RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 23/5616 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit Vleuten, eiseres (gemachtigde: mr. M. Heikens), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn). Inleiding 1.
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een bestuurlijk boete wegens het omzetten en omgezet houden van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten. 1.
- Met het primaire besluit van 24 februari 2023 heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete van € 12.570,- opgelegd wegens het, zonder de daartoe vereiste vergunning, omzetten en omgezet houden van de zelfstandige woonruimte op het adres [adres] [huisnummer] te Amsterdam in onzelfstandige woonruimten. Met het besluit van 1 augustus 2023 (het bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.
- Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dat besluit. Met het herziene besluit van 9 oktober 2024 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen voor wat betreft de hoogte van de boete en dat deze wordt gematigd van € 12.570,- naar € 4.713,
- Voor het overige wordt het primaire besluit in stand gelaten. 1.
- Eiseres heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 gehandhaafd. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 2.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit
- Nu verweerder dit besluit heeft herzien bij bestreden besluit 2, heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit
- Daarom verklaart de rechtbank het beroep gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk. 2.2 Het beroep is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht op het bestreden besluit
- 3.
- De rechtbank beoordeelt of verweerder een bestuurlijke boete mocht opleggen wegens het omzetten en omgezet houden van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 3.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep, gericht tegen het bestreden besluit 2, ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Overwegingen 4.
- Met de uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de gemeenteraad opgedragen om een boeteregime voor het omzettingsverbod vast te stellen dat recht doet aan het evenredigheidsbeginsel en waarin meer gedifferentieerd wordt dan nu het geval is. Naar aanleiding van deze uitspraak zullen de boetetabellen per 1 januari 2025 worden aangepast. Verweerder blijft bevoegd om boetes op te leggen, maar houdt tot aan 1 januari 2025 rekening met het oordeel van de Afdeling dat sprake is van onvoldoende differentiatie. Verweerder heeft er daarom voor gekozen om tot de vaststelling van de nieuwe boetetabellen door de gemeenteraad een terughoudend beleid te voeren. Daarom heeft verweerder, met het bestreden besluit 2, de boete met 50% gematigd naar € 6.285,-. Een verdere verlaging acht verweerder niet op zijn plaats, omdat eiseres een professionele verhuurder is die meerdere woningen verhuurd, De verhuur heeft ook een bedrijfsmatig karakter. Daarnaast heeft verweerder dit bedrag nog eens met 25% gematigd naar € 4713,75 vanwege de bijzondere omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd in haar beroepschrift. Eiseres heeft aangegeven dat sprake was van een legaliseerbare situatie. Zij had tijdens de bezwaarprocedure een omzettingsvergunning aangevraagd en is deze is met het besluit van 1 augustus 2023 verleend. Verder was er geen sprake van overbewoning, werd er geen hoge huurprijs gevraagd (€ 350,- per maand) en diende eiseres te zorgen voor woonruimte voor haar personeel. Ook van overlast was geen sprake. 4.
- Op zitting heeft eiseres aangevoerd dat er aanleiding bestaat om de boete nog verder te matigen. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 21 augustus
- In deze zaak ging het om een overtreding van een regel die ziet op de leefbaarheid door met een vergunning een woning te verhuren aan vijf toeristen in plaats van aan het maximale toegestane aantal van vier. Vanwege de geringe ernst van de overtreding en omdat de leefbaarheid niet in het geding is, is in die uitspraak besloten om de boete op 25% van het boetebedrag te stellen. Volgens eiseres komt haar zaak overeen met die genoemd in deze uitspraak omdat ook sprake is van leefbaarheidsboete waarbij de overtreding van geringe ernst is en ook de leefbaarheid nimmer in het gedrang is geweest. Ook als de boete verder gematigd wordt zal daar nog steeds een afschrikkende werking van uitgaan. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank is de bovenstaande uitspraak waarnaar eiseres verwijst niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In dit geval is sprake van een boete wegens het, zonder de daartoe vereiste vergunning, omzetten van een woonruimte, terwijl de zaak waarnaar eiseres verwijst gaat over een overtreding van een regel die geldt voor vakantieverhuur. In tegenstelling tot de casus in bovenstaande uitspraak beschikte eiseres ten tijde van de overtreding niet over een vergunning. Dat beide zaken gaan over de leefbaarheid maakt dit niet anders. Bovendien heeft verweerder, in het bestreden besluit 2 met de matiging van de boete, al rekening gehouden met het feit dat er geen sprake was van overlast of klachten. Eiseres heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. De rechtbank ziet daarom geen reden om de boete nog verder te matigen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Omdat verweerder de boete, nadat eiseres beroep had ingesteld, heeft verlaagd dient verweerder het griffierecht aan haar te vergoeden. Ook komt eiseres in aanmerking voor vergoeding van de proceskosten. Deze zijn begroot op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). De proceshandelingen in de bezwaarprocedure (bezwaarschrift en hoorzitting) komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat eiseres die zelf heeft verricht. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond; bepaalt dat verweerder het griffierecht van eiseres van € 184,- vergoedt; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- Zie rechtsoverweging 4.5.4 in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2443.