RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/738761 / HA ZA 23-790 Vonnis van 18 september 2024 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEA VASTGOED B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, advocaat: mr. J.J.M. van Lint, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat: mr. C.R. Urlus. Eiseres wordt hierna Bea genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd en gezamenlijk [gedaagden] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 15 november 2023 en de daarin genoemde stukken, - de conclusie van antwoord, met producties, - het tussenvonnis van 31 januari 2024, waarin de mondelinge behandeling is bepaald, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 juli 2024 en de daarin genoemde stukken, - de op 19 juli 2024 binnengekomen akte uitlating van [gedaagden] 1.2. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken. 2De feiten 2.1. Bea is een zustervennootschap van Bea B.V. h.o.d.n. Bea Zorg (hierna: Bea Zorg). Bea Zorg is een organisatie die onderdak aanbiedt aan mensen met een zorgvraag, waarbij zij deze mensen ook ondersteuning en begeleiding biedt. Bea is opgericht om vastgoed te kunnen kopen om vervolgens te verhuren aan Bea Zorg, zodat Bea Zorg dit kan gebruiken voor onderdak voor haar cliënten. 2.2. [gedaagde 1] had het voortdurend recht van erfpacht op het perceel grond gelegen aan de [adres] . Het perceel grond is eigendom van de Gemeente Amsterdam. [gedaagde 1] was eigenaar van het daarop gelegen pand (hierna: het pand) en was nog bezig met de (af)bouw toen zij besloot het pand te verkopen. [gedaagde 2] is de partner van [gedaagde 1] . 2.3. Bea en [gedaagde 1] hebben op 27 december 2018 een koopovereenkomst gesloten, op grond waarvan [gedaagde 1] het voortdurend recht van erfpacht op het perceel grond aan de [adres] aan Bea heeft verkocht. Op 1 maart 2019 is het pand aan Bea geleverd. 2.4. Vanaf 1 juni 2019 is Bea het pand gaan verhuren aan cliënten van Bea Zorg, die in de appartementen in het pand zijn gaan wonen. 2.5. In de laatste week van juni 2019 heeft Bea gesproken over het gebruik van het pand met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van de Afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de Gemeente Amsterdam. In navolging op dat gesprek heeft [naam 1] op 2 juni 2019 onder meer het volgende aan Bea gemaild: “(…) Vorige week hebben wij elkaar gesproken omtrent het gebruik van de woning aan de [adres] . De conclusie is dat dit gebruik illegaal is, vanuit de huisvestingswet omdat er 4 (en straks 5) bewoners zijn zonder familieband en of relationele band. U heeft een vergunning nodig voor het omzetten van de woning in onzelfstandige wooneenheden indien er voorzieningen worden gedeeld, of voor woningvorming indien iedere wooneenheid zelfstandig is (eigen keuken, badkamer en toilet). Als er voor woningvorming wordt gekozen zal er in veel gevallen ook een omgevingsvergunning ‘bouw’ moeten worden aangevraagd omdat iedere woning een brandcompartiment moet worden. (…)”. 2.6. Bij brief van 28 januari 2020 heeft de Gemeente Amsterdam Bea - samengevat - laten weten dat sprake is van een onrechtmatige huursituatie, omdat een zelfstandige woonruimte is omgezet naar onzelfstandige woonruimtes zonder vergunning. In diezelfde brief heeft de Gemeente Amsterdam ook aangekondigd Bea in verband daarmee een bestuurlijke boete van € 18.000,00 op te leggen. Deze boete heeft Bea daarna ook betaald. 2.7. Bea heeft [gedaagde 1] op 6 februari 2020 onder meer bericht dat het pand niet voldoet aan het bouwbesluit en dat het pand niet voldoet ten aanzien van de vergunningen, het ventilatiesysteem, de leidingen en elektra. 2.8. Bea heeft mevrouw [naam 2] van Menhir Architecten (hierna: [naam 2] ) onder meer opdracht gegeven de (bouw)technische gebreken aan het pand te beoordelen. Op 20 mei 2020 is het rapport van [naam 2] verschenen. Dit rapport is op 30 juni 2020 aan [gedaagde 1] verstrekt. 2.9. In een brief van 26 juni 2020 heeft (de gemachtigde van) Bea – samengevat – aan [gedaagden] geschreven dat het pand niet beantwoordt aan de koopovereenkomst en [gedaagden] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. In diezelfde brief heeft Bea [gedaagden] tevens gesommeerd haar aansprakelijkheid te erkennen. 2.10. [gedaagde 1] heeft in de daarop volgende correspondentie aansprakelijkheid afgewezen. 3Het geschil 3.1. Bea vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 102.612,45, vermeerderd met rente en proceskosten. Volgens Bea is [gedaagden] de afspraken uit het koopcontract op meerdere punten niet nagekomen en daardoor stelt Bea schade te hebben geleden. 3.2. [gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Bea, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Bea in de proceskosten inclusief de nakosten. Er is volgens [gedaagden] geen sprake van tekortkomingen en als er al sprake was van gebreken, dan heeft Bea niet tijdig geklaagd en was [gedaagden] niet in verzuim. [gedaagde 1] betwist ook de gestelde schade. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan. 4De beoordeling Geen grondslag voor aansprakelijkheid [gedaagde 2] 4.1. Om te beginnen heeft [gedaagde 1] toegelicht dat het haar onduidelijk is waarom [gedaagde 2] in deze procedure is gedagvaard en verzoekt de rechtbank de vorderingen van Bea ten aanzien van [gedaagde 2] af te wijzen. Er was wel sprake van geregistreerd partnerschap, maar geen (beperkte) huwelijksgemeenschap. Bea stelt zich op het standpunt dat [gedaagde 2] gelet op zijn betrokkenheid ook verantwoordelijk is voor de schade. Bea heeft in dat kader toegelicht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al sinds 2016 samen hebben gewoond en dat [gedaagde 2] ook werkzaamheden heeft verricht in het pand. 4.2. De stellingen van Bea slagen niet. Voorop staat dat slechts de verkoper kan worden aangesproken voor de gebreken aan een afgeleverde zaak. In dit geval heeft alleen [gedaagde 1] het pand aan Bea verkocht. [gedaagde 2] was daarbij geen partij. De koop van het pand biedt daarom geen grondslag voor aansprakelijkheid voor [gedaagde 2] . De enkele omstandigheden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als geregistreerde partners samen hebben gewoond en dat [gedaagde 2] werkzaamheden heeft verricht in het pand, leiden evenmin tot aansprakelijkheid van [gedaagde 2] voor eventuele gebreken. Dit alles brengt mee dat de vorderingen van Bea ten aanzien van [gedaagde 2] moeten worden afgewezen. Toetsingskader 4.3. Tussen partijen is in geschil of het pand op het moment van levering voldeed aan de gerechtvaardigde verwachtingen van Bea. Bea legt onder meer aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de tussen partijen gesloten koopovereenkomst en daarom de schade van Bea moet vergoeden. Ter onderbouwing en invulling van de tekortkoming doet Bea een beroep op non-conformiteit zoals geregeld in artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hoewel in de dagvaarding daarnaast ook een beroep is gedaan op onrechtmatige daad en dwaling, is dit door Bea onvoldoende uitgewerkt en is ter zitting door Bea ook aangegeven dat zij haar vordering beoordeeld wenst te zien op de grondslag wanprestatie (non-conformiteit). 4.4. Als een partij tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst, moet hij de schade die de ander daardoor lijdt vergoeden. Voor de vraag of een verkoper tekort schiet, geldt dat een afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt als zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. Wat de koper mag verwachten, wordt ook ingevuld door de vraag of en in hoeverre de verkoper een mededelingsplicht heeft geschonden en of de koper een onderzoeksplicht heeft verzaakt. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Ontbreken vergunningen; non-conformiteit 4.5. Bea stelt dat het pand non-conform is, omdat het pand was opgedeeld in meerdere wooneenheden, terwijl dit niet toegestaan was, omdat de daarvoor vereiste vergunningen ontbraken. De rechtbank is het daarmee eens en licht dit als volgt toe. 4.6. Uit de foto’s, de tekeningen en de daarop gegeven toelichting blijkt duidelijk dat [gedaagde 1] bij de bouw zelf heeft gekozen voor de indeling van het pand in verschillende wooneenheden met allemaal een eigen keuken, badkamer en toilet. Zo heeft [gedaagde 1] het pand aan Bea geleverd. 4.7. Bea mocht verwachten dat zij een pand kocht dat legaal gebouwd is met inachtneming van de geldende voorschriften en vereisten. De indeling van het pand zoals [gedaagde 1] deze heeft verkocht, is daarentegen in strijd met de vergunningsvereisten. 4.8. De rechtbank acht aannemelijk dat [gedaagde 1] ook wist dat de bouw in strijd was met vergunningsvereisten. [gedaagde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij wist dat pas na vijf jaar een vergunning verkregen kon worden voor splitsing van het pand. [gedaagde 1] wist dat er bij de levering van het pand geen vergunning voor splitsing van het pand verleend was. Voor zover [gedaagde 1] bepleit dat zij ervan uit mocht gaan dat de bouw toch in orde was, omdat de Gemeente Amsterdam tijdens de bouw het pand heeft bezocht, wordt zij daarin niet gevolgd. Uit de enkele omstandigheid dat de Gemeente Amsterdam het pand tijdens de bouw heeft bezocht, kan namelijk niet zonder meer worden afgeleid dat geen vergunningen vereist waren voor de bouw van het pand in deze indeling. De aard van het bezoek van de gemeente en of er toen enige toetsing heeft plaatsgevonden is onbekend. Deze stelling is bovendien op geen enkele manier onderbouwd door [gedaagde 1] . 4.9. Het pand bezit dus niet de eigenschappen die Bea op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. Daarbij speelt een rol dat bij [gedaagde 1] bekend was dat Bea het pand kocht met de bedoeling het te gaan verhuren als losse appartementen. De rechtbank licht dit als volgt toe. 4.10. Hetgeen Bea mocht verwachten, wordt ingekleurd door de mededelingsplicht van [gedaagde 1] . Dat Bea in een kopie van de akte van vestiging van erfpacht en de algemene voorwaarden voor erfpacht van de gemeente had kunnen lezen dat het pand de eerste jaren niet in verschillende appartementsrechten kon worden gesplitst, maakt niet dat Bea er bedacht op moest zijn dat het pand door [gedaagde 1] op ontoelaatbare wijze was ingedeeld. Dat [gedaagde 1] in de koopovereenkomst heeft verklaard niet bekend te zijn of er een splitsingsvergunning is aangevraagd maakt ook niet dat Bea er rekening mee moest houden dat het pand was gebouwd in strijd met vergunningsvereisten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] (voor het eerst) verklaard dat hij wel tegen Bea heeft gezegd dat het vijf jaar zou duren voordat het pand gesplitst kon worden. Bea heeft dat betwist en het is gebleven bij een blote stelling. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank er dan ook niet van uit dat aan Bea duidelijk is gemeld dat de vereiste vergunningen voor de huidige indeling ontbraken. 4.11. [gedaagde 1] heeft nog de algemene stelling ingenomen dat Bea haar onderzoeksplicht heeft geschonden. Op Bea rustte, gelet op het voorgaande, niet de verplichting om (nader) te onderzoeken of het pand was verbouwd in strijd met de geldende vergunningsvereisten. Een koper mag er vanuit gaan dat er op legale wijze gebouwd is. 4.12. De rechtbank oordeelt, op basis van het voorgaande, dat het ontbreken van de vereiste vergunning non-conformiteit van het pand oplevert en daarmee ook een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst. Bouw in strijd met bouwbesluit; non-conformiteit 4.13. Bea heeft – samengevat – toegelicht dat het pand uitgaande van de huidige indeling in woonunits verschillende bouwkundige gebreken vertoont, die meebrengen dat het pand op verschillende punten niet voldoet aan het bouwbesluit. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.