RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/155514-23 Datum uitspraak: 14 november 2024 UITSPRAAK op de vordering van 12 november 2018 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2016 door de Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance de LILLE, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.J.M. van Roy, advocaat te Amsterdam. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de Overleveringswet (OLW) op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB, artikel 12 OLW Het EAB vermeldt een verstekvonnis van de correctionele rechtbank van Lille van 4 maart 2016 met referentie: Parket nr. 12108000130 (vonnis nr. 2016-1369 SP). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar, vier maanden en negentien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. De rechtbank stelt vast dat dit vonnis onherroepelijk is. Daarbij geldt het volgende. Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Wel is aan de opgeëiste persoon een verzetgarantie geboden. De rechtbank stelt vast dat deze voldoet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich niet voor. De opgeëiste persoon heeft echter verklaard géén gebruik te willen maken van de voornoemde garantie. Inmiddels heeft hij ook daadwerkelijk daarvan afgezien. Op 11 juli 2024 is het vonnis aan de opgeëiste persoon betekend en is aan hem de gelegenheid geboden om verzet aan te tekenen. Op basis van de aanvullende informatie van 23 juli 2024 van de Franse autoriteiten stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon binnen de gestelde beroepstermijn van 10 dagen geen beroep heeft ingesteld tegen het vonnis en dat het daarom inmiddels onherroepelijk is geworden. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als vallend onder zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW (onder 1 en 5) staan vermeld, te weten: Deelneming aan een criminele organisatie Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten in Frankrijk is aangevangen, de bewijsmiddelen zich in Frankrijk bevinden, de medeverdachten van de opgeëiste persoon in Frankrijk zijn en het Openbaar Ministerie niet voornemens is om de opgeëiste persoon in Nederland voor de feiten te vervolgen. De rechtbank stelt voorop dat: - aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn; - de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de door de officier van justitie voorgedragen omstandigheden en het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding bestaat om de weigeringsgrond toe te passen. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. De rechtbank stelt vast dat de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar is met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de autoriteiten voortvarend te werk waren gegaan, de opgeëiste persoon in aanmerking was gekomen voor omzetting van de buitenlandse straf naar Nederlandse maatstaven (artikel 2:11, vijfde lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS), zoals dat gold tot 1 april 2021). De uitspraak van het Hof van Justitie van 11 maart 2020, waaruit volgt dat de Nederlandse regeling niet meer mag worden toegepast, dateert van na de overlevering aan Frankrijk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.