RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/036650-23 Datum uitspraak: 14 november 2024 UITSPRAAK op de vordering van 17 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 november 2022 door de Procura Generale della Repubblica di Firenze (Italië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] (Algerije), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Algerijnse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van 31 oktober 2019 van het gerechtshof van Florence, ter wijziging van het vonnis van de rechtbank van Livorno van 30 september 2010, onherroepelijk geworden op 14 januari 2021 (referentienummer RGNR 2324/2006 - nr. R.G. CAP. 3137/2018 - Sent. 5945/2019). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf jaren en elf maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. Verweer van de raadsman ten aanzien van de grondslag van het EAB De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het EAB genoemde arrest geen voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing is. De raadsman heeft in dit kader onder andere gewezen op de door hem veronderstelde onduidelijkheid rondom een partiële gratie van vijf maanden gevangenisstraf die betrekking heeft op de bij het genoemde arrest aan de opgeëiste persoon opgelegde straf. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer. Met het sinds 14 januari 2021 onherroepelijke arrest is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing. De veronderstelde onduidelijkheid rondom de partiële gratie ziet de rechtbank niet, nog los van de vraag waarom eventuele onduidelijkheid daarover in de weg zou kunnen staan aan de mogelijkheid om het onherroepelijk geworden arrest ten uitvoer te leggen. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. In het onderhavige geval brengt dit met zich mee dat enkel de procedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof van Florence van 31 oktober 2019 aan artikel 12 OLW getoetst dient te worden. Uit de aanvullende informatie van 15 oktober 2024 volgt immers dat met dit arrest de zaak definitief ten gronde is afgedaan. Uit onderdeel
- d)van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon bij deze procedure niet aanwezig is geweest. Uit hetzelfde onderdeel
- d)van het EAB, in samenhang bezien met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 en 18 oktober 2024 en de verklaring van de opgeëiste persoon zelf, blijkt dat ten aanzien van de procedure bij het gerechtshof van Florence sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond doet zich dan ook niet voor. 5Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving van de feiten in het EAB niet genoegzaam is. Bij één van de feiten wordt namelijk gesproken over ‘de periode voorafgaand en vlak voor 9.5.2006’, hetgeen te ruim geformuleerd is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving in het EAB genoegzaam is. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat de feitsomschrijvingen voldoen aan de bovengenoemde vereisten. In de onderhavige zaak geldt dat het EAB ten aanzien van feit 1 de data vermeldt waarop de drie in de omschrijving genoemde voertuigen als gestolen opgegeven zijn (15 en 23 november 2005 en 2 maart 2006), alsmede de datum waarop de aan de opgeëiste persoon verweten witwashandelingen ten aanzien van die voertuigen plaatsgevonden hebben (9 mei 2006). Dit maakt dat sprake is van een genoegzame omschrijving. Voor de feiten 2 en 3 geldt daarnaast dat de exacte pleegdata expliciet vermeld worden. Het verweer slaagt niet. 6Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als vallend onder een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld (onder nummer 9), te weten: witwassen van opbrengsten van misdrijven Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Italië opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: witwassen Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft, zodat de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal bijdragen aan de maatschappelijke re-integratie van de opgeëiste persoon. De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 9Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW. 10Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procura Generale della Repubblica di Firenze (Italië). BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Een bevel hiertoe is apart opgemaakt. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.E. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 november 2024. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 oktober 2024 blijkt dat de tijd tussen het wijzen van het arrest en het onherroepelijk worden daarvan gelegen is in een procedure bij de Court of Cassation. In deze procedure is het ingestelde beroep tegen het arrest niet-ontvankelijk verklaard. Zie onderdeel
- e)van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Gelet op de verhoging van de maximumstraf voor witwassen van zes jaren met één derde ingevolge artikel 57 Wetboek van Strafrecht.