RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/748606 / HA ZA 24-294 Vonnis van 18 december 2024 in de zaak van de besloten vennootschap KEUKENHOF B.V., gevestigd in Lisse, eisende partij, hierna te noemen: Keukenhof, advocaat: mr. L. Keukens, tegen 1. de besloten vennootschap [gedaagde 1] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 1] , hierna te noemen: [gedaagde 1] B.V.,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht [gedaagde 2] LTD., gevestigd in [vestigingsplaats 2] (Verenigd Koninkrijk), hierna te noemen: [gedaagde 2] ,3. de besloten vennootschap [gedaagde 3] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 1] , hierna te noemen: [gedaagde 3] ,4. de heer [gedaagde 4], wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde 4] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mrs. V. Terlouw en C.R. Betjes. 1De zaak in het kort 1.1. Deze zaak gaat over een overeenkomst voor de doorverkoop van tickets voor het bloemenpark van Keukenhof, een resellerovereenkomst. Op grond van zo’n overeenkomst mag een reseller via zijn eigen verkoopkanalen tickets verkopen en een deel van de ticketopbrengst houden als vergoeding. Keukenhof sloot een resellerovereenkomst met [bedrijf] en wacht nog op betaling van € 230.733,00. Keukenhof wil dat [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] dat bedrag aan haar betalen. Keukenhof vindt dat zij alleen op papier met [bedrijf] een contract had. In werkelijkheid is [gedaagde 1] B.V. of [gedaagde 2] haar contractspartij en voerde die de overeenkomst uit. [gedaagden] is het hier niet mee eens, de overeenkomst was met [bedrijf] en moet die partij betalen. De rechtbank geeft [gedaagden] daarin gelijk. 1.2. Volgens Keukenhof zijn de bestuurder, aandeelhouder en [gedaagde 1] B.V. dan in ieder geval aansprakelijk voor het bedrag dat [bedrijf] niet kan betalen. De rechtbank geeft Keukenhof ook daarin geen gelijk, alle vorderingen van Keukenhof worden afgewezen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 20 maart 2024 met producties (1 t/m 46), - de conclusie van antwoord met producties, - het tussenvonnis van 19 juni 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte overlegging producties van Keukenhof (47 t/m 54, herstel 7, 25 en 26), - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 oktober 2024. 2.2. Daarna is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. Op 21 september 2015 is [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) opgericht. De activiteiten van [bedrijf] zijn de in- en verkoop van tickets voor musea en attracties voor toeristen. Enig aandeelhouder van [bedrijf] is [gedaagde 3] . [gedaagde 4] is statutair bestuurder van [bedrijf] . Van 1 januari 2023 tot en met 1 juli 2023 heeft [bedrijf] de handelsnaam [gedaagde 2] gevoerd. 3.2. Op 10 februari 2017 is [gedaagde 2] opgericht. Vanaf 13 december 2018 is [gedaagde 4] ingeschreven als statutair bestuurder van [gedaagde 2] . 3.3. Op 20 juni 2017 is [gedaagde 1] B.V. opgericht. [gedaagde 1] B.V. heeft een digitaal platform en onderliggende maatwerksoftware ontwikkeld voor de verkoop van toegangsbewijzen voor recreatieve attracties en evenementen. [gedaagde 3] is enig aandeelhouder van [gedaagde 1] B.V. Als statutair bestuurders van [gedaagde 1] B.V. zijn ingeschreven [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . [gedaagde 4] is ook statutair bestuurder van [gedaagde 3] . 3.4. Keukenhof exploiteert Bloemententoonstelling Keukenhof in Lisse. Deze wordt jaarlijks voor een periode van acht weken in de maanden maart, april en mei tegen betaling opengesteld voor bezoekers. Keukenhof maakt voor de verkoop van tickets onder meer gebruik van resellers. Dit zijn partijen die via hun eigen verkoopkanalen gerechtigd zijn om tickets voor het bloemenpark van Keukenhof te verkopen. Daarvoor sluit Keukenhof met die partijen een resellerovereenkomst. In zo’n resellerovereenkomst wordt doorgaans de afspraak gemaakt dat een reseller, als vergoeding voor zijn diensten, een deel van de verkoopopbrengst mag houden en het overige aan Keukenhof moet afdragen. 3.5. Op 12 februari 2020 hebben Keukenhof en [gedaagde 2] een resellerovereenkomst gesloten voor 25 november 2020 tot en met 9 mei 2021 (hierna: resellerovereenkomst 2021). In de resellerovereenkomst 2021 is vermeld dat [gedaagde 2] ook handelt onder de naam [gedaagde 1] . [gedaagde 2] wordt in de overeenkomst aangeduid als “ [gedaagde 1] ”. In artikel 3.1 van de resellerovereenkomst is vermeld dat [gedaagde 1] haar verkoopsysteem aansluit via de API-interface op het ticketsysteem van “Ticketcounter”. In artikel 2 van de resellerovereenkomst zijn de inkoop- en verkooptarieven van de tickets genoemd. 3.6. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde 2] eerst een borgbetaling voldoet aan Keukenhof, voordat zij met de (door)verkoop van tickets begint. Keukenhof stuurt daarna facturen voor het gedeelte van de ticketopbrengst dat aan Keukenhof moet worden afgedragen. 3.7. Op 8 februari 2021 heeft Keukenhof een factuur aan [gedaagde 1] B.V. gezonden voor € 5.000,00 met omschrijving “Aanbetaling depot API-interface”. Op 9 februari 2021 heeft [gedaagde 1] B.V. de aanbetaling van € 5.000,00 aan Keukenhof betaald. 3.8. Voor maart tot en met mei 2021 zijn geen tickets verkocht omdat Bloemententoonstelling Keukenhof door de coronapandemie niet toegankelijk was voor publiek. 3.9. Op 8 december 2021 hebben Keukenhof en [gedaagde 2] een resellerovereenkomst gesloten voor 1 november 2021 tot en met 15 mei 2022 (hierna: resellerovereenkomst 2022). Ook in deze overeenkomst wordt vermeld dat [gedaagde 2] handelt onder de naam [gedaagde 1] en wordt [gedaagde 2] aangeduid als “ [gedaagde 1] ”. In artikel 3.1 van de resellerovereenkomst is eveneens vermeld dat [gedaagde 2] haar verkoopsysteem aansluit via de API-interface op het ticketsysteem van “Ticketcounter”. In artikel 2 van de resellerovereenkomst zijn de inkoop- en verkooptarieven van de tickets genoemd. 3.10. Op 24 januari 2022 heeft Keukenhof een factuur aan [gedaagde 1] B.V. voor € 5.000,00 gezonden met omschrijving “Aanbetaling ticketverkoop 2022”. [gedaagde 1] B.V. heeft op 25 maart 2022 de aanbetaling van € 5.000,00 aan Keukenhof betaald. 3.11. De afdrachten van de ticketopbrengst onder de resellerovereenkomst 2022 werden gedaan via een selfbilling-systeem. Via dit systeem zijn door [bedrijf] voor het gedeelte van de ticketopbrengst die zij moet afdragen, creditfacturen aan Keukenhof gezonden. Op de creditfacturen zijn de gegevens van [bedrijf] als afzender vermeld. Ook staat op de creditfacturen het watermerk: “[gedaagde 1]”. [bedrijf] heeft de factuurbedragen aan Keukenhof voldaan. 3.12. Eind 2022 zijn Keukenhof en [gedaagden] in onderhandeling getreden over de resellerovereenkomst voor het seizoen 2023 (hierna: de resellerovereenkomst 2023). Net als in de jaren 2021 en 2022 heeft Keukenhof de overeenkomst opgemaakt op haar briefpapier. Bij aanvang van de onderhandelingen is een concept van de resellerovereenkomst 2023 door Keukenhof voorgelegd aan [gedaagden] 3.13. Op 18 november 2022 heeft [gedaagden] , in de persoon van [naam 1] , aan Keukenhof bericht dat [gedaagde 2] net als in voorgaande jaren als contractspartij mag worden vermeld en dat deze partij in de resellerovereenkomst mag worden gedefinieerd als “ [gedaagde 1] ”. Ook heeft [naam 1] gemeld dat bij de ondertekening [gedaagde 1] mag komen te staan en [gedaagde 4] als CEO. Keukenhof heeft dit vervolgens verwerkt en de aangepaste versie van de resellerovereenkomst 2023 aan [gedaagden] gezonden. 3.14. Op 30 november 2022 heeft [gedaagden] het concept van de resellerovereenkomst 2023 met haar vragen en opmerkingen aan Keukenhof gestuurd en aan Keukenhof voorgesteld deze te bespreken. Keukenhof heeft vervolgens een getekende resellerovereenkomst 2023 aan [gedaagden] gezonden. 3.15. Op 7 december 2022 heeft [gedaagden] aan Keukenhof laten weten dat geen rekening is gehouden met de vragen en opmerkingen van [gedaagden] en dat deze versie door [gedaagden] niet kan worden getekend. Bij [gedaagden] is naast [naam 1] ook [naam 2] in de correspondentie betrokken. 3.16. Op 8 december 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Keukenhof en [gedaagden] 3.17. Op 15 december 2022 heeft Keukenhof aan [gedaagden] gevraagd of er naar aanleiding van het door haar aan [gedaagden] gezonden gewijzigde concept van de resellerovereenkomst 2023 nog vragen zijn. 3.18. Op 31 januari 2023 heeft [naam 2] aan Keukenhof bericht: “Willen jullie de volgende bedrijfsgegevens van ons aanhouden: De besloten vennootschap [bedrijf] B.V. (Reg nr. [nummer] ) handelende onder de naam [gedaagde 2], gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] , Nederland, hierbij rechtsgeldig vertegenwoordigd door dhr. [gedaagde 4] . Hierna aan te duiden als [gedaagde 2] /Resellerpartner.” 3.19. Keukenhof heeft vervolgens [bedrijf] als contractspartij in de resellerovereenkomst 2023 opgenomen, de aanduidingen verwerkt en het concept daarna aan [gedaagden] gezonden. 3.20. Op 6 februari 2023 is de resellerovereenkomst 2023 door partijen ondertekend. In artikel 2 zijn de inkoop- en verkooptarieven van de tickets genoemd. De resellerovereenkomst 2023 is ondertekend door [gedaagde 4] , waarbij is vermeld: “Functie: CEO [gedaagde 1] Directeur [bedrijf]”. 3.21. Op 8 februari 2023 heeft Keukenhof een factuur aan [gedaagde 1] B.V. verstuurd voor € 10.000,00, met omschrijving “Aanbetaling ticketverkoop 2023”. Op 15 februari 2023 heeft [gedaagde 1] B.V. de aanbetaling van € 10.000,00 aan Keukenhof betaald. 3.22. Op 31 maart 2023 heeft Keukenhof een factuur voor € 22.278,00 aan [gedaagde 1] B.V. verzonden voor de afdracht van (een gedeelte van) de ticketopbrengst. Op 3 mei 2023 heeft [bedrijf] deze factuur aan Keukenhof betaald. 3.23. Keukenhof heeft vervolgens nog drie facturen voor een totaalbedrag van € 230.733,00 aan [gedaagde 1] B.V. verzonden. Op 11 mei 2023 en 20 juni 2023 heeft Keukenhof aan [gedaagden] verzocht tot betaling over te gaan. [gedaagden] heeft de facturen niet betaald. 3.24. Op 4 juli 2023 heeft [bedrijf] bij de rechtbank een startverklaring voor de WHOA gedeponeerd. 3.25. Op 18 juli 2023 is [bedrijf] in staat van faillissement verklaard. 3.26. Op 16 augustus 2023 heeft Keukenhof [gedaagde 2] en [gedaagde 1] B.V. aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en verzocht € 230.773,00 te betalen voor de openstaande facturen en € 2.500,00 aan juridische kosten. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] B.V. hebben niet betaald. 3.27. In het faillissementsverslag van 17 augustus 2023 en de daaropvolgende verslagen van de curator van [bedrijf] is vermeld: “Gefailleerde maakt deel uit van een kleine groep van besloten vennootschappen. [gedaagde 3] houdt alle aandelen in [gedaagde 1] en [bedrijf] (als voornaamste vennootschappen). [gedaagde 1] is de technische werkmaatschappij waarin een ticketing platform (software) is gebouwd voor de toeristenindustrie. Gefailleerde is de commerciële entiteit binnen de groep, die tickets voor musea en attracties en- en verkoopt met gebruikmaking van het IP van [gedaagde 1] . Daartoe heeft [bedrijf] een licentieovereenkomst met [gedaagde 1] .” 3.28. Op 6 november 2023 heeft Keukenhof ook [gedaagde 4] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en [gedaagde 4] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1] B.V. verzocht € 220.773,00 en € 2.500,00 te betalen. [gedaagde 4] , [gedaagde 2] en [gedaagde 1] B.V. hebben niet betaald. 3.29. In het faillissementsverslag van 27 augustus 2024 van de curator van [bedrijf] is opgenomen: 3.30. Op 24 januari 2024 zijn de jaarcijfers 2022 van [bedrijf] gedeponeerd. Daarin is het volgende vermeld: 4Het geschil 4.1. Keukenhof vordert: Primair I. een verklaring voor recht dat dat [gedaagde 1] B.V. en/of [gedaagde 2] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de resellerovereenkomst 2023. Hiervoor voert Keukenhof aan dat zij erop mocht vertrouwen dat [gedaagde 1] B.V. en anders [gedaagde 2] haar contractpartij was en deze tekort is geschoten in de nakoming, omdat facturen van Keukenhof niet zijn betaald, Subsidiair II. een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] B.V., [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van Keukenhof. Keukenhof brengt in dit kader naar voren dat [gedaagde 4] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor de niet verhaalbare vordering van Keukenhof, dat [gedaagde 3] als aandeelhouder onrechtmatig heeft gehandeld naar Keukenhof, dat [gedaagde 4] en [gedaagde 1] B.V. misbruik hebben gemaakt van het identiteitsverschil tussen [bedrijf] en [gedaagde 1] B.V., of dat [gedaagde 1] B.V. met [bedrijf] vereenzelvigd moet worden, Primair en subsidiair III. (hoofdelijke) veroordeling tot betaling van [gedaagde 1] B.V., [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] tot betaling van € 230.733,00, met wettelijke handelsrente, IV. (hoofdelijke) veroordeling tot betaling van [gedaagde 1] B.V., [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] tot betaling van € 2.928,67 aan buitengerechtelijke incassokosten, met wettelijke rente, V. (hoofdelijke) veroordeling tot betaling van [gedaagde 1] B.V., [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] tot betaling van de proceskosten en nakosten. 4.2. [gedaagden] betwist de vorderingen van Keukenhof en wil dat die worden afgewezen, met veroordeling van Keukenhof in de kosten van deze procedure met rente. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [gedaagde 2] is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Daarom moet de rechtbank ambtshalve oordelen of zij bevoegd is en welk recht moet worden toegepast. 5.2. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is omdat [gedaagde 2] in de procedure is verschenen en de bevoegdheid niet heeft bestreden (artikel 24 EEX-Vo). 5.3. Voor de vraag welk recht van toepassing is, geldt dat voor wat betreft de primaire vordering sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken in de zin van Rome I. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een uitdrukkelijk gedane rechtskeuze in de zin van artikel 3 lid 1 Rome I. Artikel 5 lid 1 van de resellerovereenkomst 2023 verwijst namelijk uitdrukkelijk naar Nederlands recht als toepasselijk recht. Daarom is Nederlands recht van toepassing op de vordering van Keukenhof op [gedaagde 2] . 5.4. Ook als het om de subsidiaire vorderingen gaat, is Nederlands recht van toepassing. De gestelde schade doet zich hier voor (artikel 4 lid 2 Rome II). Mocht Keukenhof er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde 1] B.V. of [gedaagde 2] contractspartij was? 5.5. Voor de primaire vordering van Keukenhof is de centrale vraag of Keukenhof er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde 1] B.V. en/of [gedaagde 2] haar contractspartij was bij de resellerovereenkomst 2023. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is en legt dat hierna uit. i. Is [gedaagde 1] B.V. haar contractspartij? 5.6. Keukenhof vindt dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde 1] B.V. haar contractspartij was, omdat: - [gedaagde 1] B.V. zich naar de buitenwereld presenteerde als contractpartij voor de resellerovereenkomsten 2021 en 2022, - in de resellerovereenkomsten 2021 en 2022 is opgenomen dat ‘ [gedaagde 1] ’ de handelsnaam is waaronder uitvoering wordt gegeven aan de overeenkomsten, - [gedaagde 1] B.V. de aanbetalingen voor de resellerovereenkomst 2023 heeft gedaan, net als voor de jaren 2021 en 2022, - Keukenhof aan [gedaagde 1] B.V. factureerde en [gedaagde 1] B.V. de enige debiteur in de administratie van Keukenhof is, - [gedaagde 1] B.V. het verkoopsysteem (API-systeem) faciliteerde en daarvoor ook de contractspartij was voor Ticketcounter, - alle communicatie tussen Keukenhof en [gedaagden] over de resellerovereenkomsten plaatsvond met medewerkers van [gedaagde 1] B.V. die correspondeerden met een e-mailadres eindigend op ‘ [webadres] ,’ waarbij het logo [gedaagde 1] werd gebruikt, - [gedaagde 4] alle resellerovereenkomsten heeft ondertekend, mede als CEO van ‘ [gedaagde 1] ’, - voorafgaand aan ondertekening van de resellerovereenkomst 2023 [gedaagde 1] B.V. tickets voor het seizoen 2023 heeft verkocht, - zowel [gedaagde 1] B.V. als [bedrijf] deel uitmaakte van het [gedaagde 1] -concern en alle vennootschappen binnen het concern worden bestuurd door [gedaagde 4] , - door [gedaagden] verwarrend gebruik is gemaakt van de organisatie en handelsnaam ‘ [gedaagde 1] ’ en [bedrijf] onterecht heeft vermeld dat [webadres] een merknaam van haar is, - niet [bedrijf] maar [gedaagde 1] B.V. de commerciële entiteit was binnen het [gedaagde 1] -concern en [gedaagde 1] B.V. de tickets voor Keukenhof verhandelde en de afwikkeling met de koper verzorgde, - [bedrijf] in voorgaande resellerovereenkomsten nooit als contractspartij naar voren is gekomen en uit niets is gebleken dat de medewerkers bij de onderhandeling over de resellerovereenkomst 2023 voor [bedrijf] optraden, - [bedrijf] geen uitvoering kon geven aan de resellerovereenkomst 2023 omdat zij niet beschikte over het verkoopsysteem, geen API-koppeling had met Ticketcounter en geen medewerkers en knowhow had voor de uitvoering van de resellerovereenkomst 2023. 5.7. [gedaagden] betwist dat Keukenhof er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde 1] B.V. haar contractspartij was bij de resellerovereenkomst 2023. In 2021 is er geen uitvoering gegeven aan de resellerovereenkomst door de coronapandemie. [bedrijf] heeft uitvoering gegeven aan de resellerovereenkomsten 2022 en 2023. Zij ontving de opbrengst van de ticketverkoop en betaalde vervolgens de facturen van Keukenhof. De creditfacturen in 2022 voor het selfbilling systeem zijn verzonden en betaald door [bedrijf] . Keukenhof heeft er zelf voor gekozen facturen op naam van [gedaagde 1] B.V. te zetten, terwijl [bedrijf] de resellerovereenkomsten van 2022 en 2023 had uitgevoerd. Keukenhof heeft [bedrijf] als contractpartij in de door haar opgestelde resellerovereenkomst 2023 opgenomen na verzoek van [gedaagden] op 31 januari 2024. De resellerovereenkomsten zijn ondertekend door [gedaagde 4] als CEO van het [gedaagde 1] -concern en voor 2023 is bij ondertekening vermeld dat [gedaagde 4] “Directeur” van [bedrijf] is. Het moet voor Keukenhof daarom helder zijn geweest dat [bedrijf] haar contractspartij was. Door [gedaagde 1] B.V. kon geen uitvoering worden gegeven aan de resellerovereenkomsten omdat zij alleen de technologie voor het verkoopplatform binnen het [gedaagde 1] -concern faciliteerde. [bedrijf] en [gedaagde 2] maakten als commerciële entiteiten voor de ticketverkoop dus gebruik van de technologie van [gedaagde 1] B.V. Daarvoor sloten die entiteiten een licentieovereenkomst met [gedaagde 1] B.V. Dat via het verkoopplatform van [gedaagde 1] B.V. tickets voor 2023 zijn verkocht aan derden, maakt niet dat [gedaagde 1] B.V. de contractspartij van Keukenhof is, zij was dat ook niet voor de resellerovereenkomsten 2021 en 2022. [gedaagde 1] is een handelsnaam binnen het [gedaagde 1] -concern en niet hetzelfde als [gedaagde 1] B.V. Van verwarrend gebruik van namen door [gedaagden] is geen sprake. Het is helder dat [gedaagde 1] B.V. is de vennootschap in het [gedaagde 1] -concern die technologie ontwikkelt, [bedrijf] is de vennootschap die met gebruik van deze technologie commerciële activiteiten verricht, net als [gedaagde 2] . Wat is het oordeel van de rechtbank? 5.8. Omdat partijen het niet eens zijn over het antwoord op de vraag wie de contractspartij van Keukenhof is, zal de rechtbank hierna beoordelen of Keukenhof erop mocht vertrouwen dat [gedaagde 1] B.V. haar contractspartij was. Daarvoor kijkt zij eerst naar de tekst van de resellerovereenkomst 2023. 5.9. In de aanhef van de resellerovereenkomst 2023 staat dat [bedrijf] contractspartij is en dat zij handelt onder de naam [gedaagde 2] . In de tekst van de overeenkomst komt de naam ‘ [gedaagde 1] B.V.’ niet voor. De opgenomen gegevens uit de Kamer van Koophandel betreffen ook [bedrijf] . [gedaagde 4] heeft de resellerovereenkomst 2023 verder ondertekend met de vermelding “Directeur [bedrijf]”. Uit de tekst van de resellerovereenkomst 2023 volgt dus dat deze is gesloten tussen Keukenhof en [bedrijf] . 5.10. De rechtbank kijkt ook naar de omstandigheden rondom de totstandkoming en oordeelt dat het voor Keukenhof toen duidelijk moet zijn geweest dat [bedrijf] de partij was met zij contracteerde. Keukenhof heeft op verzoek van [gedaagden] zelf [bedrijf] in de resellerovereenkomst 2023 als contractpartij opgenomen en van deze vennootschap de gegevens uit de Kamer van Koophandel verwerkt. Dat [gedaagden] bij aanvang van de onderhandelingen eerst heeft gevraagd [gedaagde 2] als contractspartij op te nemen, maakt dit niet anders. Ook de overige door Keukenhof gestelde omstandigheden, waaronder de gestelde betrokkenheid van medewerkers van [gedaagde 1] B.V., leiden niet tot een andere vaststelling en zijn bovendien door [gedaagden] gemotiveerd weersproken. 5.11. De rechtbank kan verder niet vaststellen dat het [gedaagde 1] B.V. was, die vervolgens uitvoering gaf aan de resellerovereenkomst 2023 en dat dit in 2021 en 2022 ook zo is verlopen. Daarvoor is het volgende van belang. Voor het seizoen van 2021 zijn door de coronapandemie in het geheel geen tickets verkocht en ticketopbrengsten aan Keukenhof afgedragen. Onder de resellerovereenkomsten 2022 en 2023 heeft [bedrijf] de betalingen aan Keukenhof verricht voor de (afdracht van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.