← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:8068

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2661 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2024 in de zaak tussen [eiseres], te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering) en de minister van Financiën, Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. E. Thomas & mr. J. Kuiper). Procesverloop Met een besluit van 12 april 2022 (het primaire besluit I) heeft verweerder het verzoek van eiseres om compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2010 afgewezen. Met een ander besluit van 12 april 2022 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie opzet en/of grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 7.855,- met betrekking tot de jaren 2007 tot en met

  1. Met een besluit van 2 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september
  2. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Wat aan deze procedure voorafging
  3. Op 8 oktober 2020 heeft eiseres aan verweerder gevraagd om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van 2006 tot en met
  4. Op 1 april 2021 is eiseres aangemerkt als gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft zij op grond van de Catshuisregeling € 30.000,- als compensatie ontvangen.
  5. Met het primaire besluit I heeft verweerder het verzoek van eiseres om compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2010 afgewezen. Verweerder heeft aan dit besluit het advies van de onafhankelijke Commissie van Wijzen (CvW) ten grondslag gelegd. Volgens het CvW zijn er bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag van eiseres geen fouten gemaakt. Ook zijn er geen aanwijzingen dat verweerder deze jaren institutioneel vooringenomen heeft gehandeld.
  6. Met het primaire besluit II heeft verweerder aan eiseres een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie O/GS over de jaren 2007 tot en met 2010 toegekend van € 7.
  7. Daarbij is aan eiseres medegedeeld dat zij geen aanvullend bedrag krijgt uitbetaald, omdat zij in het kader van de Catshuisregeling reeds € 30.000,- heeft ontvangen. Verweerder licht toe dat eiseres in het verleden heeft gevraagd om een schuld in delen te betalen of om aan een schuldsanering mee te werken. Verweerder heeft daar onterecht niet aan meegewerkt. Eiseres heeft tussen de jaren 2007 en 2010 € 26.177,- aan verweerder moeten terugbetalen. De tegemoetkoming bedraagt 30% daarvan.
  8. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) ten grondslag gelegd. De BAC licht toe dat voor het toeslagjaar 2006 de kinderopvangtoeslag lager is vastgesteld dan het voorschot, nadat eiseres op 7 januari 2007 op het antwoordformulier aangeeft dat zij per 16 november 2006 geen kinderopvang meer heeft afgenomen. Voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 heeft eiseres elk jaar op het antwoordformulier gemeld dat zij geen kinderopvang heeft afgenomen. De betaalde kinderopvangtoeslag over deze jaren is dan ook terecht van eiseres teruggevorderd. Er zijn geen aanwijzingen voor vooringenomenheid of bijzondere hardheid bij de vaststelling van haar aanspraak op kinderopvangtoeslag. Voorts meldt de BAC dat eiseres over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 ten onrechte werd beticht van O/GS. Om die reden is dan ook een tegemoetkoming aan haar toegekend. Standpunt van eiseres
  9. Eiseres meent dat zij recht heeft op compensatie vanwege hardheid van het systeem ofwel vooringenomenheid. Daarnaast voert eiseres aan dat voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2010 sprake is geweest van bijzondere omstandigheden. Mede gelet op hetgeen zij heeft vermeld bij het oudergesprek over haar moeilijke situatie en de harde invordering doet zij een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1, lid 1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het oordeel van de rechtbank
  10. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht het verzoek van eiseres om compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2010 heeft afgewezen.
  11. Eiseres voert aan dat sprake is geweest van hardheid bij de verrekeningen en de terugvorderingen van kinderopvangtoeslag. Verweerder meent dat de automatische continuering van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2010 inderdaad als onzorgvuldig kan worden aangemerkt, omdat zij signalen van eiseres hebben ontvangen dat zij geen kinderopvang afnam. Echter heeft volgens verweerder de verrekening en terugvordering op de gebruikelijke wijze plaatsgevonden. Hieruit blijkt geen hardheid of vooringenomenheid. Daarbij wijst verweerder erop dat zij de bedragen van € 5.700,-, € 1.000,- en € 6.400,- niet van eiseres hebben teruggevorderd. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van vooringenomenheid bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2006 tot en met
  12. Daarvan is niet gebleken. Ook is geen sprake van hardheid. Eiseres wist dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag in de jaren 2007 tot en met 2010, omdat zij over die jaren geen kinderopvang afnam. De kinderopvang is vervolgens op de gebruikelijke wijze verrekend. Verder blijkt dat er een bedrag van ruim € 13.000,- aan onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag niet is verrekend. Ook hieruit volgt dat geen sprake is geweest van hardheid.
  13. Voor zover eiseres een beroep doet op de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank dat de wetgever de hardheidsclausule heeft bedoeld voor bijzondere situaties die niet zijn voorzien en waarin toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst en schrijnende gevallen. Hoewel de rechtbank in de stukken ziet dat eiseres het financieel zwaar heeft gehad in de periode waar het om gaat, is de rechtbank van oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de terugvorderingen en verrekeningen van kinderopvangtoeslag voor eiseres hebben gehad, stelt de rechtbank dat niet is gebleken dat de situatie van eiseres zodanig bijzonder of schrijnend is dat het leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Conclusie
  14. Het beroep van eiseres is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen , rechter, in aanwezigheid vanmr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november
  15. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.