← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:8020

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/3755 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres en [eiser] , uit Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr. C. Lubben), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het de afwijzing van hun handhavingsverzoek ten aanzien van [adres 2] [huisnummer 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [adres 2] [huisnummer 2] (hierna: [bedrijf 2] ). 1.
  2. Op 10 januari 2023 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Hiertegen hebben eisers op 16 februari 2023 een bezwaarschrift ingediend. Met het bestreden besluit van 11 mei 2023 is het college gebleven bij het besluit om niet te handhaven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. 1.
  3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. 1.
  5. Tijdens de zitting hebben eisers naar voren gebracht dat er sprake is van een terras bij [bedrijf 2] , wat eens te meer laat zien dat [bedrijf 2] de bestemmingsplanregels overtreedt en er gehandhaafd moet worden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Alegemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven zich hierover nader uit te laten. Op 14 oktober 2024 hebben eisers een foto naar de rechtbank gestuurd ter onderbouwing van de aanwezigheid van het terras. Op 28 oktober 2024 is het college in een nadere reactie bij haar standpunt gebleven. Het onderzoek ter zitting is gesloten. Totstandkoming van het besluit
  6. Op 22 september 2022 heeft de gemachtigde van eisers een verzoek om handhaving bij de gemeente ingediend tegen [bedrijf 1] op het adres [adres 2] [huisnummer 1] en tegen [bedrijf 2] op het adres [adres 2] [huisnummer 2] ingediend. Eisers ervaren diverse vormen van overlast in hun directe leef- en woonomgeving op het [adres 3] . Het terrein heeft een beperkt aantal woningen, voor de rest zijn er bedrijven gevestigd. De overlast vindt gedurende verschillende dagdelen plaats en betreft onder andere geluidsoverlast, stankoverlast en trillinghinder. Met betrekking tot [bedrijf 1] is er volgens eisers vooral sprake van verkeersoverlast. Ten aanzien van [bedrijf 2] voeren eisers aan dat de activiteiten van dit bedrijf in strijd zijn met het bestemmingsplan, nu er geen sprake is van onderschikte detailhandel, maar van horeca-activiteiten zoals lunchrooms en restaurants. 2.
  7. Het college heeft ten aanzien van het handhavingsverzoek voor zover dat betrekking heeft op [adres 2] [huisnummer 1] , [bedrijf 1] , overwogen dat eisers niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Zij ondervinden namelijk geen gevolgen van enige betekenis door de activiteiten van [bedrijf 1] . Met betrekking tot het adres [adres 2] [huisnummer 2] , [bedrijf 2] , heeft het college overwogen dat er geen overtreding is geconstateerd. Gelet op een en ander heeft het college daarom besloten om niet te handhaven. 2.
  8. Het college heeft in de bezwaarfase de bezwaarschriftencommissie (de commissie) een advies laten uitbrengen over het handhavingsverzoek. De commissie heeft overwogen dat het bezwaar voor zover het gaat over [bedrijf 1] niet ontvankelijk is omdat eisers geen belanghebbenden zijn. Zij ondervinden namelijk geen gevolgen van enige betekenis van de activiteiten van dit bedrijf. De commissie heeft verder overwogen dat het verzoek om handhaving terecht is afgewezen voor zover het gaat over [bedrijf 2] . Het college heeft dit advies overgenomen in het bestreden besluit. Beoordeling van de rechtbank Heeft de bezwaarschriftencommissie onafhankelijk en onpartijdig geadviseerd? 3.
  9. De rechtbank beoordeelt allereerst eisers (procedurele) beroepsgrond dat de bezwaarschriftencommissie niet onpartijdig en vooringenomen heeft geadviseerd. Volgens eisers is er formeel wel sprake van onpartijdigheid, maar eisers kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat men “elkaar de hand boven het hoofd houd.” Eisers vinden het opmerkelijk dat de commissie nooit ter plaatste is geweest bij [bedrijf 1] en ook geen opnamerapport heeft opgesteld. Pas in de heroverwegingsfase hebben zij een opnamerapport van [bedrijf 2] opgesteld. 3.
  10. Er bestaat voor de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de bezwaarschriftencommissie zich niet onafhankelijk en onpartijdig heeft opgesteld. Zoals het college terecht betoogt bestaat de commissie op grond van artikel 2.1 van de Regeling bezwaar en beroep van de Gemeente Amsterdam (de Regeling) uit leden werkzaam onder verantwoordelijkheid van het college van wie één als voorzitter optreedt en één als secretaris. Niet meer dan één lid van de commissie, niet zijnde de voorzitter, mag bij de voorbereiding van het besluit betrokken zijn geweest. Het college stelt dat zowel de voorzitter als de secretaris van de commissie niet betrokken waren bij de totstandkoming van het bestreden besluit. De rechtbank heeft geen aanleiding om te denken dat dit anders is. Voor zover eisers (ook) hebben bedoeld te betogen dat het onderzoek van de commissie onzorgvuldig is geweest, volgt de rechtbank eisers hierin niet nu het dossier hiervoor geen aanknopingspunten biedt. Deze beroepsgrond slaagt niet. [bedrijf 1] 4.
  11. Eisers voeren aan dat zij wel degelijk veel overlast ondervinden van de bedrijven op het [adres 3] , waaronder [bedrijf 1] , en als gevolg hiervan een voldoende objectief bepaalbaar en persoonlijk belang hebben bij het bezwaar. Zij menen hierom dat zij wel degelijk als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt bij het verzoek om handhaving waar het gaat om [bedrijf 1] . Het bezwaar, waar het gaat om [bedrijf 1] , is volgens eisers dan ook ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. 4.
  12. De rechtbank overweegt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) dient het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ echter als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken wanneer de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar dusdanig gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij worden factoren als afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, allemaal meegewogen en zo nodig in onderlinge samenhang bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 4.
  13. Met het college stelt de rechtbank vast dat niet ter discussie staat dat eisers geen zicht hebben op [bedrijf 1] en zich op een afstand van 110 meter van de locatie van dit bedrijf bevinden. [bedrijf 1] betreft een zeer kleinschalig bedrijf waarbij de mogelijke verkeerstoename als gevolg van de komst van dit bedrijf zich slechts in een beperkt tijdsbestek zal manifesteren vanwege de beperkte openingstijden van twaalf uur tot vijf uur ’s middags. Het college heeft deze omstandigheden terecht in aanmerking genomen en bezien in combinatie met de andere in de rechtspraak genoemde factoren zoals aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen. Gezien de beperkte (verwachte) verkeertoename in combinatie met de geringe ruimtelijke uitstraling van [bedrijf 1] is het college terecht tot de conclusie gekomen dat het persoonlijk belang van eisers ontbreekt omdat gevolgen van enige betekenis ontbreken. De rechtbank heeft bij dit oordeel ook betrokken dat eisers naast de verwachte verkeerstoename onvoldoende concreet hebben toegelicht en onderbouwd welke overlast zij op dit moment specifiek van [bedrijf 1] ondervinden. De conclusie moet dan ook zijn dat eisers geen belanghebbenden zijn bij het verzoek om handhaving waar het [bedrijf 1] betreft en dat het college daarom het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet. [bedrijf 2] 4.
  14. Eisers zijn van mening dat [bedrijf 2] in strijd met het geldende bestemmingsplan opereert. Volgens eisers is er sprake van horeca in plaats van een bedrijf met ondergeschikte detailhandel. Horeca is volgens het bestemmingsplan hier niet toegestaan. 4.
  15. Volgens verweerder is het bestemmingsplan ‘ [bedrijf 3] ’ van toepassing op de locatie van [bedrijf 2] , [adres 2] [huisnummer 2] . De gronden waarop [bedrijf 2] zich bevindt hebben de enkelbestemming “Bedrijf-1” bestemd voor bedrijven in de categorie A.,B of C van de bijbehorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Daarnaast is artikel 3.1, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 3.3, aanhef en onder c, van de Planregels van toepassing op [bedrijf 2] . Uit de Planregels volgt dat voor ondergeschikte detailhandel geldt dat er een maximum van 10% van het netto vloeroppervlak voor het publiek toegankelijk mag zijn. Volgens verweerder vallen de activiteiten van [bedrijf 2] onder categorie B ‘cateringbedrijven groter dan 100 vierkante meter’. Uitgangspunt bij een cateringbedrijf is dat de bereide maaltijden bij de klant worden bezorgd. Het afhalen van maaltijden kan ondergeschikte detailhandel bij een cateringbedrijf zijn onder de voorwaarde dat de hoofdactiviteit het bereiden en bezorgen van maaltijden blijft. Uit het opnamerapport van verweerder volgt dat een oppervlakte van 8,8 vierkante meter van het totale oppervlakte van 109 vierkante meter wordt gebruikt voor de afhaalruimte. Er zijn geen stoelen en tafels waardoor er geen sprake kan zijn van ‘consumptie ter plaatse’. De oppervlakte van de afhaalruimte valt onder de maximum oppervlakte van 10% voor ondergeschikte detailhandel en is om die reden toegestaan. [bedrijf 2] voldoet dus aan de vereisten volgend uit het bestemmingsplan voor ondergeschikte detailhandel ‘bedrijf-1’. Nu er geen overtreding heeft plaatsgevonden, meent het college het handhavingsverzoek terecht te hebben afgewezen. 4.
  16. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat geen sprake is van een overtreding en dat daarom het college in het bestreden besluit terecht is gebleven bij de afwijzing van het handhavingsverzoek. Eisers hebben in beroep geen gegevens overlegd waaruit blijkt dat een groter gedeelte van het vloeroppervlak van [bedrijf 2] dan geconstateerd tijdens de opname wordt gebruikt voor afhaalruimte/detailhandel waardoor er geen sprake meer zou zijn van ondergeschikte detailhandel. Eisers hebben ook geen concrete gegevens aangeleverd die duiden op een andere inrichting dan de inrichting die tijdens de opname is geconstateerd of die erop duiden dat er binnen wordt geconsumeerd. Het college heeft op basis van de feitelijke bevindingen uit het onderzoek ter plaatste vastgesteld dat de inrichting kwalificeert als ondergeschikte detailhandel. De rechtbank volgt het college in deze conclusie. Het college heeft het handhavingsverzoek terecht afgewezen nu er geen overtreding is geconstateerd bij [bedrijf 2] . Heeft verweerder terecht het terras buiten de omvang van het handhavingsverzoek geplaatst? 4.
  17. Eisers hebben er in beroep op gewezen dat er buiten bij [bedrijf 2] een terras in de vorm van twee picknicktafels aanwezig zijn. Zij hebben na afloop van de zitting (in het kader van de schorsing van het onderzoek op de zitting) een foto van twee picknicktafels aan de rechtbank overgelegd ter onderbouwing van hun standpunt dat [bedrijf 2] in strijd is met het bestemmingsplan feitelijk als horecabedrijf wat publiek trekt opereert. 4.
  18. In reactie hierop heeft het college de situatie door een toezichthouder bij [bedrijf 2] laten onderzoeken en geconstateerd dat er inderdaad twee picknicktafels aanwezig zijn voor de gevel van [bedrijf 2] . Dit is zonder vergunning en op grond van de Algemene Plaatstelijke Verordening 2008 (APV) niet toegestaan. Verweerder heeft daarom op 25 oktober 2024 [bedrijf 2] aangeschreven met een waarschuwing en verzocht om de picknicktafels voor 4 november 2024 te verwijderen. Tegelijkertijd heeft verweerder in haar nadere reactie naar voren gebracht dat de aanwezigheid van het terras niet in het oorspronkelijke handhavingsverzoek is opgenomen, en dus buiten de omvang van het verzoek en daarmee buiten deze zaak valt. Verweerder verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat het niet mogelijk is om de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit uit te breiden en dat de inhoud van het verzoek dus bepalend is voor de omvang van het geding. 4.
  19. De rechtbank constateert dat in het handhavingsverzoek van 25 september 2022 is verzocht om handhavend op te treden wegens strijd met het bestemmingsplan. Het terras wordt niet genoemd in dit verzoek. Zoals verweerder terecht aanvoert, kan een handhavingsverzoek niet gaandeweg de procedure worden uitgebreid. In haar nadere reactie zegt verweerder dat er een apart handhavingstraject kan worden gevolgd ten aanzien van het terras en dat dit traject ook reeds in gang is gezet. De rechtbank begrijpt uit de omstandigheid dat het terras pas op de zitting is genoemd, dat het terras waarschijnlijk nog niet aanwezig was toen het handhavingsverzoek van eisers werd ingediend. In het handhavingsverzoek, en in bezwaar, is de aanwezigheid van het terras bij [bedrijf 2] en dat hierdoor sprake is van een overtreding niet door eisers naar voren gebracht. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de aanwezigheid het terras buiten de omvang van deze procedure valt. Verweerder heeft hiervoor terecht een apart handhavingstraject ingezet. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december
  20. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie artikel 1:2, eerste lid van de Algemene Wet Bestuursrecht. Zie de uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2O21:
  21. Zie de uitspraak de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2O24:
  22. Zie de uitspraak van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2O24:1138.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.