RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-259212-24 (EAB II) Datum uitspraak: 20 november 2024 UITSPRAAK op de vordering van 28 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juli 2024 door the District Court in Ústí nad Labem, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Tsjechië) op [geboortedag] 1974, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 2 oktober 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Tsjechische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak 16 oktober 2024 De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 oktober 2024 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie te verzoeken aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag voor te leggen of het vermelde arrest warrant een nationaal arrestatiebevel betreft dat vooraf is gegaan aan het uitvaardigen van het EAB, of dat dit arrest warrant gelijk is aan het EAB. Zitting 6 november 2024 De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voortgezet op de zitting van 6 november 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Tsjechische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een judgement (of conviction) of the District Court in Ústí nad Labem van 2 april 2024 (kenmerk: 62T 47/2023-122). Uit het EAB blijkt dat de judgement (hierna: vonnis) nog niet uitvoerbaar is omdat deze nog niet aan de opgeëiste persoon is betekend. Het EAB vermeldt daarnaast een voor tenuitvoerlegging vatbaar arrest warrant uitgevaardigd door the District Court in Ústí nad Labem op 22 juli 2024 (kenmerk: 62T 47/2023). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 15 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, nadat na de overlevering het hierboven genoemde vonnis aan hem is betekend. Deze vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Tussenuitspraak Naar aanleiding van de tussenuitspraak is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag gesteld of het vermelde arrest warrant een nationaal arrestatiebevel betreft dat vooraf is gegaan aan het uitvaardigen van het EAB, of dat dit arrest warrant gelijk is aan het EAB. Uit de aanvullende informatie van 17 oktober 2024 van de Tsjechische autoriteiten blijkt dat zowel een nationaal arrestatiebevel als een EAB is uitgevaardigd, waarbij het nationaal arrestatiebevel is afgegeven voorafgaand aan het uitvaardigen van het EAB. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van hetgeen in de aanvullende informatie is vermeld. De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake is van een aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid aanhef, onder c, OLW dat aan het EAB ten grondslag ligt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Ontvankelijkheid officier van justitie Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de vraag opgeworpen in hoeverre de officier van justitie nog ontvankelijk is in de vordering. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2024 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon niet meer verblijft op het adres waar hij volgens zijn schorsingsvoorwaarden moet verblijven en dat hij met heel zijn hebben en houwen is vertrokken. Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon niet meer in Nederland verblijft. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zitting van 18 januari 2024, waarbij hij erover is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien de opgeëiste persoon niet op de zitting verschijnt. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen op die zitting, waarbij de behandeling van de zaak is aangehouden tot de zitting van 2 april 2024 en de opgeëiste persoon ook de datum van die zitting is medegedeeld. De opgeëiste persoon is niet verschenen op de zitting van 2 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.