RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/997084-18 (zaak A), 13/997034-19 (zaak B) en 13/997053-19 (zaak C) Datum uitspraak: 27 februari 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, gedetineerd. Inhoudsopgave 1Onderzoek 1.1 Onderzoek ter terechtzitting 1.2 Inleidende opmerkingen 1.2.1 Werkwijze van de rechtbank 1.2.2 Start van het onderzoek 1.2.3 Procesdossier Marengo 2Tenlastelegging 3Voorvragen 3.1 Geldigheid van de dagvaarding 3.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 3.3 Conclusie ten aanzien van de voorvragen 4Waardering van het bewijs 4.1 De kroongetuige 4.1.1 Inleiding 4.1.2 Totstandkoming van de overeenkomst 4.1.3 Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst 4.1.4 Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst 4.1.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling? 4.1.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan? 4.1.4.3 Samenvatting en conclusie 4.1.5 Betrouwbaarheid van de kroongetuige 4.1.5.1 Verweer van de verdediging 4.1.5.2 Oordeel van de rechtbank 4.1.6 Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU? 4.2 PGP-bewijs 4.3 PGP-identificatie 4.3.1 Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo 4.3.2 Identificatie e-mailadressen overige gebruikers 4.4 Zaaksdossier Zeilboot 4.5 Zaakdossier Plato 4.5.1 Inleiding 4.5.2 Standpunten 4.5.3 Feiten en omstandigheden 4.5.3.1 Resultaten doorzoeking [adres] 4.5.3.2 Periode van 28 en 29 november 2016 4.5.3.3 30 november 2016 4.5.3.4 Periode van 1 en 2 december 2016 4.5.3.5 Periode van 2 en 3 december 2016 4.5.3.6 3 december 2016 4.5.3.7 Periode van 4 en 5 december 2016 4.5.4 Oordeel van de rechtbank 4.5.4.1 Poging tot moord? 4.5.4.2 Slotoverweging 4.6 Zaaksdossier Roos/Doorn 4.6.1 Inleiding 4.6.2 Standpunten 4.6.3 Feiten en omstandigheden 4.6.3.1 Telefoonnummers 4.6.3.2 Auto’s regelen 4.6.3.3 [betrokkene 1] invalide maken 4.6.3.4 [betrokkene 1] naar de hel sturen 4.6.3.5 7 januari 2017 4.6.3.6 8 januari 2017 4.6.3.7 Avond van 9 januari en nacht van 9 op 10 januari 2017 4.6.3.8 Periode van 10 en 11 januari 2017 4.6.3.9 Nacht van 11 op 12 januari 2017 4.6.3.10 Avond van 12 januari 2017 4.6.3.11 13 januari 2017 4.6.3.12 Auto herkend 4.6.3.13 Gesprek [medeverdachte 1] met familie [slachtoffer 1] 4.6.3.14 Incident 14 januari 2017 4.6.3.15 Loods in Landsmeer 4.6.3.16 Aantreffen Seat Ibiza 4.6.3.17 Ontmoeting [medeverdachte 1] met [betrokkene 2] 4.6.4 Oordeel van de rechtbank 4.6.4.1 Betrouwbaarheid verklaringen van [medeverdachte 1] 4.6.4.2 Rol van [verdachte] 4.6.4.2.1 Vrijspraak medeplegen 4.6.4.2.2 Opzet op dood [betrokkene 1] ? 4.6.4.2.3 Waarop is de medeplichtigheid gericht? 4.6.4.2.4 Voorbereidingsmiddelen 4.6.4.2.5 Opzet op vergismoord? 4.6.4.2.6 Conclusie 4.7 Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie) 4.7.1 Standpunten 4.7.2 Oordeel van de rechtbank 4.7.2.1 Juridisch kader artikel 140 Sr 4.7.2.2 Gepleegde misdrijven 4.7.2.3 Wagenpark 4.7.2.4 Onderzoek Koper 4.7.2.5 Aangetroffen administraties 4.7.2.6 Verklaringen van [medeverdachte 1] 4.7.2.7 Conclusie ten aanzien van de criminele organisatie 4.7.2.8 Deelname aan de criminele organisatie 5Bewezenverklaring 6Strafbaarheid van de feiten 7Strafbaarheid van verdachte 8Motivering van de straf 8.1 Eis van het Openbaar Ministerie 8.2 Standpunt van de verdediging 8.3 Oordeel van de rechtbank 8.3.1 Ernst van de feiten en persoon van de verdachte 8.3.2 Redelijke termijn 8.3.3 Wet straffen en beschermen 8.3.4 Conclusie 8.3.5 Voorlopige hechtenis 9Beslag 9.1 Standpunten 9.2 Oordeel van de rechtbank 10Toepasselijke wettelijke voorschriften 11Beslissingen Bijlage 1 – Tenlastelegging Bijlage 2 – Overzicht PGP-e-mailadressen en gebruikers Bijlage 3 – Feitenvaststelling overige zaaksdossiers Bijlage 4 – Bewijsoverwegingen criminele organisatie ten aanzien van de medeverdachten Bijlage 5 – Beslaglijst Bijlage 6 – Standpunten en toelichting Openbaar Ministerie met betrekking tot beslag 1Onderzoek 1.1 Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 6 februari 2019, 18 april 2019, 10, 11 en 12 juli 2019, 24 september 2019, 12 en 13 december 2019, 27 en 28 februari 2020, 19 en 28 mei 2020, 11, 12, 13 en 27 augustus 2020, 3 september 2020, 28 en 29 oktober 2020, 3 november 2020, 13, 14 en 15 januari 2021, 11, 12 en 22 maart 2021, 7 en 16 april 2021, 3, 10, 11, 21, 25, 29 en 30 juni 2021, 14, 15, 21 en 22 september 2021, 13 oktober 2021, 14, 16, 17, 20 en 22 december 2021, 1 en 21 maart 2022, 17, 20 en 24 mei 2022, 8, 9, 13, 14, 16, 20, 21, 23 en 28 juni 2022, 13 september 2022, 23 november 2022, 6 december 2022, 22 februari 2023, 27 en 29 maart 2023, 12 april 2023, 17 mei 2023, 14 juli 2023, 6 oktober 2023, 21 december 2023, 6 en 14 februari 2024. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van wat verdachte en zijn verdediging (hierna: de verdediging) naar voren hebben gebracht. 1.2 Inleidende opmerkingen 1.2.1 Werkwijze van de rechtbank Het onderzoek Marengo heeft betrekking op zeventien verdachten. Zestien van hen worden verdacht van betrokkenheid bij een of meer moorden, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Alle verdachten worden beschuldigd van betrokkenheid bij dezelfde criminele organisatie die gericht was op moorden, vuurwapendelicten en gekwalificeerde diefstal. In dit vonnis zijn de overwegingen en beslissingen opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. De rechtbank wijst vandaag ook vonnis in de zaken van de zestien andere verdachten die (grotendeels) gelijktijdig terecht hebben gestaan. De rechtbank zal in plaats van de term ‘verdachte’ steeds de namen van de verdachten gebruiken: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 15] en [medeverdachte 16] . De rechtbank gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere verdachten in het dossier dezelfde achternaam hebben en de hele voornaam als ze ook dezelfde voorletter hebben. Omdat in de zaak van [medeverdachte 1] het onderzoek ter terechtzitting al was aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland treedt de rechtbank in zijn zaak op als de rechtbank Midden-Nederland. In de zaak van [medeverdachte 2] was het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot het onderzoek Zeilboot al aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland op het moment dat de zaak Marengo aanving bij de rechtbank Amsterdam. Dat is de reden dat er in de zaak van [medeverdachte 2] separate vonnissen worden gewezen. Het onderzoek Marengo bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken die onderling met elkaar verweven zijn, door de daarop gebaseerde verdenking van het leidinggeven aan dan wel de deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte in zal gaan, maar waar nodig ook hetgeen is aangevoerd in de zaken van de andere verdachten (ambtshalve) in haar oordeel zal betrekken. 1.2.2 Start van het onderzoek Op 14 januari 2017 heeft [medeverdachte 1] zich na overleg met zijn advocaat laten aanhouden en vanaf dat moment is een kroongetuigetraject gaan lopen. [medeverdachte 1] heeft in 41 kluisverklaringen verklaard over een aantal moorden of pogingen daartoe waar hij deels zelf bij betrokken is geweest. Op 27 december 2017 is dit uitgemond in een overeenkomst met [medeverdachte 1] als kroongetuige. Door zijn verklaringen en door ontsleutelde PGP-berichten is een groot aantal verdachten in beeld gekomen die ervan verdacht worden te behoren tot een organisatie die verantwoordelijk is voor tot op dat moment grotendeels onopgeloste levensdelicten. Het onderzoek dat hieruit voortkwam kreeg de naam Marengo. [medeverdachte 1] was op 5 september 2017, dus al voordat hij de overeenkomst sloot, als verdachte aangehouden in de zaak Roos/Doorn. Op 18 december 2017 is [medeverdachte 7] , op wie de nacht daarvoor een aanslag was gepleegd waarbij hij gewond is geraakt, als eerste verdachte aangehouden in het onderzoek Marengo. In de loop van 2018, 2019 en 2020 zijn de overige verdachten in het onderzoek Marengo aangehouden. 1.2.3 Procesdossier Marengo Het procesdossier bevat (zoveel mogelijk chronologisch) de volgende deelonderzoeken: Rudolf: de moord op [slachtoffer 2] op 9 september 2015 en het beramen van een ontploffing in de spyshop te Nieuwegein in de periode van 15 augustus 2015 tot en met 19 oktober 2015; Ster: de moord op [slachtoffer 3] op 17 april 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 3] en [betrokkene 3] in de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 april 2016; Aker: de moord op [slachtoffer 4] op 9 mei 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 4] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 januari 2016; Kreta: de moord op [slachtoffer 5] op 22 juni 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 5] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016; Tennis: de poging tot moord op [betrokkene 7] op 11 oktober 2016; Plato: de poging tot moord op [betrokkene 8] op 5 december 2016; Zeilboot/Raspvijl: de poging tot moord en de moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016 en de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 2 juli 2016; Roos/Doorn: de moord op [slachtoffer 7] op 12 januari 2017 en het beramen van de moord op [betrokkene 1] in de periode 1 december 2016 tot en met 14 januari 2017; De criminele organisatie in de periode van 16 juli 2015 tot en met 14 januari 2017. Daarnaast bevat het dossier het onderzoek Alpine, dat gaat over een witwasverdenking tegen [medeverdachte 14] . In het strafdossier van iedere verdachte is, behalve het gehele Marengo-dossier (met bovengenoemde negen deelonderzoeken), tevens gevoegd: 10. alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Marengo-verdachten (met uitzondering van de processen-verbaal van de terechtzittingen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten en de processen-verbaal van de terechtzittingen waarin enkel is gepleit of gedupliceerd; deze processen-verbaal maken slechts deel uit van het strafdossier van de desbetreffende verdachte); 10. alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van een of meer van de verdachten zijn opgemaakt. Alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de terechtzittingen maken dus deel uit van het procesdossier, ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het procesdossier voor elke verdachte (afgezien van de persoonsdossiers) gelijkluidend is. 2Tenlastelegging De tenlasteleggingen in de zaken A en B zijn op de zitting van 27 augustus 2020 nader omschreven. De tenlastelegging in zaak C is op die zitting gewijzigd. [verdachte] wordt kort gezegd beschuldigd van het volgende. Zaak A (13/997084-18) Deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk moord, gekwalificeerde diefstal en/of het bezit van vuurwapens en munitie in de periode van 1 januari 2016 tot en met 14 januari 2017 (ZD 140 Sr). Zaak B (13/997034-19) Feit 1: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] , gepleegd op 12 januari 2017 in Utrecht (ZD Roos);Feit 2: Betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord op [betrokkene 1] , gepleegd in de periode van 1 december 2016 tot en met 14 januari 2017 in Zaandam en/of Amsterdam en/of Utrecht (ZD Doorn). Zaak C (13/997053-19) Feit 1: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016 in Laren (ZD Zeilboot); Feit 2: Betrokkenheid bij de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016 in Amsterdam (ZD Zeilboot); Feit 3: Betrokkenheid bij de poging tot moord op [betrokkene 8] op 5 december 2016 in Rotterdam (ZD Plato). De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht. Die bijlage geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1 Geldigheid van de dagvaarding [verdachte] wordt ervan beschuldigd, kort gezegd, dat hij (in vereniging) medeplichtig is geweest aan de voorbereiding van moord op [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) door [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ) en [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10] ) en/of anderen. De verdediging betoogt dat de dagvaarding ten aanzien van dit feit (zaak B, feit 2) nietig moet worden verklaard voor het gedeelte ‘een of meerdere petflessen met een brandbare vloeistof en/of aanstekers’, voor zover het gaat om andere flessen benzine en aanstekers dan die zijn aangetroffen in de Skoda. Onduidelijk is in dat geval welke goederen beoogd zijn door het Openbaar Ministerie. De rechtbank oordeelt dat het aanwezig hebben van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen niet slaat op goederen die [verdachte] voorhanden zou hebben gehad. [betrokkene 9] en [betrokkene 10] (en/of anderen) zouden volgens de tenlastelegging de genoemde voorwerpen op of omstreeks 14 januari 2017 aanwezig gehad hebben, ter uitvoering van de voorgenomen moord op [betrokkene 1] . De tenlastelegging is dan ook voldoende duidelijk. De dagvaarding is geldig. 3.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie In zaken van medeverdachten is verweer gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Voor zover deze verweren het onderwerp ‘de kroongetuige’ betreffen, zijn de overwegingen en beslissingen van de rechtbank van belang in de zaken van alle verdachten. Deze zijn daarom ambtshalve in dit vonnis opgenomen in het hierop volgende hoofdstuk 4 met de titel ‘Waardering van het bewijs’. Voor wat betreft dit gedeelte van het vonnis is de tekst voor alle verdachten gelijkluidend. Als in hoofdstuk 4.1 over ‘de verdediging’ wordt gesproken, wordt daarmee de verdediging van enkele medeverdachten bedoeld. 3.3 Conclusie ten aanzien van de voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 De kroongetuige 4.1.1 Inleiding In dit onderdeel zal de rechtbank de rechtmatigheid beoordelen van de overeenkomst die de Staat der Nederlanden heeft gesloten met [medeverdachte 1] als kroongetuige en daarnaast een oordeel geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die hij heeft afgelegd. De rechtbank zal eerst de totstandkoming van de overeenkomst met [medeverdachte 1] beschrijven. Daarna zal zij de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen. Vervolgens komen de verweren aan bod die de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] betwisten. Hoewel de door de verschillende verdachten gevoerde verweren niet geheel overeenkomen en niet alle verdachten zich over en weer bij alle verweren hebben aangesloten, zal de rechtbank ze gezamenlijk bespreken, ook in de vonnissen van de verdachten namens wie geen verweer gevoerd is. Het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigenovereenkomst ligt op grond van de wettelijke regeling primair bij de rechter-commissaris. Maar als de rechtmatigheid van deze overeenkomst uitdrukkelijk onderbouwd door de verdediging wordt bestreden, moet de rechtbank – als zij oordeelt dat de overeenkomst wel rechtmatig is – de redenen geven die daartoe hebben geleid (artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechtbank dient te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 1] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en/of de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst – in het licht van de gevoerde verweren – binnen de grenzen van het recht is gebleven. 4.1.2 Totstandkoming van de overeenkomst [medeverdachte 1] is op 14 januari 2017 met een vuurwapen in Amsterdam aangehouden en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Dit was een vooropgezet plan, waarover hij met zijn raadsman had overlegd. Na zijn aanhouding heeft hij verteld dat hij klem zat tussen twee groeperingen – de familie [slachtoffer 1] en de groepering rond [medeverdachte 16] –, dat hij zelf betrokken was geweest bij verschillende liquidaties en dat hij bereid was daarover verklaringen af te leggen. In de dagen daarna hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] , bijgestaan door zijn raadsman, het Team Bijzondere Getuigen (TBG) en de aan dat team verbonden officier van justitie (de TBG-officier van justitie). In die gesprekken heeft [medeverdachte 1] gemeld over welke levensdelicten hij zou kunnen verklaren en zijn de voorwaarden voor het afleggen van kluisverklaringen besproken. Uiteindelijk heeft hij tussen 26 januari 2017 en 18 mei 2017 in totaal 41 kluisverklaringen afgelegd. In de maanden daarna heeft een verificatieonderzoek naar deze verklaringen plaatsgevonden. In september 2017 is [medeverdachte 1] als verdachte aangemerkt in het onderzoek Roos en in zijn cel aangehouden. Deze aanhouding was niet gebaseerd op de kluisverklaringen van [medeverdachte 1] (die immers nog in de kluis lagen), maar op andere onderzoeksbevindingen. In november 2017 heeft [medeverdachte 1] een voorovereenkomst ondertekend. Op 20 december 2017 heeft het College van procureurs-generaal toestemming gegeven voor de voorgenomen overeenkomst. Op 27 december 2017 heeft [medeverdachte 1] een overeenkomst gesloten met de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door een officier van justitie, nadat de rechter-commissaris op dezelfde datum deze overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en [medeverdachte 1] had getoetst en rechtmatig had bevonden. De rechter-commissaris heeft deze beslissing op 29 december 2017 schriftelijk vastgelegd en ondertekend. De ondertekende overeenkomst is tekstueel gelijk aan de voorovereenkomst. In de overeenkomst verbindt [medeverdachte 1] zich om als getuige verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (hierna: de dealfeiten) en doet hij afstand van zijn verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Sv. Daarnaast verklaart [medeverdachte 1] dat de inhoud van zijn kluisverklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust. De officier van justitie verbindt zich om bij onverkorte nakoming door [medeverdachte 1] de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op twaalf jaren gevangenisstraf. Daarbij verklaart de officier van justitie dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van vierentwintig jaren zou inhouden. In de overeenkomst is vastgelegd dat [medeverdachte 1] wordt vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding voor deze moord, het medeplegen van de moord op [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 1] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 1] ), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties. [medeverdachte 1] is na het sluiten van de overeenkomst nog tientallen keren, vaak hele dagen lang, verhoord. Vanaf maart 2018 is hij intensief verhoord door de (tactische) recherche. Op de terechtzitting van 11 juli 2019 is er een eerste gelegenheid geweest voor de verdediging om [medeverdachte 1] vragen te stellen. Verspreid over het eerste half jaar van 2020 is hij vervolgens veertien dagen verhoord door de rechter-commissaris, waarbij de verdediging hem voor het eerst uitgebreid vragen kon stellen. Vanaf december 2020 is [medeverdachte 1] meermaals ter terechtzitting verhoord, eerst door de rechtbank en vervolgens door diverse advocaten. Het laatste verhoor ter terechtzitting vond plaats op 6 februari 2024, in de zaak van [medeverdachte 8] . Het dossier bevat in totaal ruim 3.000 pagina’s aan verhoren van [medeverdachte 1] . 4.1.3 Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn diverse verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 1] niet rechtmatig is. Zo is aangevoerd dat de huidige toepassing van de kroongetuigenregeling, zoals door de Hoge Raad is goed gevonden in het Passageproces, niet juist is in het licht van de wetsgeschiedenis. Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is dat een kroongetuige geen koopgetuige mag zijn, maar in de huidige praktijk is de beschermingsovereenkomst een vrijplaats voor het geven van een financiële beloning in ruil voor verklaringsbereidheid. Enig rechterlijk toezicht ontbreekt, terwijl artikel 226j lid 3 Sv daarvoor wel een aanknopingspunt biedt. In deze zaak zijn er door de iPhone-berichten van [medeverdachte 1] sterke aanwijzingen dat er een toezegging is gedaan van een buitenproportionele beloning. Uit die berichten blijkt dat [medeverdachte 1] geld wil zien en zelf een causaal verband legt tussen dat geld en zijn verklaringen. Dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever en daarmee in strijd met de wet en dus onrechtmatig. Doordat de verdediging geen inzicht wordt verschaft in de financiële inhoud van de beschermingsovereenkomst, een rechter hier geen kennis van heeft kunnen nemen en de vragen aan de kroongetuige over zijn financiële verwachtingen werden belet, kan niet worden volgehouden dat de verdediging een redelijke gelegenheid heeft gehad om de wederrechtelijkheid van de afspraken met de kroongetuige, waaronder de mogelijkheid van de beïnvloeding van de betrouwbaarheid van die getuige door die overeenkomst, te presenteren. Dit is een schending van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vervatte ‘equality of arms’. Daar komt bij dat aannemelijk is dat de verklaringen van de kroongetuige, indien deze worden gebruikt, van doorslaggevend belang zullen zijn, maar er geen maatregelen zijn getroffen ter compensatie van het gebrek aan kennis van de verdediging over de totstandkoming van de overeenkomst. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat er aan [medeverdachte 1] ongeoorloofde toezeggingen zijn gedaan. Zo beweert hij zelf dat hem is toegezegd dat de straf die aan hem is opgelegd voor het wapenbezit op 14 januari 2017 op enigerlei wijze in de executiefase zou worden verdisconteerd in de aan hem op te leggen straf in de zaak Marengo. Als door het Openbaar Ministerie verdiscontering van de voornoemde straf is afgesproken, dan staat vast dat [medeverdachte 1] in strijd met de wet meer korting op zijn straf toegezegd heeft gekregen dan is toegestaan. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en derhalve is er wederom sprake van een schending van artikel 6 EVRM. Ook het feit dat bij de strafeis rekening wordt gehouden met de inmiddels gewijzigde regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de v.i.-regeling) – waardoor netto slechts acht jaren gevangenisstraf resteert – levert volgens de verdediging een grotere korting op de straf op dan wettelijk is toegestaan. Daar komt bij dat de overeengekomen bruto-strafeis van vierentwintig jaren – vergeleken met de strafeisen in de zaken van de medeverdachten – al disproportioneel laag was. Bovendien is sprake van ontoelaatbare toezeggingen door [medeverdachte 1] niet te vervolgen in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, door hem niet te vervolgen voor Opiumwetdelicten, door het ongemoeid laten van het financiële voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken) en door de begunstiging van de levenspartner van [medeverdachte 1] . Dit geldt ook voor de keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen van [medeverdachte 1] . Hij wordt in de zaak Kreta – anders dan zijn medeverdachten – niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op de broers [betrokkene 6] en [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) en [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), hoewel hij daartoe wel handelingen heeft verricht. In de zaak Roos/Doorn wordt hij de facto niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 1] , nu dit meer subsidiair ten laste is gelegd en daar dus niet aan toe gekomen zal worden. Tot slot stelt de verdediging dat er een extra begunstiging zit in bepaling 4.2 van de overeenkomst, waarin staat dat als [medeverdachte 1] de overeenkomst niet is nagekomen, hij een redelijke termijn krijgt om dat alsnog te doen. Dit is een toezegging die buiten het kader van artikel 226g Sv valt. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en een onrechtmatige overeenkomst gesloten. Ook dit levert een schending van artikel 6 EVRM op. 4.1.4 Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst 4.1.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling? In de Passage-arresten van 23 april 2019 heeft de Hoge Raad de door het gerechtshof Amsterdam geschetste kaders waarbinnen de kroongetuigenregeling moet worden toegepast, bevestigd. Kern is volgens de Hoge Raad ‘dat toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en evenmin kunnen worden beschouwd als afspraken in de zin van art. 226g, vierde lid, Sv, zodat voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat dergelijke toezeggingen bekend te maken en deze ook geen voorwerp zijn van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv of door de zittingsrechter’. Dat is de wettelijke regeling zoals zij op dit moment is. De omstandigheid dat er in de wetenschap en in de politiek af en toe gepleit wordt voor een aanpassing van de regeling en de invoering van een onafhankelijke toetsing van de op grond van artikel 226l Sv gesloten beschermingsovereenkomst, doet daaraan niet af. Voor een toetsing van de beschermingsovereenkomst door de rechter-commissaris biedt artikel 226j lid 3 Sv thans in ieder geval geen grondslag. Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is – daar heeft de verdediging gelijk in – dat de verklaring van de kroongetuige niet ‘gekocht’ mag worden. Anderzijds zullen de beschermingsmaatregelen die uiteindelijk worden getroffen veelal ook een financiële component bevatten. Een kroongetuige zal eenmaal op vrije voeten immers een nieuw bestaan moeten opbouwen en dat kost geld. De stelling van de verdediging dat er sterke aanwijzingen zijn dat er in het onderhavige geval sprake is van een koopgetuige en dat er (dus) een causaal verband is tussen de verklaringen van de kroongetuige (c.q. zijn verklaringsbereidheid) en een beloning, volgt de rechtbank echter niet. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de verdediging ingebrachte chats van de kroongetuige met familieleden, die zijn teruggevonden op de iPhone die hij in de periode september 2017 tot medio februari 2018 heimelijk in zijn cel heeft gehad. Op grond van die berichten lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 1] in het kader van de beschermingsovereenkomst zoveel mogelijk geld wilde ontvangen. Er is echter geen aanknopingspunt voor de stelling dat er vervolgens ook daadwerkelijk zulke hoge geldbedragen aan [medeverdachte 1] zijn toegezegd, dat die redelijkerwijs niet meer met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht. Redengevend is daarbij dat de door de verdediging geciteerde berichten weliswaar duidelijk maken dat [medeverdachte 1] bepaalde financiële wensen heeft, maar dat nergens blijkt dat het Openbaar Ministerie deze wensen vervolgens ook heeft gehonoreerd. Verder dateren de berichten waarin [medeverdachte 1] zijn wensen aan zijn familieleden kenbaar maakt, voor een deel van januari 2018, dus van na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst op 27 december 2017 verbond hij zich om verklaringen af te leggen. Kennelijk waren de beschermingsmaatregelen en de daarbij behorende financiële afspraken toen nog niet geregeld. Daar komt bij dat de kluisverklaringen, waarin hij over alle dealfeiten uitgebreid heeft verklaard, ruim daarvoor – in de periode van januari tot mei 2017 – zijn afgelegd. Er was toen nog geen concreet zicht op een overeenkomst en een van de hoofdpunten van de kroongetuigenovereenkomst is, naast het afleggen van nadere verklaringen, dat hij in die kluisverklaringen de waarheid heeft verklaard. Die kluisverklaringen kunnen dus hoe dan ook niet aangemerkt worden als ‘gekocht’. Er is het voorgaande in aanmerking nemende geen aanknopingspunt voor de suggestie van de verdediging dat [medeverdachte 1] welbewust over zoveel mogelijk feiten is gaan verklaren, om een (financieel) zo gunstig mogelijke deal eruit te slepen. De omstandigheid dat de verdediging de (financiële aspecten van
- de)beschermingsmaatregelen niet kan toetsen levert geen schending van het beginsel van ‘equality of arms’ op. De positie van de verdediging verschilt hierin immers niet van het zaaks-Openbaar Ministerie en de verdediging heeft bovendien volop de gelegenheid gehad om het waarheidsgehalte van de kluisverklaringen en (daarmee) de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen. Van een onjuiste toepassing van de kroongetuigenregeling – en van een schending van artikel 6 EVRM – is gezien het bovenstaande geen sprake. 4.1.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan? De verweren richten zich voor een groot deel op (vermeend) ongeoorloofde toezeggingen. Daarvoor geldt het volgende. De toezegging die in het kader van een kroongetuigenovereenkomst mag worden gedaan is dat strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zal worden gevorderd, te weten – voor zover hier van belang – maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast kan er sprake zijn van zogenoemd gunstbetoon als bedoeld in artikel 226g lid 4 Sv. Dit gaat om het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van de kroongetuige tot het afleggen van een verklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering of anderszins verband houden met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Gunstbetoon ziet op toezeggingen van relatief geringe omvang. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten, is geen toezegging in de zin van de wet. In de door het College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) is het kader van de toezeggingen nader uitgewerkt, waarbij in artikel 5 de niet toelaatbare toezeggingen zijn omschreven. Dit artikel luidt, voor zover van belang: ‘De officier van justitie mag geen toezeggingen doen met betrekking tot: 1. de inhoud van de tenlastelegging (zogenoemde plea-bargaining, bijvoorbeeld over het aantal op te nemen feiten in de dagvaarding en de zwaarte daarvan); 2 .het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten (een toezegging die strekt tot het staken van de opsporing of tot een sepot na afsluiting van het opsporingsonderzoek in afwijking van het bestaande vervolgingsbeleid, is derhalve niet toegestaan); 3. (…) 4. het geven van een financiële beloning; 5. (…) 6. het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing; 7. het begunstigen van anderen dan de getuige, zoals diens levenspartner; 8. (…)’ Financiële beloning? Hiervoor is al overwogen dat de berichten in de iPhone van [medeverdachte 1] weliswaar de conclusie rechtvaardigen dat hij zoveel mogelijk geld wilde ontvangen in het kader van de beschermingsovereenkomst, maar dat er geen aanwijzing is dat het Openbaar Ministerie hierin is meegegaan en hem – via de beschermingsovereenkomst – in ruil voor zijn verklaringen een financiële beloning heeft toegezegd. Veroordeling wapenbezit in januari 2017 Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] zich op 14 januari 2017 heeft laten aanhouden met een vuurwapen omdat hij bescherming zocht. Bij een doorzoeking zijn vervolgens een tweede vuurwapen en een jammer aangetroffen. [medeverdachte 1] is hiervoor vervolgd en aan hem is uiteindelijk in hoger beroep op 20 september 2018 zeven maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest opgelegd. Als basis voor de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een ongeoorloofde toezegging, geldt de bewering van [medeverdachte 1] dat het Openbaar Ministerie hem zou hebben toegezegd dat de straf voor het wapenbezit bij de executie afgetrokken zou worden van de uiteindelijk op te leggen straf in de zaak Marengo. [medeverdachte 1] en zijn verdediging baseren dit op handgeschreven berekeningen van [advocaat 1] . Het Openbaar Ministerie betwist echter dat een dergelijke afspraak is gemaakt. De rechtbank stelt voorop dat de afspraak die volgens [medeverdachte 1] gemaakt is, een afspraak zou zijn als genoemd in artikel 5 lid 6 van de Aanwijzing, en dat deze daarmee ongeoorloofd zou zijn. Dat deze toezegging door het Openbaar Ministerie gedaan zou zijn is echter niet aannemelijk geworden. De verklaring van [medeverdachte 1] en de berekeningen van [advocaat 1] zijn daarvoor onvoldoende, waarbij wordt meegewogen dat de andere advocaat die [medeverdachte 1] destijds bijstond heeft verklaard dat die afspraak niet is gemaakt. Bovendien hebben partijen bij het ondertekenen van de kroongetuigenovereenkomst ten overstaan de rechter-commissaris uitdrukkelijk verklaard dat er geen verdere of andersluidende afspraken zijn gemaakt. Is de basis-strafeis van vierentwintig jaren proportioneel? Zoals hiervoor besproken heeft het Openbaar Ministerie in de overeenkomst de basis-strafeis bepaald op een gevangenisstraf van vierentwintig jaren en toegezegd om vijftig procent hiervan als straf te zullen eisen bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 1] . In het algemeen geldt dat het Openbaar Ministerie bij het bepalen van een strafeis een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter moet eerbiedigen. Dat geldt ook voor een strafeis tegen een kroongetuige. Het is echter denkbaar dat een toegezegde basis-strafeis tegen een kroongetuige zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. Daarvan is sprake als het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid niet tot de toegezegde basis-strafeis heeft kunnen komen. [medeverdachte 1] wordt (kort gezegd) vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding van deze moord (subsidiair de medeplichtigheid daaraan), het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 1] ), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 7] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties. In vergelijking met de straffen die het Openbaar Ministerie in de zaak Marengo heeft geëist tegen medeverdachten is de basis-strafeis van vierentwintig jaren gevangenisstraf naar de huidige maatstaven laag te noemen. Daarbij moet echter worden meegewogen dat de overeenkomst is gesloten in december 2017 en dat de straffen die destijds voor dergelijke feiten werden opgelegd beduidend lager waren dan thans het geval is. Alle omstandigheden overziend is de basis-strafeis van vierentwintig jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen, terwijl de maximale strafkorting van vijftig procent niet wordt overschreden. Daarom acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 1] ook op het punt van de overeengekomen basis-strafeis niet onrechtmatig. Aanpassing strafeis aan nieuwe v.i.-regeling Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie een lagere straf geëist dan in de overeenkomst is toegezegd. Aanleiding daarvoor is de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021. In deze nieuwe wet is de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd tot twee jaren bij gevangenisstraffen vanaf zes jaren. De basis-strafeis van vierentwintig jaren zou ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een gevangenisstraf van twaalf jaren en een netto gevangenisstraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [medeverdachte 1] volgens het Openbaar Ministerie bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan. Tijdens de gesprekken daarover met de raadslieden van [medeverdachte 1] is, toen het ging over de netto-strafverwachting, het voornemen van het kabinet om de v.i.-regeling te versoberen wel aan bod gekomen. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie aan de raadslieden aangegeven dat de afspraak zoals die met [medeverdachte 1] op dat moment werd gemaakt (en de gerechtvaardigde verwachtingen die [medeverdachte 1] daaraan mocht ontlenen) door het Openbaar Ministerie zouden worden geëerbiedigd. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij steeds gezegd dat het laatste woord hierover uiteraard aan de rechter is. De inhoud van de overeenkomst biedt volgens het Openbaar Ministerie ruimte om een gevangenisstraf te eisen die erop neerkomt dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten, nu in de overeenkomst is opgenomen: ‘onder gelijkblijvende omstandigheden’. Na de invoering van de Wet straffen en beschermen zijn de omstandigheden gewijzigd. In het requisitoir is daarom niet vierentwintig jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, welke met vijftig procent is verminderd tot de uiteindelijke strafeis van tien jaren gevangenisstraf in plaats van twaalf jaren gevangenisstraf. De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat het Openbaar Ministerie daarmee een grotere korting op de strafeis heeft gegeven dan de wet toestaat. De rechtbank overweegt als volgt. Bij het aangaan van de overeenkomst in 2017 gold de oude regelgeving die erop neerkwam dat een veroordeelde tot een lange gevangenisstraf in beginsel na het uitzitten van twee derde van zijn gevangenisstraf in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 1] konden bij het aangaan van de overeenkomst geen rekening houden met de gevolgen die de Wet straffen en beschermen zou hebben voor de uitvoering van de aan [medeverdachte 1] op te leggen straf, omdat de invoering van die wet nog onzeker was. De mogelijkheid dat [medeverdachte 1] na de inwerkingtreding van deze wet bij een gelijkblijvende basis-strafeis in een nadeliger positie zou komen te verkeren dan waar hij op grond van de overeenkomst van uit mocht gaan, is wel onder ogen gezien. Hoewel in de overeenkomst alleen gesproken wordt over de basis-strafeis en niet over de netto uit te zitten gevangenisstraf, acht de rechtbank het aannemelijk dat juist de te verwachten netto gevangenisstraf voor [medeverdachte 1] van belang is geweest bij de vraag of hij de overeenkomst wilde aangaan. In die zin is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor [medeverdachte 1] nu anders uitpakt dan hij bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. Gelet op het belang dat opgewekt vertrouwen in beginsel gehonoreerd dient te worden is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie in afwijking van de overeenkomst zijn strafeis ter zitting mocht baseren op een basis-strafeis van twintig jaren gevangenisstraf. De rechtmatigheid van de overeenkomst wordt daardoor ook achteraf niet aangetast. Het niet vervolgen voor bepaalde zaken en de keuzes bij de tenlastelegging Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Ditzelfde geldt voor de spiegelbeeldige beslissing om niet te vervolgen. Maatstaf is daarbij of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien. Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hem enige weken na de poging om [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) te vermoorden door middel van een explosief onder zijn auto bij ’t Kalfje in Amsterdam (de zaak Raspvijl) door [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] is gevraagd of hij semtex kon leveren. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het zijn eigen conclusie was dat dit voor een nieuwe aanslag op [slachtoffer 6] bedoeld zou zijn. [medeverdachte 1] heeft daar toen navraag over gedaan bij een contactpersoon maar daar is het wat semtex betreft bij gebleven – deze is, zo verklaart [medeverdachte 1] , nooit door hem geleverd. Omdat de gesprekken die [medeverdachte 1] stelt te hebben gevoerd pas plaatsgevonden zouden hebben na de bomaanslag bij ’t Kalfje, kan de rechtbank niet inzien hoe dat leidt tot een strafbare rol van [medeverdachte 1] in de zaak Raspvijl. Ook los daarvan is niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie heeft afgezien van vervolging, alleen al omdat het in de verklaring van [medeverdachte 1] enkel gaat over gesprekken en steunbewijs ontbreekt. Voor wat betreft de zaak Zeilboot geldt dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het leveren van kentekeninformatie door [medeverdachte 1] op 8 december 2016 onvoldoende is voor een strafbare rol van [medeverdachte 1] bij de moord op [slachtoffer 6] , nu hij vaker kentekeninformatie opvroeg en doorgaf, dit ook gebeurde voor bijvoorbeeld observaties door de politie en hij op dat moment niet wist dat de door hem opgevraagde informatie bedoeld was ten behoeve van de moord op [slachtoffer 6] . Voorts heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat het laten bevragen van kentekens en het doorgeven van die informatie wordt meegewogen in het verwijt van deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank acht de beslissing om [medeverdachte 1] niet in de zaak Zeilboot te vervolgen – het dossier in ogenschouw nemend – niet onbegrijpelijk. Met betrekking tot de zaak Orinoco – een schietincident op 24 december 2010 waarbij [medeverdachte 1] iemand in zijn been geschoten zou hebben – geldt dat het Openbaar Ministerie van het parket Midden-Nederland eind 2022 heeft beslist dat vervolging van [medeverdachte 1] daarvoor niet opportuun is ‘gezien (onder meer) het tijdsverloop, de recente veroordeling van [medeverdachte 1] voor het wapenbezit en de huidige vervolging van [medeverdachte 1] in 26Marengo, alsmede het feit dat de huidige ernstige problematiek op het gebied van cocaïnehandel en de daarmee gepaard gaande geweldsdelicten al alle focus en capaciteit kosten van politie en justitie Midden-Nederland.’ Een dergelijke beslissing valt niet alleen binnen de beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie heeft, maar kan bovendien – nu deze vijf jaren na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst pas is genomen – nimmer worden aangemerkt als een (ongeoorloofde) toezegging in het kader van die overeenkomst. Dit zou alleen anders zijn als op voorhand zou zijn toegezegd dat er geen vervolging zou plaatsvinden voor na het sluiten van de overeenkomst opkomende verdenkingen, maar dat daar sprake van is, is gesteld noch gebleken. Hoewel er – vooral op basis van de eigen verklaringen van [medeverdachte 1] – ontegenzeggelijk aanwijzingen zijn dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Opiumwetdelicten, valt de beslissing van het Openbaar Ministerie om hem daar niet voor te vervolgen zonder meer binnen de beoordelingsvrijheid die het ten aanzien daarvan heeft. Het opsporingsonderzoek heeft zich immers niet hierop gericht, maar op een groter belang, namelijk een groot aantal moorden en pogingen daartoe, voorbereidingshandelingen voor moorden en een criminele organisatie die zich met moorden bezighield. Die beslissing van het Openbaar Ministerie beoordeelt de rechtbank niet als een ontoelaatbare toezegging. Voor geen van de door de verdediging genoemde kwesties – het niet vervolgen van [medeverdachte 1] in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, het niet vervolgen voor Opiumwetdelicten – geldt derhalve dat de door het Openbaar Ministerie genomen beslissingen onbegrijpelijk zijn en buiten de beoordelingsvrijheid vallen die het Openbaar Ministerie toekomt. Dit geldt ook voor de (andere) keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen. De keuze om [medeverdachte 1] in de zaak Roos/Doorn alleen in de subsidiaire variant voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 1] te vervolgen is – nu hij na de (vergis)moord op [slachtoffer 1] is gestopt met die voorbereidingen – niet onbegrijpelijk. Dit geldt ook voor de keuze om hem in de zaak Kreta niet te vervolgen voor voorbereiding van moord op [betrokkene 4] en de broers [betrokkene 5] , nu hij over de zaak Kreta uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en het zwaartepunt van zijn voorbereidingshandelingen duidelijk lag bij [slachtoffer 5] . Dat het Openbaar Ministerie hierover – in strijd met het in artikel 5 lid 1 en 2 van de Aanwijzing verwoorde immuniteitsverbod – toezeggingen heeft gedaan aan dan wel afspraken heeft gemaakt met [medeverdachte 1] , is bovendien gesteld noch aannemelijk geworden. Begunstiging levenspartner [medeverdachte 1] ? De verdediging stelt dat uit de berichten in de hiervoor genoemde iPhone blijkt dat de levenspartner van [medeverdachte 1] spreekt over maandelijkse toelagen, gelden die verborgen werden, een huis in Marokko dat zou worden gekocht en een auto, waarbij er ontevredenheid is over de auto. Dit zijn financiële voordelen voor de levenspartner die in strijd zijn met artikel 5 lid 7 van de Aanwijzing, aldus de verdediging. Vast staat dat de partner van [medeverdachte 1] – door buiten haarzelf liggende omstandigheden – uit haar normale leven is weggerukt en in een beveiligingsprogramma terecht is gekomen. Dat de situatie waarin zij verkeert met zich kan brengen dat zij van de overheid een toelage en bepaalde voorzieningen krijgt, wekt geen bevreemding. De berichten waar de verdediging op wijst bieden geen ondersteuning voor de stelling dat er daarbij sprake zou zijn van een verboden toezegging aan [medeverdachte 1] door het begunstigen van zijn levenspartner. Ongemoeid laten van financieel voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken)? De verdediging stelt dat [medeverdachte 1] niet geconfronteerd is met een ontnemingsvordering en dat hij geen vragen hoefde te beantwoorden over drugshandel, zijn financiële voordeel en zijn – uit de berichten in de iPhone naar voren komende – chantage- en afpersingspraktijken. De verdediging verzuimt echter te onderbouwen waarom dit op een ongeoorloofde toezegging aan de kroongetuige zou wijzen. Op grond van de kroongetuigenovereenkomst is het duidelijk waarover [medeverdachte 1] verplicht is te verklaren. Ten aanzien van ander (vermeend) strafbaar handelen dan de dealfeiten heeft hij geen verklaringsplicht. Over eventueel financieel voordeel dat hij gehad heeft als gevolg van de dealfeiten is hij op grond van de overeenkomst wél verplicht te verklaren. De rechtbank constateert dat hij dat ook gedaan heeft en dat het enige financiële voordeel dat hij – naar eigen zeggen – heeft gehad € 5.000,- was voor zijn rol in de zaak Tennis. De keuze om ten aanzien van dit bedrag af te zien van een ontnemingsvordering past – gezien de hoogte van het bedrag, afgezet tegen de aard en de omvang van de verdenkingen waarvoor [medeverdachte 1] wel vervolgd wordt – binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt. Van een beslissing die zo onbegrijpelijk is dat deze moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen is geen sprake. Is de bepaling in artikel 4.2 van de overeenkomst een ongeoorloofde toezegging? Artikel 4.2 van de kroongetuigenovereenkomst luidt als volgt: ‘Zover de officier van justitie van mening is dat sprake is van de onder 4.1 sub a genoemde omstandigheid, zal hij zulks aangeven bij de raadsman van de getuige alsmede de getuige zelf en de getuige in staat stellen om binnen een redelijke termijn alsnog de voorwaarde uit de overeenkomst na te komen.’ Dit artikel verwijst naar het in artikel 4.1 sub a van de overeenkomst geformuleerde recht van de officier van justitie om deze schriftelijk te ontbinden in het geval dat de getuige enige voorwaarde uit de overeenkomst niet, niet volledig of niet naar behoren nakomt. De stelling van de verdediging dat er een extra begunstiging zit in deze bepaling kan de rechtbank niet volgen. De verplichtingen van [medeverdachte 1] zijn in de overeenkomst als volgt omschreven: 1.1 De getuige verplicht zich vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst telkens overeenkomstig de hem door of vanwege het College van Procureurs-Generaal of de officier van justitie gegeven aanwijzingen onvoorwaardelijk zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van (nadere) verklaringen tegenover leden van het Openbaar Ministerie of door of vanwege de officier van justitie aangewezen ambtenaren als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering. De verplichting tot het afleggen van deze (nadere) verklaringen heeft betrekking op de misdrijven die worden beschreven in de (kluis)verklaringen die als bijlage bij deze overeenkomst zijn gevoegd. 1.2 Een zelfde verplichting als onder 1.1 genoemd bestaat ten aanzien van het afleggen van getuigenverklaringen tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de strafkamer van enige rechtbank en/of de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig ressort en/of de strafkamer van enig gerechtshof in het kader van de strafrechtelijke vervolging, waaronder begrepen het op naam en zonder vermomming afleggen van verklaringen in een openbare terechtzitting, tenzij het Openbaar Ministerie vermomming noodzakelijk acht. 1.3 De getuige zal bij gelegenheid van de hiervoor onder 1.1 en/of 1.2 genoemde verhoren niet weigeren te verklaren over zijn eigen (al dan niet strafrechtelijk relevante) betrokkenheid bij de feiten die worden genoemd in de (kluis)verklaringen zoals neergelegd in de bijgevoegde processen-verbaal. Hij zal zijn verklaringen zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid afleggen. De getuige doet afstand van het hem als verdachte toekomende verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Wetboek van Strafvordering. Met betrekking tot onderwerpen die niet worden genoemd in de (kluis)verklaringen geldt het verschoningsrecht van de getuige onverkort. 1.4 De getuige verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen, zoals deze blijkt uit bijgevoegde processen-verbaal naar zijn beste weten volledig op waarheid berust. 1.5 De getuige zal vanaf het moment van ondertekening van deze overeenkomst, behoudens het onder 1.6 gestelde, op geen enkele wijze tegenover derden, met uitzondering van zijn raadsman, zijn partner en zijn naaste familie, melding maken van deze overeenkomst en de (inhoud van) de daarin bedoelde verklaringen. 1.6 De getuige zal rechtstreeks noch door middel van een derde, onder wie zijn raadslieden, anders dan tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de raadsheer- commissaris in enig resort en/of in een (openbare) terechtzitting van de strafkamer van enige rechtbank of gerechtshof, dan wel ingevolge enige (andere) wettelijke verplichting, mededeling doen over de totstandkoming van deze overeenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering wordt gegeven. De getuige zal geen mededeling doen over (aspecten van) getuigenbescherming(smaatregelen). Slechts bij de eerste drie verplichtingen – het onvoorwaardelijk zijn medewerking verlenen aan het afleggen van nadere verklaringen over de dealfeiten tegenover de recherche (1.1), tegenover rechters (1.2) en het bij die verhoren niet mogen weigeren te verklaren over zijn eigen betrokkenheid bij de dealfeiten en het zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaren (1.3) – is het niet, niet volledig of niet naar behoren nakomen herstelbaar. Bij niet-nakoming van de overige verplichtingen, waarbij met name de onder 1.4 opgenomen verplichting voor [medeverdachte 1] dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust in het oog springt, is niet-nakoming onherstelbaar. Naar haar aard kan een bepaling als artikel 4.2 slechts betrekking hebben op herstelbaar niet nakomen. Echter, ook zonder deze bepaling vloeit uit de artikelen 6:265 jo. 6:82 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voort dat bij dergelijk niet nakomen pas tot ontbinding van de overeenkomst kan worden overgegaan nadat de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft. Een dergelijke contractsbepaling voegt dus niets toe. De stelling van de verdediging dat artikel 4.2 een vrijbrief is om te liegen en daarmee een ongeoorloofde toezegging van het Openbaar Ministerie, is derhalve onjuist. 4.1.4.3 Samenvatting en conclusie Uit het hiervoor besprokene volgt dat de kroongetuigenregeling niet onjuist is toegepast door het Openbaar Ministerie en dat er geen aanwijzingen zijn dat aan [medeverdachte 1] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Daarbij geldt dat de overeenkomst met [medeverdachte 1] betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv en het Openbaar Ministerie het naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 1] te komen. Hij kon immers verklaren over een aantal voltooide en mislukte liquidaties waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen behelsden bovendien de vermeende opdrachtgever en het middenkader, die tot op dat moment niet of nauwelijks in beeld waren bij justitie. Door de verklaringen van [medeverdachte 1] kon zicht worden verkregen op een nog actieve criminele organisatie (zie hoofdstuk 4.7 Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)) die (mede) als oogmerk had het plegen van moorden, die tot dan toe onder de radar was gebleven. Ook in onderling verband en samenhang bezien is er geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of het uitsluiten van de verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs op die grond niet slagen. 4.1.5 Betrouwbaarheid van de kroongetuige 4.1.5.1 Verweer van de verdediging Kern van het verweer van de verdediging is de stelling dat uit de bewoordingen van de wet en de Aanwijzing voortvloeit dat niet alleen de verklaringen van de kroongetuige op betrouwbaarheid dienen te worden beoordeeld, maar ook de persoon van de kroongetuige. Daarbij heeft de verdediging in de eerste plaats gewezen op getuigen die [medeverdachte 1] omschrijven als een (pathologische) leugenaar. Ook wijst de verdediging op de wijze waarop [medeverdachte 1] (volgens de verdediging) overkomt als hij door rechters verhoord wordt (snel pratend, op het eerste oog betrouwbaar, maar ijskoud en zonder spijt) en het beeld dat opstijgt uit zijn iPhone-berichten (een nare houding naar zijn familie inzake getuigenbescherming, een schaker, een manipulator, ijskoud, iemand die aangeeft een boef te blijven, iemand die zich diffamerend uitlaat over de medewerkers van het Team Getuigenbescherming (TGB) en die het onderste uit de kan wil). Het beeld dat volgens de verdediging blijft hangen is een kroongetuige die enkel oog heeft voor zijn eigen belang, die zich superieur voelt, meedogenloos (over de ruggen van derden) en manipulatief is, die volgens eigen zeggen altijd crimineel zal blijven en die bereid is tot leugens voor eigen bestwil. Daarnaast heeft de verdediging zich uitgeput in het fileren van de vele verklaringen van de kroongetuige en daarbij gewezen op vele inconsistenties, ongerijmdheden dan wel onwaarschijnlijkheden, speculaties en – in haar ogen – kennelijke leugens in deze verklaringen. De conclusie van de verdediging is dat de kroongetuige niet betrouwbaar is en dat zijn verklaringen op vele punten onwaar zijn en daarom niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. 4.1.5.2 Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een crimineel is, en dat blijkt ook uit het dossier. Ook heeft hij tijdens het proces onder ede tegenover de rechtbank gelogen over de telefoons die hij in zijn cel heeft gehad en heeft hij lange tijd gewacht met het beantwoorden van bepaalde vragen, terwijl duidelijk was dat hij die vragen wel moest beantwoorden. [medeverdachte 1] heeft nadien telkens uitleg gegeven over zijn beweegredenen voor zijn handelen tijdens die verhoren. Wat hier ook allemaal van zij – voor de beoordeling door de rechtbank is het uiteindelijk niet relevant. Waar het om gaat is of de verklaringen die [medeverdachte 1] over de dealfeiten heeft afgelegd betrouwbaar zijn. Het is niet aan de rechtbank om een oordeel te geven over het karakter of de rechtschapenheid (of het gebrek daaraan) van de persoon [medeverdachte 1] . Kennisname door de rechtbank en de procespartijen van een (al dan niet bestaand) psychologisch rapport dat (in een ander kader dan het kader van zijn strafzaak) over [medeverdachte 1] zou zijn opgemaakt acht de rechtbank daarom niet relevant. [medeverdachte 1] is een criminele getuige. Dat gegeven en de omstandigheid dat hij zelf van (betrokkenheid bij) zeer ernstige strafbare feiten wordt verdacht en het Openbaar Ministerie met hem een verklaringsovereenkomst heeft gesloten in ruil voor strafvermindering, noopt bij gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs uiteraard tot behoedzaamheid. De in artikel 360 lid 2 Sv geformuleerde opdracht van de wetgever aan de rechter om in dat geval daarvoor in het bijzonder reden te geven is ingegeven door het aan de figuur van de kroongetuige verbonden risico. Immers, de voordelen die de kroongetuige uit hoofde van de met hem gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuige kan menen er voordeel bij te hebben om in meer of mindere mate niet naar waarheid te verklaren. Los van het bovenstaande geldt dat de rechter op grond van artikel 344a lid 4 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan aannemen op grond van verklaringen van (kort gezegd) kroongetuigen. Die bepaling verzet zich er echter niet tegen dat de bewezenverklaring in beslissende mate wordt aangenomen op grond van de verklaring van een kroongetuige. Het voorgaande betekent dus dat voor een zaak met een enkele kroongetuige de gewone regels van het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv gelden. Dit betekent dat een bewezenverklaring niet geheel gebaseerd mag worden op de verklaring van deze getuige. Het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv betreft echter de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Deze bepaling verbiedt de rechter om tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De verklaringen van [medeverdachte 1] dienen dus kritisch bekeken te worden. Daarbij geldt voor de rechtbank dat de kluisverklaringen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid een sleutelrol vervullen, nu van deze verklaringen met de meeste zekerheid aangenomen kan worden dat ze niet zijn beïnvloed door voortschrijdende kennis van het dossier en mediaberichten en andere invloeden die (gewild of ongewild) de authenticiteit van verklaringen kunnen beïnvloeden. [medeverdachte 1] heeft in de periode van januari tot en met mei 2017 in de kluisverklaringen zeer uitgebreid verklaard over de dealfeiten. In deze periode had hij geen toegang tot enig dossier en ook geen toegang tot openbare bronnen (los van de toegang tot Google Maps of Google Street View tijdens verhoren, om bijvoorbeeld een locatie aan te kunnen wijzen). Hij heeft dus enkel uit zijn geheugen kunnen putten. De rechtbank constateert dat [medeverdachte 1] in zijn kluisverklaringen buitengewoon gedetailleerd heeft verklaard over de zaken waar hij zelf bij betrokken zegt te zijn geweest (te weten Kreta, Tennis, Roos/Doorn en de criminele organisatie), zowel over zijn eigen rol als over de rollen van medeverdachten. Over de andere dealfeiten – waar hij niet zelf bij betrokken is geweest – heeft hij eveneens uitgebreid verklaard en daarbij ook steeds aangegeven wat zijn bronnen van wetenschap waren (doorgaans van horen zeggen, waarbij zijn bronnen veelal ‘de straat’, [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] waren). [medeverdachte 1] wist dat zijn verklaringen in aanloop naar een mogelijke kroongetuigenovereenkomst zoveel mogelijk geverifieerd zouden worden en dat leugens over zijn eigen rol (door deze kleiner te maken) of de rollen van anderen (door hen onterecht te beschuldigen) een kroongetuigenovereenkomst in gevaar konden brengen. Wat hij niet wist, was dat de Ennetcom-server en een deel van de PGP-safe-server gekopieerd zouden worden en dat in de periode na het afleggen van de kluisverklaringen een zeer grote hoeveelheid PGP-berichten rondom de dealfeiten boven tafel zou komen en dat deze PGP-berichten ook bij de verificatie van zijn verklaringen konden worden betrokken. De rechtbank constateert dat juist deze PGP-berichten de verklaringen van [medeverdachte 1] op veel punten (vaak tot in de details) ondersteunen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] tijdens de vele verhoren – bij de recherche, bij de rechter-commissaris en op zitting – consistent is blijven verklaren over de dealfeiten, zijn eigen rol en de rollen van anderen. De conclusie van de verdediging van [medeverdachte 7] dat [medeverdachte 1] een groot aantal evidente onwaarheden heeft verklaard onderschrijft de rechtbank derhalve niet. De rechtbank constateert dat deze beweerdelijke evidente onwaarheden voor zover het de dealfeiten betreft telkens (onderdelen van) verklaringen van [medeverdachte 1] betreffen die geen of weinig ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen. Dat maakt het echter geen onwaarheden. De omstandigheid dat een (deel van een) verklaring niet of niet geheel geverifieerd kan worden, maakt niet dat deze gefalsificeerd (en dus onwaar) is. Het kan uiteraard wel met zich brengen dat de bewijskracht van (dat deel van) die verklaring minder groot is. De rechtbank beschouwt [medeverdachte 1] gezien het voorgaande als een betrouwbaar verklarende getuige, waar het gaat over strafbare feiten die aan hem en zijn medeverdachten in de zaak Marengo ten laste zijn gelegd. Uiteraard moet de rechtbank bij de beoordeling van de zaaksdossiers steeds onderzoeken of de voor het bewijs relevante onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1] de betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Per zaaksdossier zal, voor zover de kroongetuige daarover voor de verdachten belastend heeft verklaard, nader worden ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] . 4.1.6 Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU? De rechtbank begrijpt uit de dupliek van de verdediging van [medeverdachte 16] dat voorwaardelijk is verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU over – samengevat – de vraag of de beperkingen voor de verdediging om de financiële afspraken met de kroongetuige te kunnen controleren, onder meer tijdens de ondervraging van de kroongetuige, zich nog verdragen met een doeltreffend proces. De rechtbank komt, gelet op de voorgaande beslissing, toe aan de beoordeling van dit verzoek. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen grond voor het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af. 4.2 PGP-bewijs In het dossier bevindt zich een groot aantal PGP-berichten. Deze zijn afkomstig van in Canada bij het Nederlandse bedrijf Ennetcom veiliggestelde data (Ennetcom-data) en van in Costa Rica bij het bedrijf Rack Lodge S.A. veiliggestelde data (PGP-safe-data). De PGP-berichten dienen te worden aangemerkt als andere geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Dit betekent dat deze berichten alleen voor het bewijs kunnen worden gebruikt in samenhang met andere bewijsmiddelen. Bij het gebruik van de PGP-berichten voor het bewijs past behoedzaamheid. De rechtbank is zich ervan bewust dat veelal sprake is van incomplete PGP-communicatie. Dit komt in de eerste plaats doordat op de servers niet alle communicatie meer te vinden was vanwege het retentiebeleid van de aanbieder van de dienst. In het geval van PGP-safe geldt bovendien dat niet alle servers zijn gekopieerd, maar dat de keuze is gemaakt voor het kopiëren van de apparatuur uit de serverkast die vanaf 2012 werd gehuurd. De apparatuur die in de vanaf 2016 gehuurde serverkast stond, is dus niet gekopieerd. Het kopiëren bij PGP-safe is bovendien op enig moment door de Costa Ricaanse autoriteiten beëindigd toen die servers nog niet volledig waren gekopieerd. Daar komt bij dat in het dossier die berichten terecht zijn gekomen die het Openbaar Ministerie uit de Marengo-dataset als relevant heeft geselecteerd. Hierbij past overigens de kanttekening dat de verdediging inzage heeft gehad in de Marengo-dataset en zij zelf ook heeft kunnen verzoeken om voeging van berichten die zij relevant vond. Verder geldt dat de meeste verdachten hebben ontkend de (enige) gebruiker van een bepaald PGP-account te zijn, dan wel zich op hun zwijgrecht hebben beroepen. Slechts enkele verdachten hebben duiding gegeven aan de inhoud van de berichten. In de berichten wordt soms onduidelijk gesproken. In sommige gevallen zijn conversaties onvolledig. In een deel van de conversaties ontbreken zelfs alle berichten van een van de deelnemers. De context van de berichten is dan ook niet steeds duidelijk. Daar staat tegenover dat voor de bewijswaarde relevant is dat personen die een versleutelde berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden en vaak openlijk communiceerden over waar ze mee bezig waren, zonder pogingen dit te verhullen. Ook dat weegt de rechtbank mee bij de beoordeling. 4.3 PGP-identificatie 4.3.1 Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo De rechtbank heeft op basis van de processen-verbaal van identificatie – en in voorkomende gevallen op basis van overige informatie in het dossier en/of wat is besproken ter terechtzitting – vastgesteld wie de gebruiker van een PGP-e-mailadres was. Ook is op basis daarvan vastgesteld of, en zo ja onder welke bijnamen een bepaalde gebruiker bekend stond of werd opgeslagen. In bijlage 2 bij dit vonnis is een overzicht opgenomen van deze PGP-e-mailadressen en de gebruikers met hun eventuele bijnamen. [verdachte] is niet als gebruiker van een PGP-e-mailadres geïdentificeerd. 4.3.2 Identificatie e-mailadressen overige gebruikers Het dossier bevat een aantal processen-verbaal van identificatie met betrekking tot e-mailadressen die door het Openbaar Ministerie aan andere personen, niet zijnde verdachten in Marengo, worden toegeschreven. In sommige gevallen is de identificatie van de gebruiker(
- s)van die overige e-mailadressen van belang voor de beoordeling en duiding van conversaties uit de zaaksdossiers en/of voor de koppeling van e-mailadressen aan (Marengo-)verdachten. Om die reden is de rechtbank nagegaan of de identificatie op basis van de in die processen-verbaal van identificatie genoemde feiten en omstandigheden gerechtvaardigd is. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit het geval is. Om die reden zijn ook deze overige gebruikers van e-mailadressen in de genoemde bijlage bij dit vonnis opgenomen. 4.4 Zaaksdossier Zeilboot Het zaaksdossier Zeilboot betreft de poging tot moord en de moord op [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ). Op 8 december 2016 heeft [slachtoffer 6] een afspraak in hotel citizenM in Amsterdam. Als hij na afloop weer naar zijn auto loopt, rent een persoon langs hem en deze lijkt daarbij een vuurwapen op hem te richten. Er valt geen schot. [slachtoffer 6] rijdt vervolgens naar club Boccaccio in Laren (hierna: de club). Nadat hij de club heeft verlaten en in zijn auto is gestapt, wordt hij doodgeschoten. [verdachte] wordt beschuldigd van betrokkenheid bij zowel de poging tot moord (feit 2) als de moord (feit 1). Het Openbaar Ministerie vordert vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten van dit zaaksdossier, dus voor de poging tot moord dan wel de medeplichtigheid daaraan en voor de moord dan wel de medeplichtigheid daaraan. Ook de verdediging heeft bepleit dat [verdachte] van alle feiten wordt vrijgesproken. De rechtbank is met het Openbaar Ministerie en de verdediging van oordeel dat de ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden. [verdachte] wordt vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. 4.5 Zaaksdossier Plato 4.5.1 Inleiding In de nacht van 4 op 5 december 2016, omstreeks middernacht, is er een melding van inbraak in een woning aan de [adres] . De bewoonster treft [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ) bloedend in haar woning aan. Hij zegt dat hij is beschoten en dat hij de woning in is gevlucht door een ruit in te slaan. Hij legt meerdere verklaringen af en doet uiteindelijk aangifte van poging tot doodslag/moord. [verdachte] wordt verdacht van het medeplegen van een poging tot moord op [betrokkene 8] . Subsidiair wordt hij verdacht van medeplichtigheid aan deze poging tot moord. 4.5.2 Standpunten Volgens het Openbaar Ministerie kan ten aanzien van [verdachte] de medeplichtigheid aan de poging tot moord op [betrokkene 8] bewezen worden verklaard. De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken omdat er onvoldoende bewijs is. 4.5.3 Feiten en omstandigheden 4.5.3.1 Resultaten doorzoeking [adres] Op 10 mei 2017 vindt een doorzoeking plaats op het adres [adres] , het verblijfsadres van [verdachte] . Bij die doorzoeking worden bakens, telefoons en simkaarten in beslag genomen die van belang blijken te zijn in het onderzoek Plato. Een van de in beslag genomen telefoons is een BlackBerry Q10, waarvan de inhoud leesbaar is gemaakt. Op deze telefoon is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van [betrokkene 11] (hierna: [betrokkene 11] ) met een matchkans kleiner dan één op één miljard. De inhoud van chats bevestigt dat dit PGP-toestel gebruikt is door [betrokkene 11] . Op basis van verkeersgegevens van de in beslag genomen digitale goederen, de chats van [betrokkene 11] en enige andere bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende reconstructie van gebeurtenissen in de week voorafgaand aan en op 5 december 2016. 4.5.3.2 Periode van 28 en 29 november 2016 In de avond van 28 november 2016 wordt in Utrecht een van de later in de woning van [verdachte] gevonden bakens (hierna: Baken 1) geactiveerd en vervolgens in Rotterdam onder de auto van [betrokkene 8] geplakt. Het telefoontoestel waarmee Baken 1 is gevolgd (hierna: bakentoestel 1) beweegt rond 23:07 uur vanuit Rotterdam richting Utrecht, waarbij om 00:56 uur een zendmast in De Meern wordt aangestraald. Die nacht, op 29 november 2016 om 00:25 uur, wordt een Seat Ibiza met het valse kenteken [kenteken] gesignaleerd door ANPR, rijdend op de A12 Rechts 9.0, van Den Haag richting Utrecht. In de avond van 29 november 2016 verplaatsen Baken 1 en het telefoonnummer van [betrokkene 8] zich vanaf de directe woonomgeving van [betrokkene 8] naar het centrum van Rotterdam. Bakentoestel 1 straalt ook zendmasten aan in het centrum van Rotterdam. Een PGP-toestel gebruikmakend van een telefoonnummer eindigend op *5831 en een IMEI-nummer eindigend op *1277 straalt om 23:12 uur de zendmast Meidoornhoek in Rotterdam aan. Bakentoestel 1 en dit PGP-toestel bewegen later die nacht richting Utrecht. Op dit PGP-toestel worden zwak aanwezige DNA-kenmerken van [betrokkene 11] aangetroffen en wordt DNA van een onbekende man aangetroffen. Anders dan het Openbaar Ministerie kan de rechtbank niet vaststellen dat de onbekende man [medeverdachte 2] is. De telefoon van [verdachte] straalt op 28 november 2016 om 23:09 uur een zendmast aan in Zoetermeer en vervolgens op 29 november 2016 om 01:28 uur in De Meern.Hieruit leidt de rechtbank af dat [verdachte] niet samen met bakentoestel 1 vanuit Rotterdam heeft bewogen deze nacht, maar dat dit wellicht [betrokkene 11] en/of de onbekende man is/zijn geweest. 4.5.3.3 30 november 2016 De telefoon van [verdachte] straalt op 30 november 2016 om 00:27 uur een zendmast aan in Babberich, gemeente Zevenaar, vlakbij de Duitse grens, en vervolgens om 01:30 uur de zendmast Rhodosdreef in Utrecht. [betrokkene 11] , [medeverdachte 2] en [verdachte] worden om ongeveer 02:05 uur samen aangehouden in Utrecht in de hiervoor genoemde Seat Ibiza, omdat deze valse kentekenplaten heeft. Bakentoestel 1 straalt rond dit tijdstip een zendmast vlakbij de plaats van aanhouding aan. Bij fouillering heeft [medeverdachte 2] drie telefoons bij zich, [betrokkene 11] twee en [verdachte] één. Omstreeks 14:58 uur worden [betrokkene 11] , [medeverdachte 2] en [verdachte] heengezonden vanuit het cellencomplex in Houten. Bakentoestel 1 straalt om 15:16 uur een zendmast in Houten aan. De rechtbank leidt hieruit af dat een van de zes telefoons die zij bij zich hadden bakentoestel 1 is. De rechtbank stelt vast dat kort daarna twee PGP-toestellen actief worden in Nederland in Tiel en een PGP-toestel naar Utrecht gaat en een ander via Nieuwegein naar Rotterdam. Op het ene PGP-toestel werd DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van [medeverdachte 2] en op het andere PGP-toestel werd DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van [betrokkene 11] . De rechtbank stelt op basis van deze gegevens vast dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 11] deze nieuwe PGP-toestellen in gebruik nemen. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat deze toestellen zijn verbonden met de telefoonnummers 882350231640714 en 882350231640715, nummers die – zie pagina 28 van het zaaksdossier Zeilboot/Raspvijl en de bespreking van het zaaksdossier Zeilboot in bijlage 3 – ook in andere toestellen van respectievelijk [medeverdachte 2] en [betrokkene 11] terugkomen. 4.5.3.4 Periode van 1 en 2 december 2016 Het PGP-toestel van [medeverdachte 2] straalt om 20:26 uur zendmasten in Landsmeer aan. Het PGP-toestel van [betrokkene 11] straalt om 19:28 uur en om 21:28 uur een zendmast gelegen aan de G.J. de Jonghweg in Rotterdam aan. In de tussenliggende periode stralen bakentoestel 1 en het telefoonnummer van [betrokkene 8] zendmasten aan in het centrum van Rotterdam. Uit berichten tussen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] op 1 december 2016 tussen 21:25 uur en 22:00 uur maakt de rechtbank op dat [betrokkene 11] doorgeeft dat hij [betrokkene 8] heeft gezien bij Coffeeshop Nemo in Rotterdam. Uit de berichten tussen 22:43 uur en 22:50 uur blijkt dat [betrokkene 11] weet dat [betrokkene 8] op dat moment bij Coffeeshop Colosseum is en dat hijzelf in Rotterdam West is. [betrokkene 12] beschikt ook over plaatsen en een adres waar [betrokkene 8] is geweest. Om 23:01 uur geeft [betrokkene 11] het bericht door dat [betrokkene 8] weer thuis is. Zij bespreken waar [betrokkene 8] verder is geweest. [betrokkene 11] laat weten dat het baken nog maximaal twee dagen mee kan en er dus de volgende dag af moet. [betrokkene 12] vraagt om een foto van degene die [betrokkene 11] heeft gezien en laat weten dat het morgen actiedag is. [betrokkene 11] heeft de foto op een ander PGP-toestel staan – hij had twee kleine foto’s ontvangen van pat en het was één daarvan. Over de ontvangst van de foto’s van pat hadden [betrokkene 11] en [betrokkene 12] rond 22:00 uur ook al berichten gewisseld. Uit het onderzoek Ster komt naar voren dat als [betrokkene 12] het over ‘pat’ heeft, hij [medeverdachte 16] bedoelt. Op een SD-kaart die bij een doorzoeking in de woning van [betrokkene 11] is aangetroffen zijn heimelijke opnames en foto’s van de tweelingbroer van [betrokkene 8] aangetroffen. Uit berichten tussen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] op 2 december 2016 tussen 01:55 uur en 02:37 uur volgt dat [betrokkene 11] kan checken waar de ‘anabole hond’ is als hij zijn wekker zet rond 11, 12 uur. De rechtbank houdt het ervoor dat daarmee [betrokkene 8] wordt bedoeld. 4.5.3.5 Periode van 2 en 3 december 2016 Op 2 december 2016 is er intensief berichtenverkeer tussen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] . Om 11:04 uur zoekt [betrokkene 12] contact met [betrokkene 11] om te vragen of [betrokkene 8] al bewogen heeft. Even later krijgt [betrokkene 11] ook het PGP-adres van [medeverdachte 16] om rechtstreeks met hem contact te hebben. Om 12:26 uur vraagt [betrokkene 12] [betrokkene 11] naar bivakmutsen en handschoenen. [betrokkene 11] laat weten dat de bivakmutsen weg waren omdat Mexx ze bij iemand had achtergelaten. Uit de volgende berichten leidt de rechtbank af dat het de bedoeling was om [betrokkene 8] op 2 december 2016 te liquideren. Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 12:54 [betrokkene 12] [betrokkene 11] Oke top sir u weet actiedag vandaag dus moeten alles snel en tiptop regelen. 15:57 [betrokkene 12] [betrokkene 11] Geen probleem. Heb je gekeken ofdat die hond bewogen is, zo niet dan ga snelweg op sir. Wil vandaag een whoop whoop te horen krijgen Het PGP-toestel van [medeverdachte 2] straalt op diezelfde dag aan het einde van de middag (om 17:01 en 17:53 uur) zendmasten aan in Landsmeer. Daar wordt door politieambtenaren omstreeks 18:50 uur gezien dat een BMW met kenteken [kenteken] , een grijze Renault Clio met een kenteken beginnend met [kenteken] en een zwarte Volkswagen Transporter uit een garagebox aan het adres [adres] rijden. Gezien is dat de BMW en de Renault Clio op de toerit naar de A10 links in de richting van Coenplein rijden. Uit ARS-gegevens blijkt dat een Renault Clio met kenteken [kenteken] om 19:53 uur op korte afstand van deze BMW op de A16 rijdt. De Renault Clio met kenteken [kenteken] is door ARS gesignaleerd om 21:46 uur op de kruising van de Adriaan Volkerweg en de Olympiaweg te Rotterdam . De BMW met kenteken [kenteken] is door ARS om 22:16 uur gesignaleerd op de Klein Nieuwland en om 22:18 uur op het Kreekhuizerplein , allebei te Rotterdam . Het PGP-toestel van [medeverdachte 2] straalt tussen 20:58 uur en 21:24 uur zendmasten aan gelegen aan de Veerlaan, de Veerhaven en het Stationsplein te Rotterdam. Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat deze Renault Clio dezelfde is als de Renault Clio die in Landsmeer met de BMW uit de garagebox is gereden en dat [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij de beweging van deze auto’s vanuit Landsmeer naar Rotterdam. In de tussentijd – om 19:13 uur – heeft [betrokkene 11] een bericht aan [betrokkene 12] gestuurd: ‘Rij net langs zijn huis fiets van hem staat hier’. Om 22:24 uur wordt Baken 2 – eveneens op 10 mei 2017 aangetroffen op het verblijfadres van [verdachte] – actief en straalt een zendmast aan op De Laagjes te Rotterdam. Het daarbij behorende bakentoestel 2 straalt dan de zendmast gelegen aan de Pythagorasweg 5 in Rotterdam aan. Ook het telefoonnummer van [betrokkene 8] straalt deze zendmast aan en om 22:56 uur doet het PGP-toestel van [betrokkene 11] dat ook. De rechtbank leidt hieruit af dat [betrokkene 8] op dat moment het bakentoestel bij zich heeft. Op Baken 2 en bakentoestel 2 – allebei op 10 mei 2017 aangetroffen op het verblijfadres van [verdachte] – zijn dactyloscopische sporen en DNA van [medeverdachte 2] aangetroffen. Ondertussen wisselen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] de volgende chats. Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 22:44 [betrokkene 11] [betrokkene 12] Ik ben de straat van hond 22:50 [betrokkene 11] [betrokkene 12] Ik zag hem net staan auto stond geparkeert maar ik kan daar niet staan is een richtingsweg kleine smale straat en jongens stonden bij zijn auto ik maak blokje weg is tie en die track tript weer hij geeft deze straat aan weer 22:52 [betrokkene 12] [betrokkene 11] Pfffff text die sweep of denhaag sir Het PGP-toestel van [medeverdachte 2] beweegt om 00:24 uur van Rotterdam richting Gouda. Het telefoonnummer van [betrokkene 8] en bakentoestel 2 bewegen (respectievelijk om 00:28 uur en 01:36 uur) in dezelfde richting naar de Kleiweg in Rotterdam, terwijl van Baken 2 geen zendmastgegevens meer worden geregistreerd. Het baken lijkt dus niet (meer) te functioneren. Het PGP-toestel van [medeverdachte 2] straalt om 08:39 uur een zendmast aan in Utrecht. De BMW is door ARS gesignaleerd om 05:05 uur op het Kreekhuizerplein en om 05:06 uur op de Klein Nieuwland en de kruising van de Adriaan Volkerweg en de Olympiaweg, steeds in Rotterdam. Bakentoestel 2 straalt om 05:12 uur de zendmast Hogeweide A2 in Utrecht aan en bakentoestel 1 om 05:29 uur de zendmast Amsterdamsestraatweg 441 in Utrecht. De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] in de avond van 2 december 2016 en de daaropvolgende nacht met [betrokkene 11] of [medeverdachte 2] is geweest. Zijn telefoon straalt om 19:19 uur een zendmast in Utrecht aan, om 20:19 uur een zendmast in Bodegraven en om 20:50 uur en 21:16 uur de zendmast Millinxstraat 33 in Rotterdam. Om 21:16 uur, 21:59 uur en 22:00 uur straalt zijn telefoon de zendmast Sint-Andriesstraat 300 in Rotterdam aan en vanaf 00:46 uur tot 05:01 uur blijft zijn telefoon deze zendmast regelmatig aanstralen. Tussen 03:08 uur en 03:11 uur straalt zijn telefoon ook enige malen de zendmast Millinxstraat 33 in Rotterdam aan. Het laatste contact in Rotterdam is om 05:01 uur op de zendmast Sint-Andriesstraat 300 en vanaf 06:01 uur straalt zijn telefoon zendmasten in Utrecht aan. 4.5.3.6 3 december 2016 Uit de PGP-berichten in de nacht/ochtend van 3 december 2016 tussen [betrokkene 11] en MarsMelow ( [medeverdachte 14] ) en tussen [betrokkene 11] en Zwarte Joop ( [medeverdachte 5] ) blijkt dat Baken 2 niet naar behoren werkt en wordt vervangen. Uit berichten vanaf 09:44 uur blijkt dat een nieuw baken is geplaatst. [betrokkene 12] stuurt de gebruiksaanwijzing (afkomstig uit een doorstuurbericht) van [medeverdachte 5] door aan [betrokkene 11] . Uit onderstaande berichtenwisseling – waarin met ‘Sir’, ‘ENEMY FOR MOTHERFUCKERS’, ‘P’ en ‘Patt’ naar het oordeel van de rechtbank [medeverdachte 16] wordt bedoeld – leidt de rechtbank af dat ook [medeverdachte 16] zich actief bemoeit met de bakens. Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 12:41 [medeverdachte 5] [betrokkene 11] Sir zegt dat u ook 2x nieuwe tracks heb in bezit??? 12:44 [betrokkene 11] [medeverdachte 5] Ik heb 1 hier die 1tje is gistern kapot weggegooid simkaar kapot alles moest gisteren 12:50 [medeverdachte 5] [betrokkene 11] FW: ENEMY FOR MOTHERFUCKERS 1 [12/03/2016 @ 12:48 pm] Ja dus 1nieuwe heeft ie ja 1kapot klopt die is weg dus 4stuks 12:50 [medeverdachte 5] [betrokkene 11] Dus 1 is stuk en dan heeft u nog 1 nieuwe zegt sir???? 12:51 [betrokkene 11] [medeverdachte 5] Ik heb hhier twee tracks sir 1tje is kapot 12:52 [betrokkene 12] [betrokkene 11] Je moet beter leren uitleggen want zo krijg je 2 mensen die straks pissig zijn op jou ik en P. Dus beter uitleggen sir 12:53 [betrokkene 12] [betrokkene 11] Ja die was nog nieuwe man, wat bezield jou, hoe kan je die weggooien zonder te overleggen met mij of met P 12:55 [betrokkene 11] [betrokkene 12] P zegt tegen mij rij snelweg op gooi die track kapot dachte actie zou gebeuren moest ook meteen weg maar is geen actie gebeurrt 13:01 [betrokkene 11] [betrokkene 12] Ik ga zoizo niet te slapen sir gisteren die man alstie naar huis was gegaan wastie weg die track deed het niet meer heb hem nog opgespoord alles waar die hond was zharr gelijk die track erafgehaald 13:25 [betrokkene 11] [betrokkene 12] Sir ik geef gisteren aan batt is bijna leeg en dat ik baan op ga ik moest nog ff die fimpje kijken kon ik gaan ik ga ik zie auto daar voor de deur maar ik krijg geen kans om track te verwissel of eraf te halen batt valt uit die man is spoorloos ik vind hem op adres in de nacht patt vraagt hoelang is van daar naar zijn adres ik zeg 12 km pat zegt als hij gaat bewegen dan gelijk weggg track weggooien snelweg op gaan wij dachten dat hij naar huis is gegaan hij is dus niet naar huis gegaan wachten hele tijd niks toen moest nieuwe track eronder maar die track doet niet dus sir dit is percies hoe is gegaan gisteren en waarom sir kunnen tracks niet gwn start klaar worden afgeleverd nu moet ik weer na die man van denhaag snapt u sir Bovendien schrijft [betrokkene 11] in zijn berichten over de bakens dat hij samen was met [medeverdachte 2] . Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 13:55 [betrokkene 11] [betrokkene 12] Ik ga naar denhaag wollah Mexx was erbij heb ik ook tegen joop gezegt is zijn eigen ding wollah hij was 1 uur bezig om aan te krijgen allemaal codes en shitt is nog wel zijn ding 21:20 [betrokkene 11] [betrokkene 12] Nee joh wat stond niet sir we zijn drie kwartier bezig mexx is naats mij getuigen Baken 3 – door de politie aangetroffen onder de auto van [betrokkene 8] – wordt actief in Gouda om 19:21 uur. Het PGP-toestel van [medeverdachte 2] straalt vanaf 19:40 uur zendmasten aan in Gouda. Baken 3, bakentoestel 3 en het telefoonnummer van [betrokkene 8] stralen later die dag zendmasten aan in de directe woonomgeving van [betrokkene 8] . De simkaarthouder behorende bij het nummer van Baken 3 is op 10 mei 2017 aangetroffen in de woning van [verdachte] . 4.5.3.7 Periode van 4 en 5 december 2016 Om 16:55 uur straalt bakentoestel 3 een zendmast in Woerden aan en om 17:39 uur een zendmast in de directe woonomgeving van [betrokkene 8] . Vanaf 19:58 uur bewegen Baken 3 en bakentoestel 3 in de richting van het centrum van Rotterdam. Het telefoontoestel van [verdachte] straalt die avond voor het laatst om 22:06 uur een zendmast aan in Utrecht en vervolgens de volgende ochtend om 06:17 uur weer. Omstreeks middernacht vindt de melding van de inbraak plaats waarbij [betrokkene 8] zegt te zijn beschoten, zoals hiervoor verwoord in de inleiding. Door de politie is Baken 3 onder de auto van [betrokkene 8] aangetroffen. Onderzoek heeft uitgewezen dat bakentoestel 3, waarin een simkaart zat waarvan de simkaarthouder is aangetroffen bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] , bij dit baken hoort. Omstreeks 00:12 uur wordt de BMW brandend aangetroffen op de Prinsendijk in Rotterdam. De Renault Clio is om 00:19 uur en 00:20 uur rijdend gesignaleerd door ARS op de Adriaan Volkerweg in Rotterdam. De eerstvolgende signalering van deze Renault Clio is om 19:35 uur op de Adriaan Volkerweg in Rotterdam, om 19:38 uur op de A16, om 20:38 uur (blijkens een bekeuring) in Utrecht en om 21:18 uur op de Ringweg Noord/A10 in Amsterdam. 4.5.4 Oordeel van de rechtbank 4.5.4.1 Poging tot moord? [betrokkene 8] zegt te zijn beschoten, maar hij heeft meerdere verklaringen afgelegd die niet helemaal eensluidend zijn. Hij heeft direct toen de politie ter plaatse kwam verklaard dat hij even terug liep naar zijn auto, toen hij die BMW zag. Hij stopte en zag twee schimmen uitstappen. Toen hoorde hij ‘tak tak tak’. Ze schoten met een Kalasjnikov, hij herkende het geluid. Hij zegt dat hij heel hard is gaan rennen en toen bij de woning naar binnen is gegaan. De ruit heeft hij kapotgemaakt. In de ambulance zegt hij tegen de meerijdende politieambtenaar dat hij voor zijn woning een zwarte BMW 335 zag staan en wist dat het foute boel was. Hij zegt dat hij twee mannen zag uitstappen met bivakmutsen, dat hij meteen is gaan rennen en vluchten en dat hij tijdens het vluchten pistoolschoten hoorde. Hij zegt dat hij bleef rennen, op een gegeven moment ten val is geraakt en op dat moment heel erg bang was dat ze hem dood zouden schieten. Toen hij op wilde staan draaide hij zich kort om, om te kijken of de mannen nog achter hem aan zaten. Met een stoel heeft hij de ruit ingeslagen en in die woning heeft hij zich verschanst in een kamer boven. Als [betrokkene 8] dezelfde dag als verdachte wordt gehoord zegt hij dat hij op het moment van rennen “politie, politie” schreeuwde en ‘paf’ hoorde. Ook verklaart hij dat een van de twee mannen iets zwarts in zijn handen had en dat hij denkt dat het een handvuurwapen was, maar dat hij het niet goed heeft gezien. Op 12 januari 2017 doet hij aangifte van poging tot doodslag/moord. Op 1 september 2021 is [betrokkene 8] als getuige gehoord door de rechter-commissaris, maar toen heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen. [betrokkene 8] is in de woning waar hij was binnengedrongen door de politie bloedend aangetroffen. Hij had op dat moment zijn shirt uit, omdat hij wilde controleren of hij geraakt was. De verwonding aan zijn hoofd is bekeken, maar de politie constateert dat dit een snijverwonding is als gevolg van het springen door het raam en dat hij geen verdere verwondingen heeft. Een BMW als die waar [betrokkene 8] over heeft verklaard is 10 minuten later brandend aangetroffen. Dit is dezelfde BMW die (zie hoofdstuk 4.5.3.5 Periode van 2 en 3 december 2016) op 2 december 2016 in Landsmeer door de politie is gezien terwijl deze uit de loods reed waar op 7 en 8 februari 2017 een doorzoeking is gedaan. Daarbij is een grote hoeveelheid gestolen auto’s, kentekenplaten en andere goederen aangetroffen die gerelateerd zijn aan door de organisatie van [medeverdachte 16] gepleegde moorden of pogingen daartoe. Bij de bespreking van de criminele organisatie zal hier nader op worden ingegaan. De politie heeft een buurtonderzoek gedaan en meerdere mensen gesproken, maar niemand heeft gezien of gehoord dat er geschoten is of dat iemand met een vuurwapen op straat liep. Enkele getuigen hebben rond de tijd dat [betrokkene 8] zegt te zijn beschoten een dan wel twee knallen gehoord, maar de rechtbank kan niet vaststellen of dit van een vuurwapen is geweest of dat het geluid afkomstig was van bijvoorbeeld het slaan tegen de ruit kort voor het naar binnen vluchten in de woning. Dat [betrokkene 8] in paniek deze woning in is gevlucht en heeft gevraagd om de politie te bellen staat voor de rechtbank vast. Dat hij ervan overtuigd is dat hij is beschoten wil de rechtbank ook aannemen, maar onderzoek ter plaatse heeft niet geleid tot de vondst van een huls of een kogelinslag. Dat er daadwerkelijk geschoten is acht de rechtbank op grond van het bovenstaande niet bewezen. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan de rechtbank evenmin afleiden dat de man (of mannen) die uit de BMW zou(den) zijn gestapt achter [betrokkene 8] is (of zijn) aangerend. [betrokkene 8] verklaart dit zelf niet – hij heeft het alleen over mannen met bivakmutsen die uitstappen – en ook de gehoorde getuigen verklaren dit niet. Ook andere feitelijkheden die kunnen wijzen op een begin van uitvoering van een liquidatie, zoals het uitstappen van mannen met bivakmutsen, kan de rechtbank niet vaststellen. De verklaring van [betrokkene 8] wordt op dit punt namelijk niet ondersteund door ander bewijs. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de BMW met hoge snelheid is weggereden. Er is alleen één getuige die verklaart over een auto die met snelle vaart reed. De rechtbank realiseert zich dat de – wel uit de bewijsmiddelen volgende maar niet ten laste gelegde – omstandigheid dat de BMW kort nadat [betrokkene 8] de woning is binnengedrongen brandend is aangetroffen past bij een poging tot liquidatie, omdat dit een gebruikelijke werkwijze is om sporen uit te wissen. Maar voor een poging tot liquidatie is dus geen bewijs. Nu – als gezegd – de ten laste gelegde handelingen die een dergelijke conclusie kunnen dragen niet bewezen zijn, dient vrijspraak te volgen. Dit leidt ertoe dat [medeverdachte 16] , [medeverdachte 2] en [verdachte] worden vrijgesproken van het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 8] en dat [medeverdachte 2] en [verdachte] eveneens worden vrijgesproken van medeplichtigheid daaraan. 4.5.4.2 Slotoverweging De rechtbank heeft er – ondanks de vrijspraak – voor gekozen om de bewijsmiddelen in het zaaksdossier Plato uitgebreid in dit vonnis op te nemen, omdat deze van belang zijn bij de later in dit vonnis te bespreken verdenking van deelname aan een criminele organisatie. Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen om geen voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 8] (subsidiair) ten laste te leggen, maar uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt voor de rechtbank zonneklaar dat in ieder geval [betrokkene 11] en [betrokkene 12] – die beiden thans niet terechtstaan – zich daarmee hebben beziggehouden. Zij zijn immers sinds eind november 2016 dagelijks bezig geweest met het plaatsen van maar liefst drie bakens onder de auto van [betrokkene 8] en het in kaart brengen van zijn bewegingen met als doel om hem te (laten) liquideren. Hoewel de bakens, telefoons en simkaarten die in deze zaak van belang zijn, zijn aangetroffen in de woning van [verdachte] , kan uit de bewijsmiddelen – anders dan bij [medeverdachte 16] en [medeverdachte 2] – geen strafbare betrokkenheid bij de voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 8] worden vastgesteld. Niettemin zijn de overwegingen in dit zaaksdossier in het licht van de hem verweten deelname aan genoemde criminele organisatie ook in zijn zaak van belang. 4.6 Zaaksdossier Roos/Doorn 4.6.1 Inleiding Het zaaksdossier Roos/Doorn betreft het onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 1] ) op 12 januari 2017 te Utrecht (onderzoek Roos) en een incident op 14 januari 2017 waarbij twee personen, die mogelijk een moord wilden plegen op [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), na een achtervolging zijn aangehouden (onderzoek Doorn). [verdachte] wordt beschuldigd van betrokkenheid bij beide zaken. 4.6.2 Standpunten Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat medeplichtigheid aan moord op [slachtoffer 1] bewezen verklaard kan worden, evenals medeplichtigheid aan voorbereiding van moord op [betrokkene 1] . De verdediging bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken. 4.6.3 Feiten en omstandigheden 4.6.3.1 Telefoonnummers In dit zaaksdossier komen verschillende telefoonnummers voor, die in het dossier respectievelijk aan [betrokkene 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] worden toegeschreven. De rechtbank merkt daarover het volgende op. Het telefoonnummer 31684944927 was in gebruik bij [betrokkene 1] . Het telefoonnummer 31618654112 was in gebruik bij [verdachte] . [verdachte] heeft op de terechtzitting van 23 november 2022 echter verklaard dat hij de telefoon met dit nummer vaak uitleende aan [betrokkene 11] . Vaak was dat op een moment dat [verdachte] en [betrokkene 11] thuis waren, maar [betrokkene 11] ging ook wel eens één à anderhalf uur weg met de telefoon, aldus [verdachte] . De rechtbank gaat aan deze verklaring van [verdachte] voorbij. De reden daarvoor is dat [verdachte] deze stelling pas in een zeer laat stadium van de procedure heeft ingenomen, terwijl hij eerder heeft verklaard dat hij de enige gebruiker was van deze telefoon. Verder heeft de rechtbank in het dossier ook geen aanwijzingen gevonden dat een ander deze telefoon ook gebruikte. Een verbalisant heeft een stemvergelijking uitgevoerd op basis van tapgesprekken. Op grond daarvan concludeert deze dat het telefoonnummer 31685721705 werd gebruikt door dezelfde persoon als het telefoonnummer 31618654112, dus door [verdachte] . [verdachte] bestrijdt bij pleidooi dat hij het telefoonnummer 31685721705 op 12 januari 2017 in bezit heeft gehad. Hij heeft dit laatstgenoemde telefoonnummer mogelijk wel later in gebruik gehad, toen de telefoon met het nummer 31618654112 was stukgevallen en hij een telefoon uit de kast had gepakt zonder te weten waarvoor deze eerder was gebruikt. De rechtbank verwerpt dit scenario van [verdachte] . Uit het dossier volgt immers dat [verdachte] het telefoonnummer 31618654112 is blijven gebruiken, bijvoorbeeld in een gesprek met zijn moeder op 14 april 2017. Dat is niet te rijmen met zijn stelling dat de telefoon was stukgevallen. [verdachte] wijst er nog op dat het telefoonnummer 31685721705 contact heeft met het telefoonnummer 31685672768, terwijl in het dossier dat telefoonnummer ook aan [verdachte] wordt toegeschreven. Uit een proces-verbaal blijkt echter dat zowel [verdachte] als zijn moeder dat laatste telefoonnummer gebruiken. Daarbij past ook dat dat telefoonnummer in de administratie van [verdachte] voorkomt als ‘mamie2’. De rechtbank concludeert dat het telefoonnummer 31685721705 (ook) in gebruik was bij [verdachte] . Het telefoonnummer 31619156941 was in gebruik bij [medeverdachte 2] . Het telefoonnummer 31687747649 wordt in het dossier in verband gebracht met [medeverdachte 2] , maar de aanwijzingen dat [medeverdachte 2] dit telefoonnummer zou gebruiken – vijf contacten van [medeverdachte 2] zijn ook een contact van dit telefoonnummer en de telefoonnummers 31619156941 en 31687747649 stralen vaak bij elkaar in de buurt aan – acht de rechtbank onvoldoende concreet om daarvan uit te gaan, temeer omdat beide telefoonnummers zich soms los van elkaar verplaatsen. Reeds daarom schrijft de rechtbank het telefoonnummer 31687747649 niet toe aan [medeverdachte 2] . 4.6.3.2 Auto’s regelen [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 8] hem in december (de rechtbank begrijpt: 2016) vroeg of hij auto’s kon regelen. [medeverdachte 1] vroeg dat vervolgens aan [betrokkene 13] (hierna: [betrokkene 13] ) en kreeg van hem een lijstje van auto’s die geleverd konden worden. Hij stuurde dat lijstje door naar [medeverdachte 8] , die het weer doorstuurde naar [medeverdachte 16] . Er kwam respons op dat ze vier auto’s wilden hebben, waaronder een Audi A5 en een Audi Q5. Het verzoek was afkomstig van [medeverdachte 16] . [medeverdachte 1] weet dat [medeverdachte 16] de opdracht gaf omdat het een doorstuurbericht betrof. De werkwijze was volgens [medeverdachte 1] dat de dieven een afspraak maakten met de persoon die een auto aanbood op internet en vervolgens ’s nachts de auto stalen. Op het moment dat [medeverdachte 1] het verzoek van [medeverdachte 8] kreeg om auto’s te regelen, wist hij al dat de auto’s voor liquidaties en observaties gebruikt zouden worden, zo verklaart hij. De verklaring van [medeverdachte 1] wordt bevestigd door [betrokkene 13] . Hij verklaart dat hij een Audi Q5 en een Audi A5 heeft geleverd aan [medeverdachte 1] , die hij herkent als hem een foto wordt getoond van [medeverdachte 1] . Hij denkt dat hij de Audi Q5 na nieuwjaarsdag heeft geleverd. De Audi Q5 was zwart van kleur. [medeverdachte 1] verklaart verder dat hij aan [medeverdachte 8] doorgaf dat er nieuwe kentekenplaten op de Audi A5 moesten worden gezet. [medeverdachte 8] stuurde dat door naar [medeverdachte 16] , die zei: kies maar wat platen uit, we gaan ze drukken. Voor de Audi A5 vond [medeverdachte 1] een kenteken van een soortgelijke auto op internet. [medeverdachte 1] verwijderde de originele kentekenplaten van de Audi A5 en gooide deze bij de bankjes aan de Lauwerecht in de Vecht. [medeverdachte 1] heeft de Audi Q5 en de Audi A5 afgeleverd door ze op de Chilidreef te parkeren. Het onderzoek levert bevestiging op van dit deel van de verklaring van [medeverdachte 1] . Op 11 juli 2017 worden ter hoogte van het zitplateau aan de Lauwerecht in de Vecht twee kentekenplaten opgedoken met het kenteken [kenteken] . Dit kenteken past bij een Audi A5 die tussen 3 en 5 januari 2017 is gestolen. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] op verzoek van [medeverdachte 8] voor [medeverdachte 16] twee gestolen auto’s aanschaft en deze met valse kentekenplaten aflevert aan de organisatie van [medeverdachte 16] . 4.6.3.3 [betrokkene 1] invalide maken [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 7] hem ongeveer tien dagen voor de liquidatie (de rechtbank begrijpt: van [slachtoffer 1] ) een bericht van [medeverdachte 16] liet zien over ‘Imo’, waarin stond: ‘we gaan hem gehandicapt maken. Dat hij nooit meer kan lopen’. Volgens [medeverdachte 1] had Imo blijkbaar geroddeld. Op 2 januari 2017 stuurt [medeverdachte 16] aan [medeverdachte 7] onder meer de volgende berichten. Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 14:34 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Broertje zo een jongen werkte by malabata vroeger, imo kent u die? 14:41 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ja broertje die kk hond geeft info, wat die hoort en ziet, aan die [betrokkene 3] en piet. hy zei dat [betrokkene 3] op een lyst staat etc! Ok top 14:45 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok vieze hoerenkind even invalide maken komt ie vaak by u? 14:49 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok broertje dank u 14:51 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Dank zeer broertje 14:54 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok even invalide maken beter voor hem kk gasten info honden De antwoorden van [medeverdachte 7] ontbreken, maar hij heeft wel verklaard dat hij een verzoek kreeg om uit te kijken naar [betrokkene 1] , die Imo wordt genoemd. Imo zou een pak slaag krijgen. [medeverdachte 7] vertelde dat aan [medeverdachte 1] , zo verklaart hij. De rechtbank stelt op basis van het bovenstaande vast dat [medeverdachte 16] aan [medeverdachte 7] vraagt om naar [betrokkene 1] uit te kijken. [betrokkene 1] moet volgens [medeverdachte 16] invalide gemaakt worden. 4.6.3.4 [betrokkene 1] naar de hel sturen [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 7] hem een bericht van [medeverdachte 16] liet zien waarin deze over Imo zei: ‘Ik ga hem naar de hel sturen, hahaha’. Dat was een of twee dagen na het bericht dat [medeverdachte 16] Imo gehandicapt ging maken. Imo hing vaak in lounges. Aan [medeverdachte 1] werd toen twee keer gevraagd: kun je even kijken of hij daar binnen is? Hij zag Imo echter niet. De verklaring van [medeverdachte 1] wordt grotendeels bevestigd in een bericht van 5 januari 2017 van [medeverdachte 16] aan [medeverdachte 7] met de volgende inhoud. Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 21:28 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Hahaha telepathie heb alles al van hem broertje die gaat snel na hell hahahaha [medeverdachte 7] verklaart dat [medeverdachte 1] naar [betrokkene 1] op zoek ging. [medeverdachte 1] gaf de gegevens door aan [medeverdachte 7] , die deze weer doorgaf aan de verzoeker, aldus [medeverdachte 7] . De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 16] enkele dagen na het bericht dat [betrokkene 1] invalide gemaakt moest worden, aan [medeverdachte 7] meldt dat hij [betrokkene 1] naar de hel zal sturen. Mede gelet op de vaststellingen die de rechtbank hierna doet, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 16] daarmee bedoelt dat hij [betrokkene 1] zal laten vermoorden. 4.6.3.5 7 januari 2017 Op 7 januari 2017 sturen [medeverdachte 16] en [medeverdachte 1] onder meer de volgende berichten naar [medeverdachte 7] . Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 22:02:48 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] bell [01/07/2017 @ 10:53 pm] Salaam sir, die track heeft een storing ik denk door de kou sir maar die hond is in pacha nu sir ze fiets staat daar voor de deur, kunt u niet achter komen waar die binnen zit sir en wat die aan heeft zodat we de juiste man kunnen filmen. 22:02:58 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Salam broertje alles goed die imo is daar iemand nu 22:07 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Dank u broertje 22:08 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ok bro nu of mag het met 20min? 22:12 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ok bro 22:15 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok sir en zeg wat ie aanheeft dan laat ik hem opnemen dan weten we zeker zit 22:18 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok dank u broertje 22:25 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] volgens mij zit ie hier bro met zwart witte dsquared pet audi van z'n broertje staat ook voor de deur als dat hem is kan niet dichtbij komen is vol 22:26 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] [betrokkene 14] zit ook aan die tafel die zie ik wel en tegenover hem zit denk ik die Imo ga je zo bevestigen 22:27 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Nee Pasha bro 22:30 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ga je zo bevestigen kan niet bij die tafel komen hij zit achterin met rug na me toe... 22:38 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Zwarte jas zwart pet met witte grote letters op z'n pet van dsquared hij is de enige er mee hij zit met [betrokkene 14] 22:39 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Imo is toch die broer van die dikke die bij ons komt van die audi a3 toch die graag grappig doet? 22:41 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ok bro hij is hier binnen je weet welke squared pet hij draagt toch? 22:43:07 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Achter rechts 22:43:57 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Zwarte pet met witte letters rondom van dsquared 22:44:47 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Klaar bro? 22:46 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ok ga hier met 5min wG dan stuur ik je kenteken 22:51 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] [kenteken] dat is hem volgens mij staat geen andere hij staat precies op de hoek geparkeerd van die eet tent hij staat op de stoep als je deur uitloopt rechts 23:01 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ok bro hell vandaag? De werkelijke tijdstippen van de hierboven genoemde berichten zijn één uur later dan de in de linker kolom vermelde tijd. Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat een zekere ‘bell’ (hierna: Bell) aan [medeverdachte 16] meldt dat de tracker (de rechtbank neemt aan: de tracker die is bevestigd onder de auto van [betrokkene 1] ) storing heeft, maar dat [betrokkene 1] zich in Le Pacha bevindt, want zijn auto staat voor de deur. Bell wil weten waar [betrokkene 1] zit en wat hij aanheeft, zodat ze hem kunnen filmen. [medeverdachte 16] stuurt dat bericht om 23:02 uur door naar [medeverdachte 7] en vraagt hem of er iemand in Le Pacha is. Berichten van [medeverdachte 7] ontbreken, maar uit [medeverdachte 16] ’s opmerking ‘Dank u broertje’ maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 7] reageert. Dat wordt ook bevestigd door de berichten van [medeverdachte 1] , waaruit volgt dat hij een verzoek van [medeverdachte 7] heeft gekregen en vervolgens naar Le Pacha gaat. [medeverdachte 7] meldt dat kennelijk aan [medeverdachte 16] , gelet op diens opmerking ‘Ok sir en zeg wat ie aanheeft dan laat ik hem opnemen dan weten we zeker zit’. [medeverdachte 1] meldt [medeverdachte 7] vervolgens waar [betrokkene 1] zit en welke kleding deze draagt. De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 7] het verzoek van [medeverdachte 16] doorgeeft aan [medeverdachte 1] en dat deze de gevraagde informatie aan [medeverdachte 7] verstrekt. Aanstralen zendmasten De telefoon met het telefoonnummer dat bij [betrokkene 1] in gebruik is straalt op de avond van 7 januari 2017 om 22:58 uur en om 23:06 uur een zendmast aan in de directe omgeving van Le Pacha. De telefoons die in gebruik zijn bij [verdachte] en [medeverdachte 2] stralen die avond (respectievelijk om 22:44 uur en 23:11 uur) een zendmast aan op vijfhonderd meter van Le Pacha. Dat is omstreeks de tijdsaanduiding (10:53
- pm)die vermeld staat in het doorgestuurde bericht van Bell over de aanwezigheid van [betrokkene 1] in Le Pacha. 4.6.3.6 8 januari 2017 Foto maken [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 16] aan [medeverdachte 7] vroeg om een foto van Imo te maken in de Platinum Lounge en dat [medeverdachte 7] dat weer aan [medeverdachte 1] vroeg. [medeverdachte 1] sprak met [medeverdachte 7] af dat hij foto’s zou maken en die naar [medeverdachte 8] zou doorsturen. [medeverdachte 8] zou ze dan doorsturen naar [medeverdachte 16] , die ze weer zou doorsturen naar de heads. [medeverdachte 1] probeerde een foto te maken met zijn Sky-telefoon, maar dat lukte niet. Met zijn iPhone maakte [medeverdachte 1] vervolgens foto’s van Imo en die stuurde hij door naar [medeverdachte 8] , met het verzoek ze door te sturen naar [medeverdachte 16] . [medeverdachte 8] wist echter nergens van. Hij zei: ‘wie is die man? Die ken ik niet’. Hij stuurde de foto’s uiteindelijk wel door. [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 8] of de foto’s goed waren. [medeverdachte 8] vroeg dat weer aan [medeverdachte 16] , die zei: ‘ja, het is goed, top’, aldus [medeverdachte 1] . In een onder [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone is een foto aangetroffen waarop [betrokkene 1] te zien is. Bij deze foto staat als informatie: ‘Created 8-1-2017 03:26:25’. De GPS-locatie die is opgeslagen in de iPhone is die nacht tussen 00:00 en 03:45 uur gelegen op enkele meters afstand van de Platinum Lounge. Op 8 januari 2017 worden de volgende berichten verstuurd tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] , [medeverdachte 16] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] . Hoewel in twee hieronder opgenomen berichten geen tijdstip en verzender, en in één geval ook geen ontvanger, vermeld staan, stelt de rechtbank op grond van de inhoud ervan vast dat het een lopende berichtenwisseling is tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] . Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 00:57:13 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] HIJ Is hier 00:57:15 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Lounge 00:59 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ja bro 01:00 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ga zo probere foto te maken 01:02 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ja aub sir maak foto voor zeker heid 01:04 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ok bro 01:10 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok dank u broertje 01:12 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ja ben bezig hij zit alleen donkere kant waar precies geen licht is dus ga me best doen 01:14 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ja ga ik doen 01:37 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ben bezig maak ze met m'n iphone die andere pakt hem slecht 01:39 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] lphone maakt goeie foto's dan maak ik ze met m'n BlackBerry van de iphone foto's overnemen komt goed 02:28 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Heb kar foto’s gestuurd 02:30 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Verifieer of ze goed zijn anders maak ik nieuwe 02:33 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Vertel kar even na wie ze die moet doorsturen 02:36 [medeverdachte 8] [medeverdachte 7] Salam wie is IMO van de foto die net N naar mijn stuurde ??? 02:38 [medeverdachte 8] [medeverdachte 7] Maar dat is geen [betrokkene 3] uit amsfoord -------Original Message------- From: Panter new To: Selftest Subject: Re: Sent: Jan 8, 2017 3:37 AM Die kleine had die foto's nodig van hem broer -------Origineel bericht------- Van: Real Aan: Selftest Onderwerp: Verzonden: 8 Jan 2017 03:36 Salam wie is IMO van de foto die net N naar mijn stuurde ??? 02:40 [medeverdachte 8] [medeverdachte 7] Is dat die Piwi ??? (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 7] ) [medeverdachte 8] Nee iemand anders hij vroeg om hem deze komt uit overvecht -----Origineel bericht------ Van: Real Aan: Selftest Onderwerp: Verzonden: 8 Jan 2017 03:40 Is dat die piwi ??? 02:42 [medeverdachte 8] [medeverdachte 7] Oke wie is hij dan??? (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 7] ) (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 8] ) Deze jongen werkte vroeger bij malabata cofeeshop hij speelde info door na wat mensen hij zei tegen hun dat [betrokkene 3] amersfoort op lijst staat enzo hij is marokaans -----Origineel bericht------ Van: Real Aan: Selftest Onderwerp: Verzonden: 8 Jan 2017 03:42 Oke wie is hij Dan ??? 02:49 [medeverdachte 8] [medeverdachte 7] Oke 02:56 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok dank u sir 02:56 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Dank u broertje De werkelijke tijdstippen van de hierboven genoemde berichten zijn één uur later dan de in de linker kolom vermelde tijd. [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 16] de bijnaam ‘kleine’ heeft. De rechtbank stelt vast dat deze berichten de verklaring van [medeverdachte 1] bevestigen dat hij na overleg met [medeverdachte 7] , die weer overlegt met [medeverdachte 16] , foto’s maakt van [betrokkene 1] voor de heads. [medeverdachte 1] stuurt die foto’s vervolgens naar [medeverdachte 8] , die ze doorstuurt naar [medeverdachte 16] . Aanstralen zendmasten In de nacht van 8 januari 2017 stralen de telefoons van [verdachte] (om 01:54 uur) en [medeverdachte 1] (om 02:00 uur) dezelfde zendmast aan, gelegen op de Perudreef 8 te Utrecht, in de directe omgeving van de Platinum Lounge. 4.6.3.7 Avond van 9 januari 2017 en nacht van 9 op 10 januari 2017 Op 9 januari 2017 stuurt [medeverdachte 16] de volgende berichten aan [medeverdachte 7] . Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 19:49 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] bell [01/09/2017 @ 8:45 pm] Sir hond is thuis nog,hele dag niet bewogen ook sir, fietsen plaatsen alsnog sir of nog even wachten sir? 19:53 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Hele dag zyn auto niet bewogen. 19:58 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok broertje top alles staat klaar gewoon 20:04 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Dank u broertje dan laat ik heads erop afgaan Die avond straalt een Haifan T6-baken (IMEI-nummer 864768010761767 met telefoonnummer 31612639581) om 20:47 uur de zendmast aan de Tannhäuserdreef te Utrecht aan. Deze zendmast bevindt zich op driehonderd meter van de [adres] , waar [betrokkene 1] woont. Later wordt een Haifan T6-baken met het genoemde IMEI-nummer aangetroffen in de woning van [verdachte] aan de [adres] (beslagcode DOM161.04.05.009). In het aangetroffen baken bevindt zich de simkaart met het nummer 31612639581. Het baken krijgt SIN-nummer AAJV5839NL. Een bemonstering van de simkaarthouder van het baken (SIN-nummer AAKP2765NL#01) levert een match op met de (op dat moment) onbekende man F. De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel matcht met de profielen in profielcluster 39625. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] blijkt vervolgens te matchen met de profielen van cluster 39625. De rechtbank concludeert dat het DNA van [medeverdachte 2] zich bevindt op de simkaarthouder van een baken dat op 9 januari 2017 wordt gebruikt bij het achterhalen van [betrokkene 1] . Die nacht worden er ook nog berichten gewisseld tussen [medeverdachte 16] en [medeverdachte 7] en tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] . Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 00:09:07 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Notori [01/10/2017 @ 1:2 am] Die kut auto beslaat ook met 4man 00:09:26 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Pfff echt iedere dag is die er nu 3heads en driver staan er niks alles moekteb broertje 00:15 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Ok in pacha ook niet niks 00:17 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Nee heb al iemand in pacha hy is daar niet broertje 00:18 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] [betrokkene 14] is hier net binnen bro denk dat ie hierheen komt? 00:18 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Dank u voor de moeite broertje 00:19 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ok dan ga ik zo na scenario 00:23 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Is dat zyn vriend dus heads scherp laten zyn nu 00:31 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Scenario is die niet bro 00:32 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Dus daar is die ook niet laten we hopen hy gaat na u toe Uit deze berichten komt naar voren dat [medeverdachte 16] drie schutters en een chauffeur heeft klaarstaan, dat [medeverdachte 7] hiervan op de hoogte is, dat [medeverdachte 1] op zoek is naar [betrokkene 1] en dat hij, als hij hem gevonden heeft, [medeverdachte 7] daarvan op de hoogte brengt en dat [medeverdachte 7] vervolgens de bevindingen van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 16] doorgeeft. 4.6.3.8 Periode van 10 en 11 januari 2017 Mislukte aanslag [medeverdachte 1] verklaart dat hij had afgesproken dat hij [medeverdachte 7] een berichtje zou sturen als hij Imo in de Platinum Lounge zag op een moment dat [medeverdachte 7] daar zelf niet was. Toen die situatie zich voordeed, stuurde [medeverdachte 1] het bericht: ‘hij is hier binnen’. Er kwam vlak daarna bij [medeverdachte 1] een bericht binnen: ‘die hond is in Platinum sir’. [medeverdachte 1] leidde daaruit af dat er al een spotteam aanwezig was. Die nacht is het niet tot een aanslag gekomen omdat Imo door een zijingang zijn flat binnenging, terwijl de hitters bij een andere ingang stonden te wachten, aldus [medeverdachte 1] . Op 11 januari 2017 stuurt [medeverdachte 16] overdag de volgende berichten aan [medeverdachte 7] . Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 11:59 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Alikoem salam sir broertje nee had track eraf gehad dus als u hem ziet of hoort meld my even dan gaat track erop teveel pech gisteren alles moekteb was zyn dag niet en by wou ik hem niet doen voor deur dat kan niet 12:04 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Nee die hond is via andere weg thuis gekomen 15:01 [medeverdachte 16] [medeverdachte 7] Notor [01/11/2017@ 3:59
- pm)En sir weet je welke deur zijn ingang is, mocht hij weer andere kant komt of iets zet een man bij z'n deur [medeverdachte 1] stuurt op 11 januari 2017 ’s avonds de volgende berichten aan [medeverdachte 7] . Tijdstip Verzender Ontvanger Bericht 22:36 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ja bro die is gisteren op een haar na geglipt engeltje op z'n schouder's jij sliep gisteren had toen kar gemailt van die dwerg is hier kun je het doorgeven precies toen ik het doorgaf kreeg kar ook mail binnen van hij is in lounge spotter’s zaten op hem 22:39 [medeverdachte 1] [medeverdachte 7] Ik weet ze waren al bij z'n deur hij is via andere ingang na binnen gegaan De verklaring van [medeverdachte 1] vindt grotendeels bevestiging in bovenstaande berichten. Hieruit blijkt immers dat [medeverdachte 1] in de nacht van 10 op 11 januari 2017 (anders dan hij heeft verklaard aan [medeverdachte 8] (‘Kar’), en dus niet aan [medeverdachte 7] ) meldt dat [betrokkene 1] zich in de Platinum Lounge bevindt, dat hij van [medeverdachte 8] hoort dat er zich al een spotteam in de buurt bevindt en dat de aanslag die nacht mislukt. Ook blijkt uit de berichten dat [medeverdachte 16] [med