RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11152474 \ CV EXPL 24-7017 Vonnis van 5 december 2024 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] (Curaçao), eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. T.G. Gijtenbeek, tegen 1 [gedaagde 1] , te [woonplaats 2] ,2. [gedaagde 2], te [woonplaats 2] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [gedaagden] , gemachtigde: mr. R.A. Veldman. De procedure 1Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 juni 2024, met producties; - de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties; - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte overleggen nadere producties; - aanvullende productie 11 zijdens [gedaagden] ; - aanvullende productie 12 – 13 zijdens [gedaagden] ; - aanvullende productie 26 zijdens [eiser] . 2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig [eiser] , zijn gemachtigde en de gemachtigde van [gedaagden] [gedaagde 1] heeft op zijn verzoek digitaal deelgenomen. Partijen hebben hun standpunten bepleit, [eiser] mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen van de zitting gemaakt. Op verzoek van partijen is de zaak aangehouden. [eiser] heeft de kantonrechter vervolgens geïnformeerd dat partijen geen overeenstemming hadden bereikt en vonnis gevraagd. Ten slotte is vonnis bepaald. De feiten 3. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast. 3.1. [gedaagde 1] huurt vanaf 1 december 2015 van [eiser] woonruimte aan de [adres 1] (hierna: het gehuurde). [gedaagde 1] woont in het gehuurde met zijn echtgenote, [gedaagde 2] . De totale maandelijkse betalingsverplichting voor het gehuurde bedraagt momenteel € 3.735,94 per maand. Dat bedrag is inclusief de kale huurprijs, een bijdrage voor meubels en stoffering van € 200,- per maand en een voorschot op de energiekosten van € 150,- per maand. 3.2. [eiser] heeft sinds 2010 een relatie met [naam] (hierna: [naam] ). Tussen 2016 en 2018 heeft [eiser] met [naam] samengewoond in de [adres 2] . Zij hebben die woonruimte in 2018 verkocht. [naam] is daarna gaan wonen in de [adres 3] , dat zij in eigendom had verkregen. [eiser] is gaan wonen op het adres [adres 4] , dat hij in eigendom had verkregen. Die woning heeft [eiser] in juni 2022 verkocht. 3.3. In juni 2022 is [eiser] gaan wonen en werken in [woonplaats 1] (op Curaçao). Een aantal weken later zijn [naam] en haar zoon hem achterna gereisd. Zij hebben daar ongeveer 10 maanden samengewoond, totdat [naam] en haar zoon naar Nederland terugkeerden. [eiser] is op Curaçao blijven wonen en werken. Per mei 2024 is die opdracht van [eiser] op Curaçao geëindigd. 3.4. Op 29 februari 2024 heeft [eiser] [gedaagden] per e-mail geïnformeerd dat hij naar Nederland terugkeert en dat hij zelf in het gehuurde wil gaan wonen. Daarbij stuurde hij ook een aantal alternatieve appartementen mee die te huur werden aangeboden. Per aangetekende brief van 26 maart 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] de huurovereenkomst tegen 31 augustus 2024 opgezegd wegens dringend eigen gebruik. [gedaagden] hebben niet met de opzegging ingestemd. Op 23 mei 2024 is namens [eiser] nog een aantal mogelijke andere woningen aan [gedaagden] toegestuurd, zowel op de [adres 2] , als in de buurt daarvan. 3.5. Op 22 oktober 2023 hebben [gedaagden] [eiser] per e-mail geïnformeerd dat de thermostaat van de vloerverwarming in de badkamer defect was. Het geschil In conventie 4. [eiser] vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de huurovereenkomst te beëindigen per 1 september 2024 en [gedaagden] te veroordelen het gehuurde te ontruimen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. 5. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. In reconventie 6. [gedaagden] vorderen in reconventie om [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen om – kort gezegd – een naar soort uitgesplitst overzicht te sturen van alle kosten voor nutsvoorzieningen en servicekosten in de periode van 1 december 2015 tot en met 31 december 2023, op straffe van een dwangsom. Ook vorderen [gedaagden] te bepalen dat de huurprijs voor het gehuurde met 70% wordt verminderd per 1 november 2023 tot aan de datum van herstel, vanwege meerdere gebreken in het gehuurde. [gedaagden] vorderen verder veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 7 [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie. 8. Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan. De beoordeling In conventie Geslaagd beroep op dringend eigen gebruik? 9. Voor een geslaagd beroep op dringend eigen gebruik ex artikel 7:274 lid 1 onder c Burgerlijk Wetboek (BW) moet [eiser] in de eerste plaats aannemelijk maken dat hij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. [eiser] moet vervolgens aannemelijk maken dat zijn behoefte aan de verhuurde woonruimte zo dringend is, dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt voortgezet. Ten slotte moet zijn gebleken dat [gedaagden] andere passende woonruimte kunnen krijgen. 10. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarin is geslaagd. De vordering in conventie wordt daarom toegewezen. Dat wordt als volgt toegelicht. 11. [eiser] heeft aangevoerd dat zijn opdracht op Curaçao is beëindigd, dat hij wil terugkeren naar Nederland en dat het gehuurde het enige pand is dat hij in Nederland bezit. [gedaagden] hebben dit niet weersproken, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. [eiser] heeft verder naar oordeel van de kantonrechter voldoende toegelicht dat [naam] en hij in 2018 enige tijd uit elkaar zijn geweest en er vervolgens bewust voor hebben gekozen om hun relatie voort te zetten in de vorm van een latrelatie (living apart together). Daarbij brengen ze weliswaar regelmatig tijd met elkaar door, maar wonen ze niet samen en hebben ze beiden een eigen huishouding. [eiser] heeft ook een verklaring van [naam] overgelegd, die dit onderschrijft. [eiser] heeft daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen andere woonruimte in Nederland heeft en dat hij het gehuurde daarom dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Dat [eiser] en [naam] op Curaçao tijdelijk hebben samengewoond, maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [eiser] [gedaagden] eerder in 2017 had laten weten dat hij het gehuurde wilde verkopen. [eiser] heeft namelijk ter zitting voldoende uitgelegd dat hij destijds was ingeloot voor een nieuwbouwwoning (op het adres [adres 4] ) en dat hij het geld van een verkoop van het gehuurde daar op dat moment voor nodig had. Niet gebleken is dat de opzegging waar het in deze procedure om gaat, verband houdt met een voornemen om het gehuurde te gaan verkopen. 12. Vervolgens dient er een belangenafweging plaats te vinden. 12.1. Door [gedaagden] is in dat kader aangevoerd dat zij ouder zijn dan 70 jaar, uit Amerika komen, sinds hun komst naar Nederland in 2015 in het gehuurde hebben gewoond, daar een huisarts in de buurt hebben en dat zij een kind in de Europese Unie hebben wonen. Zij hebben er belang bij om in het gehuurde te blijven wonen. 12.2. Daar staat tegenover dat [eiser] onder meer heeft aangevoerd dat hij naar Nederland wil terugkeren, dat hij geen andere woonruimte in Nederland heeft en dat zijn netwerk, familie en sociale leven zich in [woonplaats 2] afspelen, waar hij voorafgaande aan zijn vertrek naar Curaçao ook lange tijd heeft gewoond en gewerkt. Ook heeft [eiser] aangevoerd dat het in verband met de gewijzigde fiscale regelgeving onvoordelig is om het gehuurde te blijven verhuren en zelf ergens anders te gaan wonen. 12.3. Naar oordeel van de kantonrechter valt de belangenafweging in het voordeel van [eiser] uit. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij naar Nederland wil terugkeren en iets anders zou moeten kopen of huren als hij niet in het gehuurde kan wonen. Dat [gedaagden] gehecht zijn geraakt aan de woning waar zij al negen jaar wonen, is begrijpelijk, maar daartegenover onvoldoende. Het is niet gebleken dat [gedaagden] (andere) specifieke binding met het gehuurde hebben, waardoor hun belang zwaarder zou moeten wegen. [gedaagden] hebben bijvoorbeeld niet aangevoerd dat zij in verband met zorg of hun leeftijd aan deze specifieke woning zijn gebonden. De kantonrechter merkt in dat kader overigens nog op dat [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling in het buitenland verbleven, waaruit volgt dat zij ook in zoverre dus niet aan het gehuurde zijn gekluisterd. 13. [eiser] heeft [gedaagde 1] c.s zowel in februari 2024 als in mei 2024 (zie rov. 3.4) verschillende opties van op dat moment beschikbare appartementen toegestuurd. Dat betrof zowel woonruimte op de [adres 2] , als in de buurt daarvan. [gedaagden] hebben niet weersproken dat dit passende woonruimte betrof. Overigens hebben [gedaagden] zelf ook een productie ingebracht, waaruit volgt dat er op het moment van de conclusie van antwoord 11 woningen op de [adres 2] te huur werden aangeboden. [gedaagden] betalen voor het gehuurde momenteel € 3.735,94 per maand. Er is geen sprake van een huurachterstand, waaruit volgt dat [gedaagden] in staat zijn een aanzienlijke maandelijkse huur te betalen. Naar oordeel van de kantonrechter is daarmee al met al voldoende gebleken dat [gedaagden] andere passende woonruimte kunnen krijgen. Dat [gedaagden] hebben aangevoerd dat zij niet voor de door [eiser] toegestuurde woningen in aanmerking zouden komen, omdat zij op leeftijd zijn en geen vast inkomen meer hebben, doet daar niet aan af. [gedaagden] hebben dit namelijk niet met stukken onderbouwd. Daartoe waren zij, in het licht van wat [eiser] in dit kader heeft aangevoerd, wel gehouden. Bij die stand van zaken wordt aan nadere bewijslevering niet toegekomen en wordt voorbijgegaan aan het ter zitting door [gedaagden] gedane bewijsaanbod. 13.1. Ten overvloede geeft de kantonrechter [gedaagden] in dit kader mee dat zij [eiser] kunnen verzoeken een verhuurdersverklaring af te geven, waarin [eiser] – ten behoeve van toekomstige verhuurders – verklaart over hun betalingsgedrag gedurende deze huurperiode. Einde huurovereenkomst en ontruiming 14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [eiser] op dringend eigen gebruik slaagt. De kantonrechter zal de huurovereenkomst daarom beëindigen. De datum van beëindiging van de huurovereenkomst zal worden vastgesteld op 5 maart 2025 en [gedaagden] worden veroordeeld het gehuurde per die datum te ontruimen. Uitvoerbaar bij voorraad verklaring? 15. [eiser] heeft verzocht dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter wijst dit af. In artikel 7:272 lid 1 BW is ten aanzien van huur van woonruimte bepaald dat een opgezegde huurovereenkomst in een geval als dit van rechtswege van kracht blijft, totdat de rechter kort gezegd daarover onherroepelijk heeft beslist. Daar kan slechts bij zeer bijzondere omstandigheden van worden afgeweken. Dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken. 16. De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. In reconventie Huurprijsvermindering? 17. [gedaagden] vorderen in reconventie onder meer een huurprijsvermindering van 70% vanaf 1 november 2023 tot aan herstel. Volgens [gedaagden] gaat het daarbij om de volgende gebreken: een defecte thermostaat/verwarming in de badkamer en lekkages ter plaatse van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.