RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/6786 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2024 in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster (gemachtigde: mrs. E.C. Weijsenfeld en L. Veenman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel, hierna: het college (gemachtigden: P.I. Alguh en T. Lammers). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
- Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2024 is geoordeeld dat het college de bekostiging van de (nood)opvang voortzet tot 3 december
- Het verzoek van verzoekster strekt thans tot een verbod voor het college om de opvang te beëindigen tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Op de zitting is het verzoek aangevuld. Verzocht is om begeleiding van verzoekster.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster (bijgestaan door T.U. Takaki, tolk Swahili), de gemachtigden van verzoekster, de gemachtigden van het college, en de heer [naam 1] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA). Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Wat aan het verzoek vooraf ging
- Verzoekster is afkomstig uit Tanzania. Zij is op 1 juli 2024 samen met haar drie kinderen, [naam 2] (8 jaar), [naam 3] (6 jaar) en [naam 4] (1 jaar), zonder plan, zonder geld maar met de wens op een betere toekomst voor haar kinderen, vanuit Kenia naar Nederland gekomen. De vader van de kinderen is Nederlander en woont in Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel. De vader heeft de drie kinderen erkend en ten aanzien van [naam 4] is hij ook van rechtswege belast met het gezag. De oudste twee kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit en beschikken over een Nederlands paspoort. [naam 4] beschikt nog niet over een Nederlands paspoort. Toen verzoekster met de kinderen in Tanzania en Kenia woonde heeft de vader hen tot augustus 2023 altijd financieel onderhouden. Hij was er niet van op de hoogte dat eiseres met de kinderen naar Nederland zou komen. De vader heeft hier ook een ander gezin dat, op de dochter uit dat gezin na, geen weet heeft van het gezin van verzoekster. De vader zegt niets voor de kinderen te kunnen betekenen omdat hij zelf financiële en psychische problemen heeft.
- Verzoekster heeft de eerste periode na binnenkomst in Nederland met de kinderen rondgezworven. Zij kon niet terecht in Ter Apel en ook op andere plekken waar zij aanklopte voor hulp vond zij geen toereikende hulp. Via Veilig Thuis is JBRA betrokken geraakt en is gezocht naar een passende plek voor verzoekster en haar kinderen. Ouder-Amstel heeft, uit coulance, de bekostiging van die passende plek op zich genomen. Op 9 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter een eerder verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat het college - in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door Raad voor de Kinderbescherming over het perspectief van de kinderen - de bekostiging van de opvang voortzet tot 3 december
- Jeugdbescherming
- Op 4 september 2024 heeft de kinderrechter in Amsterdam op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van twee weken. Na behandeling op zitting heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd tot en met 3 december
- De kinderrechter is van oordeel dat het voor de kinderen (en hun moeder) van belang is dat de Jeugdbescherming Regio Amsterdam regie neemt en hen bijstaat bij het regelen van onderdak en de voorziening in de basisbehoeften. Een voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling acht de kinderrechter noodzakelijk om de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. De Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) heeft een vervolgonderzoek verricht naar aanleiding van de voorlopige ondertoezichtstelling. Op 18 november 2024 heeft de Raad een rapport uitgebracht, waarin wordt verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden. Op 3 december 2024 behandelt de kinderrechter dit verzoek. Verblijfsvergunning
- Verzoekster heeft op 17 juli 2024 een EU-aanvraag voor verblijf als verzorgende ouder van haar Nederlands minderjarig kinderen (Chavez-Vilchez) ingediend. Op deze aanvraag is nog niet beslist door de minister van Asiel en Migratie. De wettelijke beslistermijn loopt medio januari 2025 af. Vader
- Het college heeft in het contact met de vader de indruk gekregen dat de vader, waar mogelijk, bereid is mee te helpen. De griffier van de rechtbank heeft de vader gebeld en uitgenodigd voor de zitting op 3 december
- De vader heeft de griffier laten weten verhinderd te zijn. Ter zitting heeft de heer [naam 1] aangegeven dat JBRA weinig medewerking ervaart aan de zijde van vader. In het rapport van 18 november 2024 staat dat er nog geen contact is geweest tussen vader en de kinderen sinds de binnenkomst hier te lande en voorts dat de vader aangeeft dat hij in zijn huidige omstandigheden niet in staat is een rol te spelen in het leven van de kinderen. De voorzieningenrechter houdt het dan ook ervoor dat vader op dit moment en voor zover hier van belang geen rol van aanvullende betekenis kan of wil spelen. Standpunt college
- Het college voert ter zitting herhaald aan dat de gemeente Ouder Amstel verantwoordelijk wordt gemaakt voor een vraagstuk waarvoor zij eigenlijk niet verantwoordelijk is. Uit coulance heeft het college de bekostiging van opvang op zich genomen, maar verder heeft zij slechts beperkte mogelijkheden de problematiek van verzoekster en haar gezin aan te pakken. De gemeente Amsterdam heeft als centrumgemeente meer mogelijkheden om verzoekster te helpen. Het zou voor de hand liggen dat de gemeente Amsterdam het dossier overneemt, aldus het college. Ter zitting heeft het college evenwel te kennen gegeven bereid te zijn de bekostiging van opvang in ieder geval voort te zetten vanaf 3 december 2024 tot de beslissing van de voorzieningenrechter. Oordeel voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter heeft ten behoeve van de behandeling van deze zaak ter zitting op voorhand vragen uitgezet ten aanzien van de stand van zaken, onder andere met betrekking tot de inschrijving van verzoekster en haar kinderen op een (post)adres, de verkrijging van burgerservice nummers voor verzoekster en haar kinderen en de schoolgang van de kinderen. Ter zitting is vastgesteld dat verzoekster en haar kinderen nog nergens staan ingeschreven in de BRP. De voorzieningenrechter acht het betreurenswaardig dat de gemeente Ouder-Amstel geen hulp heeft geboden om verzoekster en de kinderen ingeschreven te krijgen in de BRP. De inschrijving in de BRP is bij uitstek een gemeentelijke taak. Pas bij inschrijving in de BRP kunnen verzoekster en de kinderen een burgerservice nummer verkrijgen en zijn ze niet langer ‘onzichtbaar’ voor de Nederlandse overheid. Van de zijde van verzoekster is aangegeven dat er een afspraak is gemaakt om verzoekster en haar kinderen in te schrijven op de [adres] te Amsterdam.
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster weliswaar zonder plan of geld met de kinderen naar Nederland is gekomen, maar dat doet niet af aan het feit dat het hier gaat om Nederlandse kinderen die in nood verkeren. Verzoekster is beperkt zelfredzaam, zij heeft geen netwerk in Nederland, en begeleiding om haar leven in Nederland op te starten is daarom noodzakelijk. JBRA is geen hulpverleningsorganisatie, maar probeert wel de kinderen en verzoekster te helpen. Van de vader van de kinderen valt op dit moment niks te verwachten. De gemeente Ouder-Amstel wordt thans aangesproken omdat de vader van de kinderen aldaar ingeschreven staat en woonachtig is. Omdat er geen onderdak is geregeld en evenmin in de basisbehoeften is voorzien, blijft de gemeente Ouder-Amstel vooralsnog verantwoordelijk voor de kinderen en verzoekster, tenzij een andere gemeente bereid is gevonden hierin te voorzien. Het is aan de gemeente Ouder-Amstel om dat te regelen. Niet kan worden volstaan met het verwijzen naar algemene afspraken die bestaan tussen de verschillenden gemeenten. Als het college het dossier van de kinderen en verzoekster aan een andere gemeente wil overdragen, dan dient het college zich er van te vergewissen dat die andere gemeente de kinderen en verzoekster onderdak biedt en voorziet in de basisbehoeften.
- Het is echter essentieel dat verzoekster ook de komende periode wordt bijgestaan om het leven van haar en haar gezin in Nederland verder op te starten. De voorzieningenrechter benadrukt daarbij dat JBRA op dit moment wordt belast met de praktische hulpvragen, bijvoorbeeld het regelen van vervoer naar de rechtbank of in voorkomende gevallen de opvang van de kinderen. Deze werkzaamheden behoren niet tot de taakuitoefening van JBRA. Dergelijke zaken behoren tot het takenpakket van jeugdhulp.
- De voorzieningenrechter ziet hierin een meer prominente rol voor het college. Ter zitting is door het college aangegeven dat zij bereid is verzoekster te helpen, bijvoorbeeld met de gang naar een huisarts voor het jongste kind, waarvoor aanknopingspunten bestaan dat het medische zorg behoeft. De voorzieningenrechter benadrukt daarbij ook dat van verzoekster medewerking wordt verwacht, maar dat zij op dit vlak qua zelfredzaamheid niet gelijkgesteld kan worden met de gemiddelde burger in Nederland. Zij heeft behoefte aan meer uitleg en toelichting. In de zoektocht naar een permanent verblijf voor verzoekster en haar kinderen is van belang dat verzoekster wordt meegenomen in allerlei praktisch zaken en haar bijvoorbeeld wordt uitgelegd dat reistijden in Nederland over het algemeen beperkt zijn tot maximaal een paar uren. Vestiging in een andere gemeente dan Ouder-Amstel brengt bijvoorbeeld niet met zich dat een eventueel bezoek van de kinderen aan hun vader onmogelijk of onredelijk ingewikkeld wordt.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het college tot drie maanden na deze uitspraak zorg dient te dragen voor opvang, dan wel de bekostiging daarvan, van verzoekster en de kinderen. Een vast tijdvak biedt meer duidelijkheid. In deze periode is cruciaal dat verzoekster begeleid wordt bij praktische, voor haar zelf lastig te faciliteren, zaken, bijvoorbeeld hulp bij de inschrijving in de BRP, het daarmee verkrijgen van burgerservice nummers, eventuele uitkering en toeslagen, de schoolgang voor de kinderen en de gang naar een huisarts. Een en ander laat onverlet dat het college, zij het dus met een warme overdracht, ook binnen deze drie maanden een andere gemeente bereid kan vinden de zorg voor het gezin, met alle daarbij komende aspecten, over te nemen.
- Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht, te weten € 51,-, vergoedt.
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verzoekster een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek toe en bepaalt dat het college de bekostiging van de (nood)opvang voortzet tot drie maanden na deze uitspraak; bepaalt dat het college verzoekster begeleidt bij de voorziening in de basisbehoeften; bepaalt dat het college aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RBAMS:2024:
- Zie de (spoed)beschikking van 4 september 2024 en de beschikking van 10 september 2024, zaaknummer: C/l3/756307 / JE RK 24-
- Basisregistratie Personen. Als bedoeld in de laatste zin van rechtsoverweging 14.