RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/6678 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2024 in de zaak tussen [verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster (gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. J. Marhabi). Inleiding 1.
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder dat zij de noodopvang per 15 november 2024 moet verlaten. 1.
- Verzoekster heeft hiertegen op 14 november 2024 bezwaar gemaakt en dezelfde dag om een voorlopige voorziening verzocht strekkende tot toekenning van onverwijlde toegang tot de noodopvang. 1.
- Verweerder heeft desgevraagd te kennen gegeven dat verzoekster in de noodopvang mag blijven totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist. 1.
- Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Verzoekster is samen met haar twee minderjarige kinderen (van inmiddels twee en zes jaar) op 15 oktober 2023 vanuit Suriname naar Nederland gekomen. Zij heeft vervolgens bij verschillende familieleden in Amsterdam verbleven, waaronder een oom en een nicht. In augustus en september 2024 heeft verzoekster zich al gemeld bij de noodopvang, maar daar is zij toen niet toegelaten omdat zij niet voldeed aan de eis van regiobinding. Op 8 oktober 2024 is verzoekster samen met haar kinderen alsnog toegelaten tot de noodopvang. Op 25 oktober 2024 heeft zij in het kader van de begeleiding een woningaanbod gekregen in de gemeente [gemeente] , dat zij heeft geweigerd. Daarop heeft verweerder besloten dat zij de noodopvang moet verlaten.
- Verzoekster heeft naar voren gebracht dat haar verblijf in de noopopvang ten onrechte wordt beëindigd. Zij begreep niet dat zij ook een woning moest accepteren ver buiten de regio van Amsterdam. Zij vindt dat de voorwaarden van de noodopvang haar niet goed zijn uitgelegd. Bovendien hebben haar kinderen jeugdhulp in Amsterdam en gaat de oudste hier al naar school. Het treffen van een voorlopige voorziening is nodig, omdat zij en haar kinderen anders dakloos zullen raken, aldus verzoekster.
- Vooropgesteld moet worden dat ouders de eerste verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun allereerste zorg. De overheid heeft op grond van internationale verdragen en nationale wet- en regelgeving daarnaast de plicht om grondrechten van burgers te waarborgen. De gemeente Amsterdam heeft in dat kader bij wijze van vangnetfunctie noodopvang opgezet voor zelfredzame dakloze gezinnen. Het doel van de opvang is dat betrokkenen en hun kinderen een plek hebben van waaruit zij de mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Voor het verblijf in de noodopvang voor dakloze gezinnen geld een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat alle leden van het gezin de afgelopen vier jaar in Amsterdam hebben gewoond blijkens de Basisregistratie Personen (BRP).
- De voorzieningenrechter stelt vast dat ondanks dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarde van regiobinding zij per 8 oktober 2024 alsnog is toegelaten tot de noodopvang. Uit de Nadere regels volgt echter dat gedurende de noodopvang als voorwaarde geldt dat het gezin geen passende woning weigert en dat weigeren van zo’n woning tot gevolg heeft dat de opvang wordt beëindigd. Op 25 oktober 2024 is aan verzoekster een woningaanbod gedaan voor een opvangtraject in [gemeente] . Dat heeft verzoekster geweigerd.
- De voorzieningenrechter constateert dat verweerder de noodopvang daarom overeenkomstig de Nadere regels heeft mogen beëindigen. Dat verzoekster niet wist van deze voorwaarde en de consequenties van het weigeren niet heeft overzien, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Verweerder heeft een verslag van de GGD Amsterdam van 29 november 2024 overgelegd, waaruit blijkt dat verzoekster op diverse momenten voorafgaand aan de plaatsing is gewezen op de voorwaarden voor de noodopvang. Ook in het plaatsingsbesluit van 8 oktober 2024, dat aan verzoekster is verzonden, zijn expliciet de voorwaarden en regels voor noodopvang beschreven. Ook is het aanbod in [gemeente] met Veilig Thuis en het Buurtteam gecommuniceerd. Zij hebben daarover intensief contact gehad met verzoekster en haar op de consequenties gewezen.
- De voorzieningenrechter overweegt verder, dat wanneer verweerder tot het beëindigen van de noodopvang overgaat de belangen van de kinderen daarbij zichtbaar moeten worden betrokken. De overheid heeft een positieve verplichting om de belangen van kinderen te betrekken in de besluitvorming. Het besluit kan namelijk grote gevolgen voor de kinderen hebben en de kans bestaat dat wanneer zij daadwerkelijk dakloos raken zij uit huis zullen worden geplaatst en in een pleeggezin terecht zullen komen. Verweerder diende zich ervan te vergewissen dat de gevolgen van het beëindigingsbesluit niet leiden tot schending van grondrechten voor de kinderen.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder dat in dit geval voldoende (kenbaar) heeft gedaan. Na de weigering van het aanbod in [gemeente] is er vanuit de GGD opnieuw met verzoekster over de consequenties gesproken. Verder is Veilig Thuis betrokken gebleven. Die heeft contact gezocht met het netwerk van verzoekster. Hieruit bleek dat er alternatieve verblijfplekken beschikbaar zijn bij familieleden in Amsterdam Zuidoost en België. Gebleken is dat met name een verblijf bij een nicht in Zuidoost (een andere nicht dan waar zij eerder had verbleven) een reëel alternatief vormt. Dat ook daar geen sprake zal zijn van een ideale situatie en verzoekster het verblijf daar niet wenselijk acht, maakt dit niet anders. Omdat de noodopvang hangende deze procedure nog kan voortduren is dat alternatief nog niet ingezet, maar er zijn geen aanwijzingen dat verzoekster daar nu niet meer terecht kan.
- De voorzieningenrechter is onder die omstandigheden van oordeel dat verweerder tot het beëindigen van de noodopvang heeft kunnen besluiten. De belangen van de kinderen zijn door verweerder zichtbaar betrokken, er is meegedacht met het gezin en Veilig Thuis zal ook bij de feitelijke beëindiging worden betrokken als de belangen van de kinderen daarom vragen.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 18 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Paragraaf 3.7 van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam
- Op basis van artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.