RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-215362-24 Datum uitspraak: 5 december 2024 UITSPRAAK op de vordering van 1 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juni 2024 door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg van Henegouwen, afdeling Mons (Bergen), België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 november 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 19 juni 2024 van de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg van Henegouwen, afdeling Mons, met referentie 2024/004 MO.11.L2.1651/24 (24DU4173). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Haar overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Procureur des Konings bij het Parket der Procureur des Konings van Bergen, afdeling Bergen, heeft op 5 november 2024 de volgende garantie gegeven: “In antwoord op uw e-mail van 04 november 2024 betreffende de overbrenging van [opgeëiste persoon] (op [geboortedag] 1978 geboren), garandeer ik hierbij de terugkeer van de betrokkene naar uw land. Overeenkomstig met artikel 5, § 3, van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, houdt deze garantie in dat eens de betrokkene in België definitief tot een straf of tot een vrijheidsbeperkende maatregel is veroordeeld, zal ze er naar uw land worden overgebracht om er die straf of die maatregel te ondergaan.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 5 november 2024, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden te Brussel de volgende individuele detentiegarantie is gegeven: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.