← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:7659

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 24/6630 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2024 in de zaak tussen [verzoeker] namens [restaurant] , uit Amsterdam, verzoeker (gemachtigde: mr. M. Veldman), en de burgemeester van Amsterdam, verweerder (gemachtigden: mr. M. Mulder en mr. P.J. Nijkerk). Inleiding 1.

  1. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 heeft verweerder de exploitatievergunning van het [restaurant] ingetrokken waardoor deze moet sluiten. 1.
  2. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingediend. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt geschorst tot veertien dagen na de beslissing op bezwaar. 1.
  3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
  4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de partner van verzoeker, mevrouw [partner] , de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.
  5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het spoedeisend belang en acht het spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening hiermee gegeven. 2.
  6. Verweerder heeft, voorafgaand aan de zitting en op verzoek van de voorzieningenrechter, de uitvoering van het bestreden besluit opgeschort tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. De vraag die bij de voorzieningenrechter voorligt is of de uitvoering van het bestreden besluit nog langer moet worden opgeschort. Hierbij kan zowel een voorlopig rechtmatigheidsoordeel van het bestreden besluit als een belangenafweging in het kader van artikel 6:16 van de Awb beslissend zijn. 2.
  7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Overwegingen
  8. Op de zitting is besproken waarom het zo lang heeft geduurd voordat verweerder het bestreden besluit heeft genomen. Verzoeker ziet niet dat zijn bedrijf de openbare orde bedreigt, en verweerder heeft dat ook niet concreet gemaakt. Van geweldsdreiging is in het geheel geen sprake. Zijn bedrijf zorgt juist voor samenhang in de buurt.
  9. In het bestreden besluit stelt verweerder dat de exploitatievergunning al in september 2023 van rechtswege is vervallen. Verweerder heeft echter meer dan een jaar later, op 7 november 2024 de exploitatievergunning ingetrokken; dat terwijl het eerste boetebesluit van de Arbeidsinspectie, waarop het bestreden besluit onder andere is gebaseerd, al dateert van 10 juli 2023 en er meerdere feiten en omstandigheden bij verweerder bekend waren waarop het bestreden besluit gebaseerd had kunnen worden. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat de rapporten van de Arbeidsinspectie pas in het tweede kwartaal van 2024 zijn ontvangen waarna op 19 juli 2024 het voornemen tot intrekking van de exploitatievergunning is verzonden. Hierna hebben de politie en toezichthouders van verweerder op 9 augustus 2024 een nieuwe controle uitgevoerd bij [restaurant] waarbij nieuwe arbeidskrachten zonder tewerkstellingsvergunning zijn aangetroffen. Om dit ten grondslag te kunnen leggen aan het bestreden besluit heeft verweerder twee maanden gewacht op de politierapportage, welke volgens verweerder op 9 oktober 2024 is ontvangen. Ook verweerder is van mening dat dit te lang heeft geduurd maar hij stelt afhankelijk te zijn van de verschillende instanties. Hoe dat ook zij: het wijst niet (alsnog) op een grote urgentie van de sluiting.
  10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van slecht levensgedrag en een slechte bedrijfsvoering die niet passen bij de verantwoordelijkheid van een exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf en dat dit een gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid. Ook al wordt aangenomen dat die conclusies van verweerder juist zijn, dan leidt dat op zich wel tot een onderbouwing van het belang van de sluiting, maar niet tot de conclusie dat de beslissing op bezwaar daarbij niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter tekent daarbij uitdrukkelijk aan dat dat op geen enkele manier wil zeggen dat de noodzaak tot sluiting onvoldoende is onderbouwd. De sluiting in de nabije toekomst is een reële juridische mogelijkheid. Ter zitting is met verzoeker dan ook uitdrukkelijk het persoonlijk scenario doorgenomen bij een sluiting van zijn restaurant.
  11. De gemachtigde van verzoeker heeft op zitting aangevoerd dat hij de processtukken van verweerder pas heel kort voor de zitting heeft ontvangen waardoor hij zich niet goed heeft kunnen voorbereiden. In bezwaar heeft hij die mogelijkheid wel, maar staan blijft dat verweerder in het bestreden besluit uitgebreid voorvallen heeft weergegeven die hebben geleid tot de sluiting van het restaurant. Dat zijn voorvallen van een aard die vaker met succes aan de intrekking van een exploitatievergunning ten grondslag worden gelegd. Er kan dan ook niet worden gezegd dat eisers bezwaar tegen die intrekking een goede kans van slagen heeft.
  12. Staan blijft echter dat vanwege een onvoldoende gebleken urgentie het belang van verzoeker bij schorsing van het bestreden besluit tot twee weken na de beslissing op bezwaar zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij de per directe intrekking van de exploitatievergunning en sluiting van het restaurant door strikte handhaving van artikel 6:16 van de Awb. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 7 november 2024 is geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
  13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen en dit bedraagt in totaal € 1.750,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het primaire besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december
  14. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.