RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer / rekestnummer: 11074095 \ EA VERZ 24-387 Beschikking van 8 november 2024 in de zaak van 1 [verzoeker 1] , wonende te [woonplaats] , verzoeker sub 1, hierna te noemen: [verzoeker 1] , en 2 [verzoeker 2] , h.o.d.n. [bedrijf] zaakdoende te [vestigingsplaats] , verzoekster sub 2, hierna te noemen: [bedrijf] , verzoekers sub 1 en 2 gezamenlijk te noemen: verzoekers, gemachtigde: mr. S.M. van der Salm, tegen VERENIGING VAN EIGENAARS [naam VvE], gevestigd te [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: de VvE, gemachtigde: mr. J. Willems (Rijssenbeek Advocaten). 1De inleiding Deze procedure gaat over het gebruik van een stuk gemeenschappelijke grond, dat [verzoeker 1] wil gebruiken ten behoeve van een verkeersroute vanaf de als kinderdagverblijf aan [bedrijf] verhuurde bedrijfsruimte naar een buitenspeelruimte. 2De procedure 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, ingekomen op 25 april 2024, - het aanvullend verzoekschrift met bijlagen, met gewijzigd petitum, ingekomen op 16 augustus 2024, - het verweerschrift met producties, ingekomen op 16 september 2024, - aanvullende producties van de zijde van verzoekers, ingekomen op 20 september 2024. 2.2 Op 25 september 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De stemgerechtigden zijn door de griffier opgeroepen. [verzoeker 1] en [naam 1] , directeur van [bedrijf] , zijn verschenen, vergezeld door hun gemachtigde. Namens de VvE was [belanghebbende 1] , lid van het bestuur, tevens belanghebbende, aanwezig, vergezeld door de gemachtigde. Ook de volgende belanghebbenden waren aanwezig: [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] , [belanghebbende 4] , [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] . 2.3 Partijen hebben hun standpunten nader uiteengezet, de gemachtigde van verzoekers aan de hand van pleitaantekeningen, en partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 3De feiten 3.1 Bij notariële akte van 7 december 1956 is een recht van erfpacht op het perceel grond, eigendom van de [gemeente 1] , gelegen te [adres] , kadastraal bekend [gemeente 2] , [sectie en nummer 1] gevestigd. Bij notariële akte van 10 november 2014 (hierna: akte van splitsing) is het perceel grond met het zich daarop bevindende flatgebouw aan de [adres] , bestaande uit tien bouwlagen, gesplitst in 128 appartementsrechten. Daarbij is het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 2006 (hierna: MR) met wijzigingen en aanvullingen van toepassing verklaard en in de akte opgenomen (hierna: SR) en de VvE opgericht. 3.2 Artikel 20 lid 1 MR bepaalt dat iedere eigenaar en gebruiker het gebruiksrecht heeft op de gemeenschappelijke gedeelten en zaken en dat geen inbreuk mag worden gemaakt op dit recht van medegebruik. 3.3 Artikel 21 lid 4 MR luidt: “Uit het oogpunt van veiligheid is het niet toegestaan om op enigerlei wijze de doorgang door de gemeenschappelijke ruimten, in het bijzonder vluchtwegen, door het plaatsen van voorwerpen of andere obstakels (…) te belemmeren.” 3.4 Artikel 25 lid van het SR luidt: “1.a. Iedere eigenaar en gebruiker van het appartementsrecht met index 1 is verplicht het privé gedeelte te gebruiken als bedrijfsruimte bestemd voor doeleinden zoals van gemeentewege is vastgesteld.” De bestemming van de overige 127 appartementsrechten is woonruimte. 3.5 De bestemming van het erfpachtrecht van de appartementsrechten luidt: “Eén orthodontiepraktijk en 127 woningen met aanhorigheden.” 3.6 [verzoeker 1] is vanaf 1978 eigenaar van het appartementsrecht met index 1. Het appartementsrecht wordt als volgt omschreven in de akte van splitsing: “het appartementsrecht, onder meer rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte, gelegen op de begane grond en bel-étage van het gebouw, plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend [gemeente 2] , [sectie en nummer 2] .” (hierna te noemen: de bedrijfsruimte). [verzoeker 1] heeft een orthodontiepraktijk in de bedrijfsruimte uitgevoerd. 3.7 Met ingang van 1 oktober 2023 heeft [verzoeker 1] de bedrijfsruimte voor een initiële periode van 10 jaar verhuurd aan [bedrijf] . In de huurovereenkomst is vermeld dat [bedrijf] in de bedrijfsruimte een kinderdagverblijf zal exploiteren voor circa 64 kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot 4 jaar (4 groepen van 16 kinderen). 3.8 De tien bouwlagen van het gebouw worden ontsloten door middel van een hoofdtrappenhuis met aan weerszijden van het gebouw een noodtrappenhuis. Een van die noodtrappenhuizen komt uit op de geplande verkeersroute van het kinderdagverblijf. 3.9 Op 3 oktober 2023 heeft [bedrijf] een informatieavond voor omwonenden georganiseerd, waarop zij haar plannen om een kinderdagverblijf te openen in de bedrijfsruimte heeft gepresenteerd. Van de informatieavond heeft [bedrijf] een verslag opgemaakt. Er waren 18 omwonenden en drie leden van het VvE-bestuur aanwezig op de informatieavond. 3.10 Op 12 oktober 2023 heeft Tauw op verzoek van [bedrijf] een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het geluid dat wordt veroorzaakt door buitenspelende kinderen op de locatie. 3.11 Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft de [gemeente 1] een Omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van een kinderdagverblijf met buitenruimte en het plaatsen van een hekwerk rondom de buitenruimte op de locatie [adres] . Door omwonenden is bezwaar ingesteld tegen de verleende vergunning. 3.12 Op 29 januari 2024 is in het gemeenteblad van de [gemeente 1] een kennisgeving gepubliceerd, die zag op het voornemen van het college van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente 1] om een huurovereenkomst te sluiten met [bedrijf] voor de verhuur van de grond gelegen naast het appartementencomplex. De VvE is een kortgedingprocedure gestart tegen de [gemeente 1] , omdat een deel van de grond die zou worden verhuurd aan de gezamenlijke eigenaars in erfpacht was uitgegeven en onderdeel uitmaakt van hetgeen in de splitsing is betrokken. 3.13 Bij vaststellingsovereenkomst van 19 februari 2024 zijn [bedrijf] en de [gemeente 1] overeengekomen dat de voorgenomen huurovereenkomst van 12 januari 2024, zoals aangekondigd in het Gemeenteblad van 29 januari 2024, niet tot stand is gekomen. Bij e-mail van 20 februari 2024 heeft de huisadvocaat van de [gemeente 1] dit aan de gemachtigde van de VvE bevestigd. 3.14 Op verzoek van [verzoeker 1] heeft op 26 maart 2024 een extra (buitengewone) ledenvergadering plaatsgevonden. Als bijlage bij de agenda was een toelichting van [verzoeker 1] op zijn verzoeken opgenomen. In de notulen van die vergadering is -voor zover relevant- het volgende vermeld: 4. Bespreken en besluitvorming onderstaande verzoeken Ten aanzien van het voorstel over de wijziging om de gemeenschappelijke ruimte, gelegen voor de bedrijfsruime, toe te wijzen aan de bedrijfsruimte, geeft [belanghebbende 2] (de voorzitter van de VvE) aan dat dit tot nietigheid van het te nemen besluit kan leiden, daar een dergelijke wijziging instemming van alle leden (100%-besluit) vereist en notarieel dient te worden vastgelegd. [naam 2] brengt onderstaande zaken in stemming: Verzoek tot toestemming voor het plaatsen van een hekwerk aangrenzend aan en rondom de voorzijde van de bedrijfsruimte op het perceel [sectie en nummer 1] (conform de tekening in de bijlage) om een afgeschermde verkeersroute te creëren vanuit de bedrijfsruimte naar de tuin bij het kinderdagverblijf. Onder de voorwaarde dat direct tegenover de nooduitgang van het gebouw een ‘poort’ wordt geplaatst welke opent in de vluchtrichting en welke 24/7 op gemakkelijke wijze te openen is voor volwassenen (conform advies van de Brandweer). o Stemming luidt: 9 voor 2 blanco resterende leden tegen. Verzoek afgewezen. Vast te stellen door de vergadering dat de strook grond direct aan de voorzijde van en aangrenzend aan de bedrijfsruimte ( [adres] , appartementsindex 1) – gelegen binnen het beoogde hek – kwalificeert als ‘privé gedeelte’ behorende bij deze bedrijfsruimte. o Stemming luidt: 4 voor 0 blanco resterende leden tegen. Verzoek afgewezen. 3.15 Op 8 april 2024 heeft de [gemeente 1] in het Gemeenteblad wederom een kennisgeving voornemen om een huurovereenkomst te sluiten met [bedrijf] gepubliceerd. 3.16 Op 6 april 2024 heeft [verzoeker 1] de [gemeente 1] verzocht de bestemming van het erfpachtrecht van zijn appartementsrecht te wijzigen van orthodontiepraktijk naar kinderdagverblijf. Ten tijde van de mondelinge behandeling was deze bestemmingswijziging nog niet definitief. 3.17 Op 12 april 2024 heeft FTS-Europe een memorandum uitgebracht over de vraag of het beoogde hekwerk een belemmering vormt voor de vluchtroute vanuit het noodtrappenhuis. 3.18 Op 8 mei 2024 heeft een algemene ledenvergadering plaatsgevonden waarin de notulen van de buitengewone ledenvergadering van 26 maart 2024 met onder meer de volgende correctie zijn vastgesteld: “Onder punt 2 ontbreekt dat de heer [verzoeker 1] vanuit de vergadering gevraagd is de stemming aan te houden en hem daarmee de kans te geven de juiste informatie te verstrekken aan de vergadering. Hij kiest ervoor dat niet te doen en wel tot stemming over te gaan.” 3.19 Op 11 juni 2024 heeft Tauw een rapport afgegeven ten aanzien van aanvullend akoestisch onderzoek. 3.20 Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2024 heeft de [gemeente 1] de Omgevingsvergunning van 26 oktober 2023 heroverwogen en nader gemotiveerd. Daarbij is het besluit in stand gebleven. De buitenruimte is als L-vormig terrein vormgegeven aan de kopse gevel van het gebouw. De vergunning is inmiddels onherroepelijk. 3.21 Op 27 juli 2024 is een nieuwe huurovereenkomst tussen de [gemeente 1] en [bedrijf] tot stand gekomen, waarbij de [gemeente 1] met ingang van 1 juli 2024, voor een initiële periode van vijf jaar, een perceel grond (236 m2), gelegen aan de [adres] (hierna: de gemeentegrond) als buitenspeelplaats en verkeersroute voor het kinderdagverblijf aan [bedrijf] heeft verhuurd. In artikel 11.1 van de huurovereenkomst is het volgende bepaald: “Huurder zal de hekwerken uitsluitend plaatsen op de grond in eigendom van Verhuurder zonder gebruik te maken van gronden van de Vereniging van Eigenaars (VvE) die in erfpacht zijn uitgegeven, tenzij de VvE schriftelijk heeft ingestemd met plaatsing van hekwerken door Huurder op gronden die in erfpacht zijn uitgegeven. Voorts zal Huurder voldoende afstand houden tussen hekwerk en het pand van de VvE.” 4Het verzoek en het verweer 4.1 Verzoekers verzoeken – na wijziging van hun verzoek op 6 augustus 2024– de kantonrechter, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, en kort samengevat, I. het VvE-besluit genomen op 26 maart 2024 door de vergadering van eigenaars te vernietigen; II. op de voet van artikel 5:121 Burgerlijk Wetboek (BW) verzoekers toe te staan om de betreffende grond van de VvE te gebruiken voor een kinderdagverblijf, waaronder begrepen het plaatsen van de voorgeschreven omheining, conform hetgeen is bepaald in de Omgevingsvergunning van de [gemeente 1] van 26 oktober 2023, althans conform hetgeen is bepaald in de Omgevingsvergunning van 24 juli 2024, althans conform hetgeen de [gemeente 1] bepaalt in een vigerende vergunning, in de vorm van een vervangende machtiging die in de plaats treedt van de toestemming van de VvE, eventueel inclusief een door de kantonrechter nader vast te stellen regeling; III. (voorwaardelijk) op de voet van artikel 5:121 BW verzoekers toe te staan de bedrijfsruimte als kinderdagverblijf te mogen gebruiken, in de vorm van een vervangende machtiging die in de plaats treedt van de toestemming van de VvE ex artikel 25 SR, eventueel inclusief een door de kantonrechternader vast te stellen regeling; IV. (voorwaardelijk) op de voet van artikel 5:144 BW de VvE en op straffe van een dwangsom te bevelen de akte van splitsing zodanig te doen wijzigen waardoor (de omschrijving van) de gebruiksbestemming van A-1 en/of de verwijzing naar danwel het citaat van erfpachtbepalingen in voornoemde akte van splitsing, in overeenstemming zijn met de erfpachtbepalingen zoals die door [gemeente 1] worden c.q. zijn gewijzigd, en daartoe te bepalen dat de beschikking dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de aktewijziging wordt bevolen en een medewerker van de VvE beheerder als vertegenwoordiger te benoemen tot het verrichten van deze rechtshandeling voor rekening en risico van de VvE, en/of dat de VvE alle medewerking zal verlenen die voor aktewijziging benodigd is, binnen drie weken na de datum van de beschikking, op straffe van een dwangsom, V. primair de VvE te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten, waarbij [verzoeker 1] wordt gekweten van zijn bijdrage aan de VvE in de voldoening van voornoemde proceskostenveroordeling door de VvE, subsidiair de VvE te veroordelen in de proceskosten. 4.2 Verzoekers gronden hun verzoek op het volgende. Aan de verleende Omgevings-vergunning is de voorwaarde verbonden dat het kinderdagverblijf beschikt over een (exclusieve) buitenruimte. De grond van de buitenruimte heeft [bedrijf] gehuurd van de [gemeente 1] . Om de buitenruimte vanuit de bedrijfsruimte te bereiken moet er een met een hek omheinde verkeersroute naar de buitenruimte worden aangelegd. Een deel van de grond die daarvoor moet worden gebruikt is gemeenschappelijk. Het gaat om een strook grond van 9 m (lengte) bij 1.0 tot 2.1 meter (breedte) (hierna: de strook grond). 4.3 Het VvE-besluit is vernietigbaar wegens strijd met de maatstaven van de redelijk-heid en billijkheid nu de overige leden geen enkel belang hebben bij de grond en onvoldoen-de oog hebben gehad voor de zwaarwegende belangen van verzoekers bij die grond. Het betreft slechts 9 meter trottoir naar een gemeentelijk stuk verwaarloosd struikgewas. De strook grond heeft volgens verzoekers geen bestemming noch functie voor de eigenaren en [bedrijf] heeft omvangrijke investeringen gedaan om een kinderdagverblijf mogelijk te maken. Het was redelijk geweest als de VvE een koop- of huurvoorwaarde had gesteld. 4.4 Ten aanzien van de verzochte vervangende machtiging onder II stellen verzoekers dat de VvE geen redelijke grond heeft om toestemming te weigeren. De grond heeft geen functie. In de brandveiligheid is voorzien, de vluchtroute wordt niet belemmerd. Slechts een deel van het hekwerk, een stuk van 2.3 meter, wordt tegen de gevel en op/over gemeenschappelijke grond geplaatst. De monumentale status van het pand wordt door het hekwerk niet aangetast, buitenproportionele geluidshinder valt niet te verwachten, met problematiek qua verkeer/parkeren is rekening gehouden en/of zal in worden voorzien en de speelplaats wordt maximaal van groen voorzien. Verzoekers verwijten de VvE dat zij sinds februari 2024 ‘stilzit’, dat wil zeggen geen concrete actie onderneemt om schade bij [bedrijf] te voorkomen. 4.5 De bestemming kinderdagverblijf wordt in de akte van splitsing niet verboden, aldus verzoekers. Nu de gemeente goedkeuring heeft gegeven aan de wijziging van de erfpacht-bepalingen is er geen strijd met het gebruik van de bedrijfsruimte als kinderdagverblijf. Voor het geval wordt geconcludeerd dat zolang de akte van splitsing hierop niet is aangepast sprake is van strijdigheid met de gebruiksbestemming wordt, onder verwijzing naar artikel 25 SR, verzocht om vervangende machtiging voor dit gebruik te verlenen 4.6 Tevens voorwaardelijk, namelijk als de kantonrechter oordeelt dat de splitsingsakte conform de nieuwe erfpachtbestemming gewijzigd moet worden, wordt verzocht om een bevel tot wijziging van de akte van splitsing. 4.7 De VvE heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoekers, althans tot afwijzing van de verzoeken. Bij de beoordeling zal - indien en voor zover relevant voor de beoordeling - worden ingegaan op de verweren van de VvE en de standpunten van verzoekers 5De beoordeling Ad I. besluit van de vergadering 5.1 De kantonrechter zal allereerst beoordelen of het besluit van de vergadering voor vernietiging in aanmerking komt. 5.2 Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van de VvE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit. 5.3 Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechts-persoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.