← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:7250

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/226767-23 Datum uitspraak: 17 oktober 2024 UITSPRAAK op de vordering van 2 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 juli 2023 door the Regional Court of Law (Sąd Okręgowy) in Częstochowa, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juli 2024, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door haar gemachtigd raadsman, mr. A.P. Stipdonk, advocaat in Leiden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen en deze direct geschorst. De rechtbank heeft op 25 juli 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak opgenomen vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. De rechtbank heeft de beslistermijn met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en gelijktijdig de geschorste gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De raadkamer heeft op 4 september 2024 de beslistermijn met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en gelijktijdig de geschorste gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De rechtbank stelt echter vast dat de termijn op 27 augustus 2024 reeds verlopen was. De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 3 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door haar gemachtigd raadsman, mr. A.P. Stipdonk, advocaat in Leiden. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor de geschorste gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak 25 juli 2024 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 25 juli

  1. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van het feit al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 juni 2024 geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Deze vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime waar hij zal worden gedetineerd. De mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van schending van de grondrechten van deze opgeëiste persoon alsnog kan worden uitgesloten. Hierom heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 25 juli 2024 in de zaak van de opgeëiste persoon het onderzoek heropend en geschorst om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden in remand regimes aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
  2. De rechtbank begrijpt uit het CPT-rapport dat voorlopig gehechten minimaal 3 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel ter beschikking hebben. Kan (tegen de achtergrond van het arrest Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, punten 75-76), voor de opgeëiste persoon worden gegarandeerd dat zij minimaal 4 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel zal krijgen in het Huis van Bewaring waar zij terecht komt? Of zal zij slechts tussen de 3 en 4 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel krijgen?
  3. Kan de opgeëiste persoon deelnemen aan activiteiten in het betreffende Huis van Bewaring?
  4. Indien zij ervoor kiest deel te nemen aan alle aangeboden activiteiten, hoeveel uur per dag zou zij dan minimaal buiten haar cel verblijven?
  5. Geldt voor de opgeëiste persoon dat zij, indien zij contact met de buitenwereld wil hebben door gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek, voorafgaand aan ieder bezoek of telefoongebruik altijd toestemming zal moeten vragen?
  6. Zo ja, hoe lang duurt de procedure (inclusief het rechtsmiddel) om toestemming te krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek? Bij de rechtbank zijn meerdere zaken aanhangig waarin zij het openbaar ministerie in de gelegenheid heeft gesteld de genoemde vragen te stellen. Het openbaar ministerie heeft er vervolgens voor gekozen deze vragen voor te leggen in één overleveringszaak (niet zijnde de zaak van de opgeëiste persoon), met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden en van een centrale autoriteit in Polen antwoorden te verkrijgen. In die bewuste zaak is op 1 oktober 2024 uitspraak gedaan. In de zaak van de opgeëiste persoon zijn bovengenoemde vragen nog niet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd, ondanks dat de rechtbank daartoe al opdracht heeft gegeven in haar tussenuitspraak van 25 juli
  7. De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie reeds thans niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De rechtbank stelt vast dat sinds de aanhouding van de opgeëiste persoon al bijna zeven maanden zijn verstreken. Verder zijn sinds de zitting van 25 juli 2024 waarop de officier van justitie heeft opgemerkt dat het openbaar ministerie in de gelegenheid moet worden gesteld om individuele detentiegaranties op te vragen voor de opgeëiste persoon, ruim drie maanden verstreken. In die drie maanden is in deze zaak dus niets gebeurd wat betreft het onderzoek naar het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van grondrechten in detentie na overlevering aan Polen (remand regime). Nu er in deze zaak geen beslistermijn meer is, zal de rechtbank een eindbeslissing nemen. Uit het voorgaande volgt dat het algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen. De officier van justitie heeft immers geen individuele detentiegarantie voor de opgeëiste persoon opgevraagd en het algemene reële gevaar is ook niet anderszins weggenomen voor de opgeëiste persoon. Bij die stand van zaken stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime waar hij zal worden gedetineerd. Ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW in samenhang met artikel 28, derde lid OLW zal de rechtbank daarom geen gevolg geven aan het EAB en de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren, waarmee de overleveringsprocedure wordt beëindigd. 5Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 11 OLW 6Beslissing GEEFT GEEN GEVOLG aan het EAB. VERKLAART de officier van justitie NIET-ONTVANKELIJK in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M.C. Danel en B.M. Vroom-Cramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 oktober
  8. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie artikel 22 OLW. De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn. Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:
  9. Artikel 11, tweede lid, OLW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.