor de feiten die ten grondslag liggen aan vonnis
  3. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 311 en 312 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, 7 en 12 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Toruń, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij het vonnis van the District Court in Toruń van 11 juli 2019, met referentie II K 1048/18 (vonnis 1) en; een penal order van the District Court in Toruń van 23 juli 2020, met referentie VIII K 698/20 (vonnis 3). WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij de penal order van the District Court in Toruń van 9 maart 2021, met referentie VIII K 538/20 (vonnis 2). Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 oktober
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2024:6122 Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.
  5. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.