← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:6995

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/6206 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 november 2024 in de zaak tussen [verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster (gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder -van Overmeire), en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder (hierna: het CBR) (gemachtigde: mr. S. Sheikchote). Inleiding 1.

  1. Verzoekster is op [datum] 2024 betrokken geraakt bij een verkeersongeval op de [locatie] te Amsterdam. Zij is met haar brommobiel van het type [naam 1] van achteren tegen een stilstaande personenauto aangereden. Er is bij verzoekster door de politie een ademanalyse afgenomen. Het resultaat daarvan was 935 μg/l. 1.
  2. De politie heeft aan het CBR doorgegeven dat verzoekster is aangehouden met teveel alcohol op en in verband hiermee mededeling gedaan van het vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van motorrijtuigen. 1.
  3. Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 heeft het CBR de geldigheid van het rijbewijs van verzoekster geschorst totdat zij een onderzoek heeft laten doen naar haar alcoholgebruik. Ook dient verzoekster een cursus over alcohol en verkeer te volgen voordat zij weer mag rijden. 1.
  4. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot het CBR op haar bezwaar heeft beslist. 1.
  5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het CBR. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  7. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit te dienen belang. Spoedeisend belang
  8. Verzoekster voert aan dat zij zonder haar rijbewijs haar werk als [functie] nauwelijks kan uitoefenen. Zij heeft regelmatig cateringopdrachten door het hele land en is hiervoor afhankelijk van haar rijbewijs om de benodigde spullen te vervoeren. Het verlies van inkomsten leidt tot een ernstige belemmering in haar financiële situatie. Zij moet nu een taxi of een chauffeur inschakelen, hetgeen inhoudt dat zij nauwelijks meer marge overhoudt. Dit is voor verzoekster geen houdbare situatie. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande voldoende spoedeisend belang voor het indienen van het verzoek. Rechtmatigheid 5.
  9. Verzoekster heeft aangevoerd dat het CBR de schorsing van haar rijbewijs onvoldoende heeft onderbouwd nu het belangrijkste bewijsstuk, het proces-verbaal van de ademanalyse, ontbreekt. 5.
  10. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het CBR in beginsel uit mag gaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Als uit dit proces-verbaal blijkt van een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig, dan kan daar in beginsel van uit worden gegaan. 5.
  11. In het proces-verbaal rijden onder invloed, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [naam 2] , agent van politie, is onder meer het volgende te lezen, zakelijk weergegeven: “Ik heb een blaastest gedaan bij betrokkene [verzoekster] . Ik zag dat [verzoekster] onvast ter been was. Ik zag dat zij meerdere keren omviel tegen de [naam 1] . Ik hoorde dat [verzoekster] met een dubbele tong sprak. Ik rook een alcohollucht uit de adem van [verzoekster] . Bij de ademanalyse kwam een uitslag terug van 935 µg/l.” 5.
  12. Ondanks het ontbreken van de ademanalysestrook is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit proces-verbaal voldoende feiten worden genoemd die duidelijk maken dat er een vermoeden bestond van ongeschiktheid tot het besturen van een voertuig in verband met het rijden met te veel alcohol op. Uit de sepotbeslissing van de officier van justitie volgt niet dat de inhoud van dit proces-verbaal onjuist is. 5.
  13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal rijden onder invloed. Deze grond heeft bij de beoordeling van het bezwaar naar verwachting van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Belangenafweging 6.
  14. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het CBR die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt af. 6.
  15. Het belang van het CBR is de verkeersveiligheid. Daartegenover staat het belang van verzoekster dat zij haar rijbewijs weer terugkrijgt, zodat zij haar werk kan uitvoeren zonder afhankelijk te zijn van een taxi of een chauffeur. Bovendien voert verzoekster aan dat zij klussen moet weigeren hetgeen niet goed is voor haar naam en financiële situatie. 6.
  16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van het CBR bij de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij onmiddellijke teruggave van haar rijbewijs. De situatie van verzoekster is hetzelfde als de situatie van andere personen van wie het rijbewijs vanwege alcoholgebruik in het verkeer is geschorst en die voor hun werk afhankelijk zijn van hun rijbewijs. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster haar rijbewijs nodig heeft om haar werk weer in te richten zoals zij dat gewend was voordat de geldigheid van haar rijbewijs werd geschorst. Daar tegenover staat de uitslag van de ademanalyse. Die was zo hoog dat er aanleiding bestond een onderzoek naar het alcoholgebruik van verzoekster te laten doen en haar te verplichten tot het volgen van een cursus over alcohol en verkeer. Verzoekster heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er onomkeerbare gevolgen zullen intreden die maken dat zij de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter laten meewegen dat de gemachtigde van het CBR op de zitting heeft bevestigd dat de beslissing op bezwaar op relatief korte termijn zal worden genomen, namelijk op26 november
  17. Conclusie
  18. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen reden is om op dit moment de gevraagde voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs en de oplegging van het onderzoek naar het alcoholgebruik van verzoekster vooralsnog van kracht blijft.
  19. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 november
  20. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet
  21. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.