RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-229597-24 Datum uitspraak: 21 november 2024 UITSPRAAK op de vordering van 11 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2024 door de rechtbank in Viborg, Denemarken (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 november 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.H.M. Nijsten, advocaat in Cadier en Keer. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een beschikking van de rechtbank Viborg van 19 juni 2024 (met kenmerk SS2082/2024). Deze beschikking is een voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub c OLW. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Deens recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de verdediging De verdediging stelt primair dat de overlevering geweigerd dient te worden omdat de omschrijving van het strafbare feit niet genoegzaam is. In het EAB ontbreekt informatie over hoe de verdenking tegen (specifiek) deze opgeëiste persoon is gerezen en wat zijn rol precies zou zijn geweest. Subsidiair dient de behandeling van de zaak aangehouden te worden om nadere informatie hierover op te vragen bij de Deense autoriteiten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering toegestaan kan worden. De OLW vereist niet dat de gronden van de verdenking en de precieze rol van de opgeëiste persoon worden vermeld in het EAB. Het gaat erom dat duidelijk is wat de verdenking is. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens bevat op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Het EAB bevat een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van de datum, de plaats en (gelezen in samenhang met het A-formulier) de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit (te weten als dader). Die beschrijving waarborgt ook de naleving van het specialiteitsbeginsel. Het EAB behoeft niet te vermelden op basis van welke onderzoeksgegevens de verdenking jegens de opgeëiste persoon is gerezen. Bovendien verkeert de zaak nog in de vervolgingsfase en hoeven de verdenking en rol van de opgeëiste persoon nog niet helemaal uitgekristalliseerd te zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de feitsomschrijving genoegzaam is en dat het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. The Director of Public Prosecutions in Kopenhagen heeft op 7 oktober 2024 de volgende garantie gegeven: “In compliance with article 5
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.