← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:7402

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2951 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. B. Blanckenburg), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1.

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van huisraad of inrichtingskosten. 1.
  2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 21 juni 2024 het verzoek van eiser afgewezen. 1.
  4. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank
  6. 2.
  7. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor de kosten van huisraad of inrichtingskosten mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.
  8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Wat aan deze procedure vooraf ging
  9. 3.
  10. Eiser heeft op 14 november 2022 een medische urgentie gekregen. Doordat het eiser niet was gelukt om een woning te vinden is de urgentieverklaring per 26 juli 2023 ingetrokken. Op 3 januari 2024 heeft het college de urgentieverklaring van eiser opnieuw geactiveerd naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter op 8 december
  11. Eiser is vervolgens rechtstreeks door de woningcorporatie benaderd omdat er een geschikte woning voor hem beschikbaar was. Per 16 februari 2024 staat eiser ingeschreven op het adres [adres] . 3.
  12. Op 8 februari 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor in totaal € 10.460,- aan bijzondere bijstand voor de kosten van huisraad of inrichtingskosten op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft de aanvraag afgewezen en is in het bestreden besluit bij dat besluit gebleven. Volgens het college is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid omdat het voor eiser voorzienbaar was dat hij ging verhuizen. Ook is volgens het college niet gebleken van dermate bijzondere omstandigheden om bijzondere bijstand te verlenen aan eiser. Juridisch kader
  13. 4.
  14. Het uitgangspunt van de Pw is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodieke en incidentele) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Uit vaste rechtspraak volgt dat inrichtingskosten incidentele algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn en dus in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan, door reservering of door gespreide betaling achteraf. Alleen in bijzondere omstandigheden is aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom bestaat op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw alleen recht op bijzondere bijstand voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een omstandigheid dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen is geen bijzondere omstandigheid. Schulden, dan wel het ontbreken van reserveringsruimte als gevolg daarvan, mogen niet op de Pw worden afgewenteld. Was de verhuizing voor eiser voorzienbaar?
  15. 5.
  16. Eiser stelt dat zijn verhuizing pas voorzienbaar was op het moment dat hij concreet zicht had op een woning. Voor eiser was pas op 8 december 2023, het moment waarop de voorzieningenrechter uitspraak deed, duidelijk dat hij een woning toegewezen zou krijgen op basis van zijn eerder verleende urgentieverklaring. Totdat deze uitspraak werd gedaan, had eiser geen uitzicht op huisvesting. In de periode tussen 26 juli 2023 en 8 december 2023 ging het stukken slechter met eiser vanwege zijn uitzichtloze woonsituatie. Zijn depressieve klachten namen toe en er was sprake van veel schuldgevoel en serieuze suïcidale gedachten. Verder voert eiser aan dat hij is verhuisd als gevolg van het verkrijgen van een urgentieverklaring wegens medische redenen. Op grond van de artikelen 7.1.2 en 7.2 van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam (de Beleidsregels) geldt verhuizing vanwege medische reden als een bijzondere situatie waarvoor bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Er kon onmogelijk van eiser worden verwacht dat hij voldoende geld zou hebben gespaard om zijn medisch noodzakelijke verhuizing te bekostigen. 5.
  17. De rechtbank is van oordeel dat de verhuizing vanuit het ouderlijk huis voor eiser vanaf het moment dat hij op 14 november 2022 een urgentieverklaring kreeg voorzienbaar was en dat het voor hem mogelijk zou moeten zijn om geld daarvoor te reserveren, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de periode tussen de intrekking van de urgentieverklaring en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2023 niet relevant is voor de vraag of de verhuizing voorzienbaar was. Eiser heeft namelijk rechtsmiddelen ingesteld tegen de intrekking van de urgentieverklaring. Dit betekent dat bij eiser de wil bestond om te verhuizen. Gelet hierop was de verhuizing voorzienbaar. De stelling van de gemachtigde van eiser dat de kans dat het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen zou worden als heel klein werd ingeschat, doet hier niet aan af. Verder begrijpt de rechtbank dat er bij eiser sprake is van medische problematiek. De rechtbank kan zich ook voorstellen dat het mogelijk kan zijn dat eiser vanwege deze problemen geen geld kon reserveren. Eiser heeft dit echter niet met (medische) stukken onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verhuizing van eiser voorzienbaar was en dat niet is gebleken dat eiser niet voor de kosten voor de inrichting van zijn nieuwe woning heeft kunnen reserveren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Evenredigheidsbeginsel
  18. 6.
  19. Eiser stelt dat op grond van het evenredigheidsbeginsel een reden bestaat om van het beleid af te wijken. Er is sprake van dusdanig bijzondere medische omstandigheden en een dusdanig problematische voorgeschiedenis aan de zijde van het college nu sprake is van een onrechtmatige intrekking van de urgentieverklaring op 26 juli 2023, dat onverkorte toepassing van het beleid rondom de beoordeling van de voorzienbaarheid van de woonkosten tot onevenredige uitkomsten leidt voor eiser. Dit is in strijd met de artikelen 3:4 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. 6.
  20. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Eiser heeft niet toegelicht wat de onevenredige uitkomsten in dit geval zijn. De omstandigheid dat eiser geen recht heeft op bijzondere bijstand omdat de verhuizing voor hem voorzienbaar was, is geen nadelig gevolg van een besluit dat onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doel. De rechtbank heeft immers in overweging 5.
  21. vastgesteld dat de verhuizing voor eiser voorzienbaar was. Eiser heeft niet gesteld dat er andere omstandigheden zijn die maken dat deze uitkomst onevenredig is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Conclusie en gevolgen
  22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 december
  23. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juni 2024 van de rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2024:3704 (niet gepubliceerd, zaaknummer 24/2934). Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2023 van de rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2023:7944 (niet gepubliceerd, zaaknummer 23/6445). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:
  24. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:
  25. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2933.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.