← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:7155

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 10.182774.24 Datum (mondelinge) uitspraak: 8 november 2024 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008, wonende op het adres [adres] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 november

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.D. Braber en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.A.R. Newoor, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door de heer [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de heer [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), mevrouw [naam 3] , namens Resocialisatie & Begeleiding (hierna: R&B) en door de moeder en de oma van verdachte naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is - kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld, in vereniging, van meerdere goederen toebehorend aan [naam winkel] te Rotterdam, gepleegd op 2 juni
  2. Subsidiair tenlastegelegd als een afpersing in vereniging; medeplegen van het voorhanden hebben van een gaspistool op 2 juni 2024 te Rotterdam. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde: De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging tot winkeloverval in vereniging kan worden bewezen, omdat verdachte dit feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: De raadsman heeft bepleit om verdachte vrij te spreken van het voorhanden hebben van een gaspistool, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. Er is niet voldaan aan de wettelijke criteria, zoals uiteengezet door de Hoge Raad in het arrest ECLI:NL:PHR:2018:
  3. Verdachte wist niet dat medeverdachte [medeverdachte 1] een wapen bij zich had. Hij heeft het wapen pas tijdens de vlucht gezien. Verdachte heeft het wapen niet vastgehouden; zijn DNA is ook niet op het wapen aangetroffen. Op grond van het dossier is het volgens de raadsman niet duidelijk op welk moment en door wie het wapen aan medeverdachte [medeverdachte 1] is gegeven en of verdachte hiervan op de hoogte is geweest. Ook als de rechtbank er vanuit zou gaan dat verdachte wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van een wapen, dan nog is er geen sprake geweest van een ‘gezamenlijke machtsuitoefening’. Ook de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] hierover zijn niet duidelijk en concreet genoeg. De rechtbank overweegt als volgt. Voor beschikkingsmacht van een vuurwapen is niet vereist dat verdachte eigenaar of bezitter is van het wapen. Het gaat om de vraag of verdachte over het wapen kon beschikken: lag het in zijn macht om het wapen te gebruiken of er op een andere wijze iets mee te doen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 5 juni 2024 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij en verdachte op de dag van de overval zijn opgehaald door een Mercedes en dat hij toen in de auto een wapen heeft gekregen. Op dat moment zaten de medeverdachten in de auto en één van de medeverdachten heeft het wapen ook vastgehouden. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij en verdachte in de auto van het plan hoorden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in de auto er niet helemaal bij was met zijn gedachten en dat hij de hele tijd uit het raam heeft gekeken. Verdachte heeft dan ook niet gezien dat er in de auto een wapen aan medeverdachte [medeverdachte 1] werd gegeven, maar verdachte had wel het gevoel dat één van de verdachten ‘iets’ bij zich had om mensen in de winkel bang te maken. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte - dat hij niet wist dat medeverdachte een wapen bij zich had - ongeloofwaardig. Verdachte en zijn medeverdachten zijn met bivakmutsen en bigshoppers op pad gegaan om een overval te plegen. Zij zijn in Rotterdam opgehaald door een auto en zij kregen kort voor de overval - in de auto - een wapen en instructies over de rolverdeling, de indeling van de winkel en welke spullen zij moesten stelen. De stelling van verdachte dat hij niet heeft opgelet in de auto vindt geen steun in zijn eigen verklaring die inhoudt dat in de auto over het plan is gesproken. De taak van verdachte was om door te lopen naar ‘achteren’, naar het magazijn van de winkel, en de bigshoppers te vullen met telefoons, terwijl medeverdachte op dat moment de mensen in de winkel in bedwang zou houden. De rechtbank acht het volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte in de auto wel tot in detail over de overval heeft gesproken, maar precies op het moment dat het wapen werd overhandigd uit het raam keek. Dat er een wapen mee zou gaan past ook bij de afspraak dat de mensen in de winkel in bedwang moesten worden gehouden. Verdachte zelf wist naar eigen zeggen ook dat er ‘iets’ was waarmee de mensen in de winkel bang gemaakt zouden worden. Het was duidelijk voor verdachten dat de overval gezamenlijk zou worden uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de rolverdeling tussen verdachten in feite inwisselbaar was. Het had net zo goed verdachte kunnen zijn geweest die het wapen had gekregen; maar ook tijdens de overval kon het wapen nog aan hem worden gegeven. Gelet op het voorgaande - met name de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten en de inwisselbare rollen die de verschillende verdachten hadden - had verdachte samen met de medeverdachten zeggenschap en beschikkingsmacht over het wapen, dat immers een belangrijk onderdeel vormde van hun plan om de winkel te beroven. Het ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van een gaspistool kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde: op 2 juni 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om goederen naar hun gading, toebehorende aan [naam winkel] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen meerdere medewerkers van die [naam winkel] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, door - verdachte en zijn mededaders zich moeilijk herkenbaar hebben gemaakt door een bivakmuts op te zetten en hun gezichten gedeeltelijk hebben bedekt en (latex) handschoenen hebben gedragen en - verdachte en zijn mededaders een gaspistool en meerdere lege tassen voorhanden hebben gehad en - verdachte en zijn mededaders naar de voordeur van die [naam winkel] zijn gelopen en vervolgens aan die gesloten voordeur hebben gebeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: op 2 juni 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een gaspistool van het merk Umarex, type Glock 17 Gen 5, kaliber 9 mm P.A.K. voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 6Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht. 7Strafbaarheid van het feit De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straf De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 29 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient aan verdachte een taakstraf bestaande uit een werkstraf te worden opgelegd voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan dat voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd (inclusief het contactverbod met medeverdachten), zoals die door de Raad en JBRA ter zitting zijn geadviseerd. Tot slot heeft de officier van justitie gevraagd om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De raadsman kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie, maar hij vraagt zich wel af of het contactverbod met de medeverdachten nog noodzakelijk is. In de afgelopen periode heeft verdachte geen contact met ze opgezocht; hij heeft hier ook geen behoefte meer aan. Verdachte is kwetsbaar, hij vindt het moeilijk om over zijn gevoelens te praten en hij heeft een belast verleden. Het gebeurt tegenwoordig steeds vaker dat minderjarige jongens zoals verdachte met valse beloftes worden benaderd voor het plegen van overvallen. Deze jongens zijn vaak jong, beïnvloedbaar en zij kunnen de consequenties van hun handelen niet overzien. Verdachte beseft dat hij hulp en begeleiding nodig heeft om de juiste keuzes te maken en zijn leven op orde te krijgen. Het is daarom van belang dat hij de komende periode meewerkt aan de hulpverlening van Intensieve Forensische Aanpak (IFA) en R&B. Ten aanzien van de geadviseerde voorwaarden heeft de raadsman zich daarom gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 juli 2024 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender. Verdachte heeft samen met anderen geprobeerd om een winkeloverval te plegen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij op Snapchat is benaderd voor dit feit. Verdachte is ingegaan op het aanbod om ‘snel geld te verdienen’ en hij had het gevoel dat er geen weg terug meer was nadat hij eenmaal akkoord was gegaan. De rechtbank maakt zich grote zorgen over het feit dat kinderen zoals verdachte op deze manier via social media benaderd worden om een ernstig misdrijf te plegen, iets wat steeds vaker voorkomt. Verdachte is op zeer jonge leeftijd (15 jaar) betrokken geweest bij een serieus feit. Hij heeft zich via social media over laten halen een overval te plegen met een wapen waarbij onschuldige medewerkers van een winkel het slachtoffer hadden kunnen worden. Hij mag van geluk spreken dat de medewerkers het door hadden, en dat het incident bij een poging is gebleven. Slachtoffers van dergelijke overvallen ondervinden vaak langdurig psychische klachten van wat hen is overkomen. Op dit soort bijzonder ernstige feiten dient dan ook in beginsel te worden gereageerd met een (forse) onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt, waaronder: het meest recente rapport van de Raad van 26 augustus 2024; de evaluatierapportage van JBRA van 7 november
  4. Ter terechtzitting heeft de Raad zijn advies toegelicht. Inmiddels zijn de noodzakelijke hulpverleningstrajecten gestart en de komende periode zal duidelijk worden wat verdachte nodig heeft om niet meer in beeld te komen bij de politie. Verdachte is gebaat bij structuur en duidelijkheid. Tijdens de gesprekken kan hij goed uitleggen waarom hij is ingegaan op het aanbod om een overval te plegen. Hij is geschrokken van zijn aanhouding en hij wil niet meer gedetineerd raken. Het is positief dat hij leerbaar is en dat er nu meerdere personen (onder wie zijn oma vaderszijde) en instanties betrokken zijn om hem te helpen bij het zetten van de juiste stappen. De Raad adviseert als stok achter de deur een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij de dagen van het voorarrest gelijk zijn aan het onvoorwaardelijke deel. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de volgende bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld: dat verdachte naar school gaat volgens zijn rooster, meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve dagbesteding / vrijetijdsbesteding, meewerkt aan de hulpverlening van Intensieve Forensische Aanpak (IFA), meewerkt aan alle hulpverlening die JBRA noodzakelijk acht, zal verblijven bij oma vaderszijde en dat hij gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact opneemt met de medeverdachten. JBRA kan zich vinden in het advies van de Raad. Het liefst wil verdachte zelfstandig zijn, maar dit lukt hem niet altijd. Hij heeft juist veel behoefte aan hulp en begeleiding. Zo is het verdachte niet gelukt om tijdig te starten met een vervolgopleiding, terwijl hij dit wel graag wilde. Hij is daarom aangemeld voor een traject van Back on Track van Levvel. Verdachte neemt deel aan dagbesteding bestaande uit twee dagen onderwijs en drie dagen stage. Dit verloopt positief. In de afgelopen periode heeft verdachte bij zijn oma vaderszijde gewoond en het is de bedoeling dat hij voorlopig daar blijft wonen. Er is een positieve samenwerking met verdachte (en zijn familie). De hulpverlening wordt door de oma tijdig op de hoogte gesteld van de nieuwe ontwikkelingen. JBRA wil daarom de huidige woonplek van verdachte formaliseren. Het is verder van belang om zicht te krijgen op het netwerk van verdachte, zodat hij beter leert omgaan met zijn beïnvloedbaarheid en weerbaarheid. Het is voor de hulpverlening onduidelijk wat hij buiten doet en met wie hij omgaat. Gelet op het feit dat verdachte beïnvloedbaar is en moeite heeft om de gevolgen van zijn handelen te overzien, is dit een risicofactor voor recidive. Tot slot heeft JBRA aangegeven dat zij het moeilijk vinden om een standpunt in te nemen op de vraag of een contactverbod met medeverdachten noodzakelijk is. Het contactverbod was een van de schorsingsvoorwaarden en verdachte heeft geen moeite ervaren om zich aan deze voorwaarde te houden. Hij wordt daarom in staat geacht om ook zonder deze voorwaarde te laten zien dat hij in staat is om geen contact op te zoeken met jongens die een slechte invloed op hem hebben. R&B heeft toegelicht dat zij positief zijn over de houding en de inzet van verdachte. Op school gaat het over het algemeen goed. Hij doet goed mee met de les, maar heeft soms nog wel moeite om op tijd te komen. Verdachte zal net als zijn klasgenoten de komende periode ondersteund worden bij het vinden van een stageplek. Het is positief dat verdachte daarbij laat zien dat hij niet bang is om zelf acties te ondernemen. Tot slot heeft verdachte goed meegewerkt met de delictanalyse. Hij heeft meerdere gesprekken gevoerd over zijn aandeel bij het ten laste gelegde en zijn behoefte om snel geld te willen verdienen. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in het voordeel (of nadeel) van verdachte af te wijken van wat door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen die gelijk is aan het voorarrest. Gelet op de opgestarte hulpverlening en het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht is het niet in het belang verdachte dat hij nu gedetineerd raakt. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld, nog jong is en ruim een maand in voorarrest heeft gezeten. Uit het raadsonderzoek komen zowel beschermende als risicofactoren naar voren. Verdachte heeft een belast verleden en hij woont inmiddels (onder andere door de persoonlijke problematiek van zijn moeder) bij de oma vaderszijde. Ter zitting heeft de moeder toegelicht dat de problemen in de thuissituatie, en dan met name de financiële problemen, mogelijk een rol hebben gespeeld bij de keuze van verdachte om snel geld te willen verdienen. De moeder hoopt dat verdachte hierover ooit gesprekken wil voeren met professionals, zoals een psycholoog, zodat hij de heftige gebeurtenissen uit zijn verleden een plek kan geven. Het is voor de hulpverlening duidelijk dat verdachte veel behoefte heeft aan duidelijkheid, structuur en stabiliteit. In zijn kinderjaren had hij vooral te maken met onvoorspelbaarheid en was hij veelal op zichzelf aangewezen, waardoor hij gewend is om zijn eigen gang te gaan. Verdachte is gebaat bij een coach die hem kan helpen met ontwikkelen van zijn vaardigheden, zodat hij kan leren om de juiste keuzes te maken rondom vriendschappen. Gelet op de zorgen over zijn beïnvloedbaarheid vraagt de rechtbank zich af in hoeverre verdachte de komende periode weerbaar zal zijn ten aanzien van de invloed van anderen. De rechtbank ziet mede daarin aanleiding om aan verdachte ook een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, in de hoop dat dit hem er in de toekomst van zal weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Aan het voorwaardelijk deel van de werkstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals de Raad en JBRA hebben geadviseerd, inclusief het contactverbod met medeverdachten nu volgens de rapporten één van de medeverdachten aan hetzelfde traject deelneemt van Levvel en de rechtbank wil voorkomen dat zij weer met elkaar gaan optrekken. De rechtbank zal het door de officier van justitie gevorderde bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van het reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden niet geven. Verdachte is geen bekende van de politie, hij is niet eerder veroordeeld en hij heeft zich gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Er is sprake van een steunend netwerk (van hulpverlening) om hem heen. Verdachte heeft een positieve dagbesteding in de vorm van een entree-opleiding en de bedoeling is dat hij daarna gaat starten met een vervolgopleiding. Tot slot blijkt uit de rapporten niet dat de kans op herhaling hoog wordt inschat. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het gevaar dat er in zijn algemeenheid ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen onvoldoende aanwezig om de dadelijke uitvoerbaarheid te rechtvaardigen. 10Beslag Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen: 1 STK Muts​​​​​​​, omschrijving: PL1300-2024180659-6777783, Bivakmuts; 2 STK Handschoen, omschrijving: PL1300-2024180659-6777784, Latex Handschoen. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de in beslag genomen goederen. De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen muts en de handschoenen verbeurd dient te worden verklaard, zoals verzocht door de officier van justitie, nu het bewezenverklaarde feit 1 met behulp van deze goederen is begaan. 11Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 12Beslissing Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde: poging tot diefstal, vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 30 (dertig) dagen. Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen. Beveelt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) uren, van deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast op grond van het overtreden van de na te noemen algemene en bijzondere voorwaarden. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen. Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde: - zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde: - naar school en/of stage gaat volgens zijn lesrooster; meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve dagbesteding / vrijetijdsbesteding; meewerkt aan de hulpverlening van Intensieve Forensische Aanpak (IFA); meewerkt aan alle hulpverlening die JBRA noodzakelijk acht; zal verblijven bij oma vaderszijde op het adres Boeninlaan 251, 1102 TK in Amsterdam; gedurende proeftijd op geen enkele wijze contact opneemt met de medeverdachten [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2003 te ' [geboorteplaats 3] ) en [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats 2] ). Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Verklaart de volgende voorwerpen verbeurd: 1 STK Muts​​​​​​​, omschrijving: PL1300-2024180659-6777783, Bivakmuts; 2 STK Handschoen, omschrijving: PL1300-2024180659-6777784, Latex Handschoen. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen doormr. E. Dinjens, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. E.M. Devis en M.R. Bruning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Bakir, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 november
  5. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.