RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-235244-24 Datum uitspraak: 12 december 2024 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 23 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2024 door the Vilnius Regional Court, Litouwen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1998. zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 19 september 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 september 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak 3 oktober 2024 Bij tussenuitspraak van 3 oktober 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen over de detentieomstandigheden in Litouwen. Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 12 november 2024 De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 12 november 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft in het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden in Litouwen het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd om informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding. Zitting van 28 november 2024 De behandeling van het EAB is – met instemming van de raadsman en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling – voortgezet op de zitting van 28 november 2024 in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. J.W. Ebbink. Het onderzoek ter zitting is gesloten. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en opnieuw vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Litouwse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak van 3 oktober 2024 In de tussenuitspraak van 3 oktober 2024 heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3.), over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4.) en over de strafbaarheid van de feiten (onder 5.). Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Litouwen 4.1. Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen over de detentieomstandigheden in Litouwen onder 6. in de tussenuitspraak van 3 oktober 2024. Deze overwegingen dienen eveneens als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 3 oktober 2024 een vraag geformuleerd met betrekking tot de detentieomstandigheden in Litouwen. Diezelfde vraag is vervolgens in een andere zaak in een (tussen)uitspraak van 5 november 2024 geherformuleerd. Die (geherformuleerde) vraag is door het IRC eveneens in deze overleveringsprocedure aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd en luidt als volgt: “With reference to the measures described in the April 2024 letter, that leaders of the informal hierarchy will be isolated on separate floors in separate cells and the measure that detainees will be housed in a one-person cell (or other secure environment) during investigation of complaints, when were these measures implemented and from what date are they fully in effect?” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 11 november 2024 als volgt geantwoord: “(…) In reply to your question, please be informed that it has always been the practice in prisons to isolate prisoners whose health or life may be at risk, as well as prisoners who pose a risk. In 2018, in order to reduce the influence of the informal prison hierarchy, to strengthen the security and supervision of prisoners, to prevent violation of prison rules more effectively, and to increase the security of prison staff, prisoners who have a negative influence on other prisoners (leaders of the informal hierarchy and their accomplices, drug traffickers) were transferred to separate sectors of prisons and isolated from other prisoners (about 200 persons in total). The requirements for the segregation of prisoners who have a negative impact on other prisoners presently continue to be met." Verder is gebleken dat de Litouwse regering op 29 oktober 2024 heeft gereageerd op het (meest recente) rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 18 juli 2024 (hierna: het CPT-rapport 2024). 4.2. Standpunten van de raadsman en de officier van justitie van justitie De raadsman heeft aangevoerd dat het antwoord van de Litouwse autoriteiten van 11 november 2024 niet inhoudt dat de problemen, zoals die uit het CPT-rapport 2024 blijken, aangepakt worden. Uit het antwoord van 11 november 2024 kan worden afgeleid dat de Litouwse autoriteiten sinds 2018 proberen de informele machtsstructuren aan te pakken, maar het CPT-rapport 2024 laat zien dat ze hierin tot op heden niet zijn geslaagd. Er zijn meer en andere maatregelen vereist. Volgens de raadsman is er hierdoor wederom sprake van een algemeen gevaar van onmenselijke behandeling in de detentie-instellingen in Litouwen. Daarom moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB en moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan, aangezien de maatregelen die de Litouwse autoriteiten hebben genomen voldoende adequate bescherming bieden tegen (de negatieve gevolgen van) het kastenstelsel, waardoor geen sprake is van een algemeen reëel gevaar. Subsidiair verzoekt de officier van justitie om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de effectiviteit van de na het CPT-rapport 2024 geïmplementeerde (en in de reactie van de Litouwse autoriteiten van 29 oktober 2024 op dit CPT-rapport) genoemde maatregelen. 4.3. Oordeel van de rechtbank Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 5 april 2016 (Aranyosi en Căldăraru) is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, wanneer zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend – afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) gewaarborgde grondrechten – worden behandeld, verplicht om te beoordelen of dit gevaar bestaat voordat zij beslist over de overlevering van de opgeëiste persoon. De tenuitvoerlegging van een EAB mag immers niet leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling van die persoon. Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentie-omstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren. De rapporten van het CPT bevatten dergelijke objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. CPT-rapport 2023 / uitspraak van 15 februari 2024 De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 februari 2024 geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Litouwen, er voor gedetineerden een reëel gevaar bestaat van onmenselijke en vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest. Dit gevaar is gebaseerd op de probleempunten zoals geconstateerd in het destijds meest recente rapport van het CPT van 23 februari 2023 (hierna: het CPT-rapport 2023). Kort samengevat gaat het om het bestaan (in alle detentie instellingen) van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg, de aanwezigheid van illegale drugs en het gebrek aan adequaat gevangenispersoneel. Uitspraak van 25 april 2024 Bij uitspraak van 25 april 2024 heeft de rechtbank vervolgens op basis van de maatregelen die zijn vermeld in aanvullende informatie van de Litouwse autoriteiten van 5 maart 2024 en 3 april 2024 – zoals het isoleren van leiders van de informele hiërarchie op aparte afdelingen en in afzonderlijke afsluitbare cellen, het actief monitoren van risico’s op potentieel (psychisch) geweld en het onderbrengen van gedetineerden in een éénpersoonscel of andere veilige omgeving tijdens onderzoek naar klachten – geoordeeld dat niet langer kan worden gesteld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Litouwse detentieomstandigheden. CPT-rapport 2024 In het CPT-rapport 2024, dat is uitgebracht naar aanleiding van bezoeken aan vier detentie-instellingen in februari 2024, is onder meer het volgende gerapporteerd over de detentieomstandigheden in Litouwen: 1. (…) The visit was considered by the Committee “to be required in the circumstances” (cf. Article 7, paragraph 1, of the Convention) and its objective was to examine the implementation of the recommendations of the Committee formulated in the report on the periodic visit carried out in 2021, in particular as regards widespread inter-prisoner violence as well as the abundance of illegal drugs combined with a lack of targeted strategies to help the large numbers of prisoners using drugs. (…) (…) 9. The findings of the 2024 visit set out in this report indicate that the Lithuanian authorities have taken a number of steps to address the above-mentioned problems. However, the situation observed in the four prisons visited demonstrates that with legal and organisational changes alone only partial progress can be made. It is clear that substantial financial resources must now be committed in order to finally and fully address these problems. With a view to achieve a genuine reform of the Lithuanian prison system, far greater resources are needed to accelerate the reconstruction of prisons from dormitory-type to cellular-type accommodation and, most importantly, to significantly increase staffing levels. A substantially larger custodial staff presence in detention areas is required to significantly reduce inter-prisoner violence and to prevent illegal drugs from being smuggled into prison, traded and consumed. The Lithuanian authorities must demonstrate concrete and sustained efforts to tackle these challenging issues if they are to persuade the Committee not to resort to a public statement under the procedure enshrined in Article 10, paragraph 2 of the Convention establishing the CPT. (…) 2Inter-prisoner violence a. Recording of injuries and investigation 30. As during previous visits, the CPT delegation received many credible allegations of inter-prisoner violence, including stabbings with sharp objects, beatings, scaldings, bullying and other forms of psychological pressure, extortion, and coercion to commit new crimes and disciplinary offenses. Such allegations were received from prisoners accommodated across different units within all the prisons visited. (…) 34. In every prison the delegation found medical records of injuries indicative of inter-prisoner violence majority of which were, however, explained away by the prisoners concerned as “an accident”. (…) (…) 43. The delegation interviewed the majority of the prisoners whose injuries were recorded during the first six weeks of 2024 (in some cases, injuries were still visible). Only a small number of them admitted having been attacked by another inmate. Many more were not willing to talk openly about the circumstances surrounding the injury. They explained to the delegation that according to the unwritten rules amongst inmates, a prisoner was not allowed to complain about physical violence and that it was not only forbidden to name a perpetrator(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.