RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-271803-24 Datum uitspraak: 20 november 2024 UITSPRAAK op de vordering van 5 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2021 door het Gerechtshof van Debrecen Team Penitentiaire zaken, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijvende op het [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 november 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis met nummer 58.B.1406/2017/192 van 17 juni 2020 van het Kantongerecht van Debrecen, dat met het arrest met nummer 2.Bf.221/2020/50 van het Gerechtshof van Debrecen op 19 mei 2021 kracht van gewijsde heeft verkregen. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaren en twee maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 3.1.1 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon geen gebruik van zijn verdedigingsrechten heeft kunnen maken. De opgeëiste persoon heeft hoger beroep ingesteld met zijn toegevoegde raadsman, waarbij hij heeft aangegeven aanwezig te willen zijn bij het proces. De procedure in hoger beroep is desondanks in afwezigheid van de opgeëiste persoon afgedaan. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon, die Hongarije op dat moment al had verlaten, is opgeroepen op zijn verblijfsadres. Daarbij komt dat aan de opgeëiste persoon geen uitdrukkelijke instructie is gegeven om adreswijzigingen door te geven. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar een nog ongepubliceerde tussenuitspraak van deze rechtbank van 31 oktober 2024 in een andere overleveringsprocedure, waarin is besloten tot heropening van de zaak, zodat aanvullende vragen konden worden gesteld over de gang van zaken met betrekking tot de betekening van de dagvaarding. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om de Hongaarse autoriteiten aanvullende vragen te stellen over de reden dat de zaak in afwezigheid van de opgeëiste persoon is afgedaan. 3.1.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering. Uit de stukken blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon wist van de procedure in hoger beroep en van de instructie om adreswijzigingen door te geven die voor de gehele procedure geldt, waaraan hij heeft nagelaten te voldoen. De opgeëiste persoon heeft daarom onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de Hongaarse autoriteiten. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.