RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.002318-24 (voorheen 13.751742-18) (EAB I) Datum uitspraak: 6 februari 2024 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 31 juli 2018 door the Sąd Okręgowy we Włocławku (the Circuit Court in Wloclawek) in Polen en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964, verblijvend op het adres [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 10 mei 2019 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 mei 2019, in aanwezigheid van mr. R. Vorrink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.C. van der Velde, advocaat in Almere. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie de gelegenheid te geven om alle onduidelijkheden goed uit te zoeken. Zitting 23 januari 2024 De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 23 januari 2024, in aanwezigheid van M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, Mr. G.I. Roos, advocaat in Almere, die waarneemt voor mr. V.C. van der Velde, eveneens advocaat in Almere. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een e decision of the Circuit Court in Włocławek van 22 januari 2018 (II K 62/17). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Op de zitting van 10 mei 2019 is de zaak aangehouden vanwege onduidelijkheden die opheldering verdienden. Antwoorden op vragen die destijds zijn gesteld, zijn er nog steeds niet. De Poolse autoriteiten hebben eerder het EAB ten aanzien van een medeverdachte in de zaak van de opgeëiste persoon ingetrokken. Dit roept vragen op ten aanzien van de juistheid van de verdenking tegen de opgeëiste persoon. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om opheldering te verkrijgen over de onduidelijkheden in deze zaak. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. De officier van justitie heeft zich eveneens verzet tegen aanhouding van de zaak. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde omstandigheden geen grond opleveren voor weigering van de overlevering. Uit het feit dat het EAB ten aanzien van de opgeëiste persoon niet is ingetrokken, blijkt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit nog altijd de overlevering van de opgeëiste persoon wenst. De intrekking van het EAB ten aanzien van een medeverdachte heeft dan ook geen betekenis in de overleveringsprocedure van de opgeëiste persoon. Alle vragen die in deze zaak relevant zijn binnen het toetsingskader van de OLW, zijn beantwoord. De rechtbank is hiermee van oordeel dat zij over voldoende informatie beschikt om in deze zaak een beslissing te nemen en wijst het subsidiaire verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling dan ook af. 4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Onschuldverweer De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond. De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. The Regional Court, Penal Division II heeft op 9 januari 2024 de volgende garantie gegeven: “I hereby sustain the guarantee discussed in the letter of 6th October 2021 i.e. the Regional Court in Włocławek, as the body issuing the waarant is case file reference II Kop 16/18 guarantees that after carrying out of the criminal proceedings by the Regional Court in Włocławek, Penal Division II, in case the penalty of imprisonment or other measures consisting in deprivation of freedom is adjudicated towards him, the convict [opgeëiste persoon] born on [geboortedag] 1964 shall be transferred to the Kingdom of the Netherlands, with the aim to execute the sentence of the Polish court in the territory of the Kingdom of the Netherlands”. Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verdenking “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet (OW) gegeven verbod” het recht tot strafvordering naar Nederlands recht is verjaard. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van de toepassing van de facultatieve weigeringsrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Oordeel van de rechtbank De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Dat betekent dat naar Nederlands recht rechtsmacht had kunnen worden uitgeoefend over voormeld feit. In dat geval kan ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW de overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd indien naar Nederlands recht wegens het verstrijken van de verjaringstermijn geen vervolging meer plaats kan vinden. De rechtbank ziet af van weigering op grond van voormelde bepaling en overweegt daartoe als volgt. Het tweede feit omschreven in onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.