← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:7076

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-259024-24 (EAB I) Datum uitspraak: 20 november 2024 UITSPRAAK op de vordering van 16 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 27 mei 2024 door the District Court in Ústí nad Labem, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Tsjechië) op [geboortedag] 1974, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 2 oktober 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Tsjechische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak 16 oktober 2024 De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 oktober 2024 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om het antwoord van de Tsjechische autoriteiten af te wachten op de vraag die is gesteld in de zaak van de opgeëiste persoon (13-259212-24) die gelijktijdig met dit EAB is behandeld en wat mogelijk gevolgen kan hebben voor de behandeling van deze zaak, zodat gelijktijdig uitspraak in beide zaken kan worden gedaan. Dezelfde dag heeft de rechtbank besloten de schorsing van de gevangenhouding op te heffen. Zitting 6 november 2024 De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voortgezet op de zitting van 6 november 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Tsjechische nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 16 oktober 2024 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de (dubbele) strafbaarheid en de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel

  1. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Het onderzoek is bij tussenuitspraak enkel aangehouden om de zaak gelijktijdig te kunnen afdoen met de zaak van de opgeëiste persoon met parketnummer 13-59212-
  2. 4Ontvankelijkheid officier van justitie Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de vraag opgeworpen in hoeverre de officier van justitie nog ontvankelijk is in de vordering. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2024 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon niet meer verblijft op het adres waar hij volgens zijn schorsingsvoorwaarden moet verblijven en dat hij met heel zijn hebben en houwen is vertrokken. Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon niet meer in Nederland verblijft. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Ústí nad Labem, Tsjechië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, voorzitter, mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en A.L. op 't Hoog, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en Ç.H. Dede, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 november
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie artikel 22 OLW. De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.